Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de wederkerige erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de wederkerige erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en van Haar andere Rijken en Gebieden, Hoofd van de Commonwealth (hierna te noemen: „Hare Britse Majesteit”);

De wens koesterende om op grondslag van wederkerigheid een regeling te treffen voor de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken,

Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben tot hun gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie de Heer H. J. de Koster, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

Hare Britse Majesteit:

Voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland:

Zijne Excellentie Sir Isham Peter Garran, K. C. M. G., Harer Britse Majesteits Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage en

De Right Honourable Lord Gardiner, Lord High Chancellor van Groot-Brittannië;

Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen als volgt:

Algemene bepalingen

Artikel

I

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

  • 1.

    „gebied”:

    • a)

      waar het betreft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna te noemen: „het Verenigd Koninkrijk”), Engeland en Wales, Schotland en Noord-Ierland en die gebieden, waar dit Verdrag van kracht is uit hoofde van een uitbreiding ingevolge artikel X, 1e lid, onder a; en

    • b)

      waar het betreft het Koninkrijk der Nederlanden, het Europese gedeelte van het Koninkrijk en elk ander deel van het Koninkrijk waar dit Verdrag van kracht is uit hoofde van een uitbreiding ingevolge artikel X, 1e lid, onder b.

  • 2.

    „vonnis”: iedere beslissing van een gerecht, hoe ook genaamd (vonnis, beschikking en dergelijke), bevattende een eindbeslissing omtrent de rechten van de partijen; hieraan doet niet af, dat tegen het vonnis een rechtsmiddel is ingesteld of nog kan worden ingesteld bij de gerechten van het land van het oorspronkelijk gerecht. Een gerechtelijke minnelijke schikking zal voor de toepassing van dit Verdrag eveneens als een vonnis worden beschouwd. Zijn de ingevolge een vonnis te betalen proceskosten of interessen niet in dat vonnis zelf vastgesteld doch bij een aparte beschikking, dan wordt zulk een beschikking voor de toepassing van dit Verdrag geacht deel uit te maken van dat vonnis.

  • 3.

    „vordering in rem”: een vordering ter verkrijging van een vonnis dat geldt niet alleen tussen de partijen in het geding, maar ook tegenover derden die aanspraak maken op een belang in het onderwerp van de vordering.

  • 4.

    „oorspronkelijk gerecht” - met betrekking tot een vonnis: het gerecht dat dit vonnis heeft gewezen, en „aangezocht gerecht”: het gerecht waaraan de erkenning van een vonnis wordt verzocht of tot hetwelk een verzoek om registratie van een vonnis of tot verlening van verlof tot tenuitvoerlegging wordt gericht.

  • 5.

    „schuldenaar”: degene die bij het vonnis van het oorspronkelijke gerecht werd veroordeeld, daaronder zo nodig begrepen een ieder tegen wie naar het recht van het oorspronkelijke gerecht dit vonnis kan worden ten uitvoer gelegd; „schuldeiser”: degene, te wiens gunste het vonnis werd gewezen, daaronder begrepen ieder ander op wie de rechten uit het vonnis zijn overgegaan.

  • 6.

    „rechtsmiddel”: elke procedure die de strekking heeft een vonnis te vernietigen of buiten werking te stellen, alsook een verzoek om een nieuwe berechting van de zaak of om schorsing van de tenuitvoerlegging.

Artikel

II

Erkenning van vonnissen

Artikel

III

Artikel

IV

Tenuitvoerlegging van vonnissen

Artikel

V

Artikel

VI

Artikel

VII

Artikel

VIII

Slotbepalingen

Artikel

IX

Alle geschillen die mochten rijzen in verband met de uitlegging of toepassing van dit Verdrag worden opgelost langs de diplomatieke weg.

Artikel

X

Artikel

XI

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. De oorkonden van bekrachtiging zullen te Londen worden uitgewisseld. Het Verdrag zal drie maanden nadat de oorkonden van bekrachtiging zijn uitgewisseld in werking treden en het zal gedurende drie jaar na zijn inwerkingtreding van kracht blijven. Indien geen van de Hoge Verdragsluitende Partijen de andere tenminste zes maanden vóór het verstrijken van de vermelde termijn van drie jaar langs de diplomatieke weg heeft kennis gegeven van zijn wens het Verdrag op te zeggen, dan zal het van kracht blijven tot op de dag waarop zes maanden verstreken zijn na de datum waarop een van de Hoge Verdragsluitende Partijen van de opzegging zal hebben kennis gegeven.

TEN BEWIJZE WAARVAN de hogergenoemde gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegels voorzien.

GEDAAN in tweevoud te 's-Gravenhage, op 17 november 1967, in de Nederlandse en de Engelse taal, welke beide teksten gelijkelijk gezag hebben.

Voor Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

(w.g.) H. J. DE KOSTER

Voor Hare Britse Majesteit:

(w.g.) PETER GARRAN

(w.g.) GARDINER C.