Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Raad van Bestuur ingesteld bij het Statuut van de Europese School, betreffende het functioneren van de Europese School in Nederland

Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Raad van Bestuur ingesteld bij het Statuut van de Europese School, betreffende het functioneren van de Europese School in Nederland

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna te noemen: de Regering) en de Raad van Bestuur ingesteld bij het op 12 april 1957 te Luxemburg ondertekende Statuut van de Europese School (hierna te noemen: de Raad van Bestuur),

Overwegende dat de Raad van Bestuur, in overeenstemming met artikel 2 van het op 13 april 1962 te Luxemburg ondertekende Protocol nopens de oprichting van Europese Scholen, op 13 en 14 april 1962 heeft besloten tot oprichting van een nieuwe Europese School (hierna te noemen: de School) en als plaats van eerste vestiging dier School Bergen (Noord-Holland) heeft aangewezen,

Verlangende, overeenkomstig de doelstellingen van genoemd Statuut en genoemd Protocol, een aanvullende overeenkomst zoals bedoeld in artikel 28 van het Statuut te sluiten ter verzekering van de meest gunstige materiële en geestelijke voorwaarden voor het functioneren van de School,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel

I

Artikel

II

Artikel

III

De eigendommen van de School zijn niet vatbaar voor vordering en verbeurdverklaring.

Artikel

IV

Artikel

V

Artikel

VI

Wanneer de School aankopen doet welke noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar officiële taak en in de prijs daarvan omzetbelasting is begrepen, zal de Regering geëigende maatregelen nemen om het bedrag van de belasting kwijt te schelden of terug te betalen aan de School.

Artikel

VII

De leden van de Raad van Bestuur en van de Commissies van Inspecteurs genieten gedurende de uitoefening van hun functie en op hun reizen naar en van de plaats van vergadering de voorrechten, immuniteiten of faciliteiten, bedoeld in artikel 11 van het op 8 april 1965 te Brussel ondertekende Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

Artikel

VIII

De Directeur en de leden van het onderwijzend en het gedetacheerd administratief personeel van de School die in Nederland hun werkzaamheden uitoefenen, genieten met betrekking tot hun deviezenrechtelijke positie dezelfde faciliteiten als ambtenaren van buitenlandse diplomatieke zendingen in het Koninkrijk der Nederlanden. Dientengevolge worden zij behandeld als ingezetenen in de zin van artikel 2, letter (d), van de Deviezenbekendmaking 2/61 van 11 september 1961 (Bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant nr. 179 van 14 september 1961).

Artikel

IX

Op de Directeur en de leden van het onderwijzend en het gedetacheerd administratief personeel van de School, op wie de wetgeving inzake sociale verzekering van een andere Staat van toepassing is, alsmede op hun echtgenoten en kinderen voor zover deze kinderen geen bedrijf of beroep uitoefenen noch aan de Nederlandse loonbelasting zijn onderworpen, is de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving niet van toepassing.

Artikel

X

De namen, hoedanigheden en adressen van de Directeur, van de leden van het onderwijzend en het gedetacheerd administratief personeel van de School, alsmede van hun gezinsleden, worden op gezette tijden aan de Minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden medegedeeld.

Artikel

XI

De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten voorzien in deze Overeenkomst worden uitsluitend in het belang van de School verleend.

Artikel

XII

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, 29 april 1970, in tweevoud.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS

Voor de Raad van Bestuur ingesteld bij het Statuut van de Europese School:

(w.g.) W. FUNCK