Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten op het gebied van het burgerlijk recht

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten op het gebied van het burgerlijk recht

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de Bondspresident van de Republiek Oostenrijk,

De wens koesterende om de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van in burgerlijke zaken gegeven rechterlijke beslissingen alsmede van authentieke akten te regelen,

Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hun Gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

De Heer dr. H. R. van Houten, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

De Bondspresident van de Republiek Oostenrijk:

De Heer dr. Claus Winterstein, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur van de Republiek Oostenrijk in het Koninkrijk der Nederlanden,

Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

De gerechten van de Hoge Verdragsluitende Partij waar de erkenning wordt ingeroepen, mogen de beslissing slechts toetsen aan de in artikel 2 vermelde voorwaarden. Voor het overige mag de beslissing noch wat de feiten, noch wat het recht betreft, worden getoetst.

Artikel

5

Artikel

6

Is bij de beslissing over meer dan een vordering uitspraak gedaan, doch aan de voorwaarden voor de erkenning of tenuitvoerlegging slechts met betrekking tot een of meer van deze vorderingen voldaan, dan moet de beslissing in zoverre worden erkend of uitvoerbaar worden verklaard (tenuitvoergelegd).

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Indien een geding voor een gerecht van een van beide Staten aanhangig is en te voorzien is dat de beslissing over het onderwerp van dit geding in de andere Staat zal moeten worden erkend, moet het gerecht, waarbij een vordering over hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen later is aanhangig gemaakt, de eiser niet ontvankelijk verklaren.

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Ieder geschil met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, dat tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen mocht ontstaan, moet langs diplomatieke weg worden bijgelegd.

TEN BLIJKE WAARVAN de wederzijdse Gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegels voorzien.

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 6e februari 1963, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) H. R. VAN HOUTEN

Voor de Republiek Oostenrijk:

(w.g.) DR. CLAUS WINTERSTEIN