Overeenkomst inzake de administratieve en strafrechtelijke samenwerking op het gebied van de regelingen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie

Overeenkomst inzake de administratieve en strafrechtelijke samenwerking op het gebied van de regelingen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie

De Regering van het Koninkrijk België,

De Regering van het Groothertogdom Luxemburg,

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

Bezield door de wens om, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie, tussen de drie landen nauwe samenwerking op administratief en gerechtelijk gebied tot stand te brengen;

Overwegende dat daartoe moet worden uitgegaan van de beginselen die ten grondslag liggen aan het Verdrag nopens de samenwerking op het stuk van douanen en van accijnzen van 5 september 1952, aan het Verdrag over de samenwerking inzake de regeling van in-, uit- en doorvoer van 16 maart 1961 en aan het Verdrag tot wederzijdse bijstand inzake de heffing van de omzetbelasting, de overdrachttaks en soortgelijke belastingen van 25 mei 1964;

Van oordeel dat het, met name met het oog op de afschaffing der administratieve controles aan de Beneluxbinnengrenzen, gewenst is de mogelijkheid te scheppen om het krachtens bovengenoemde Verdragen ingestelde systeem van samenwerking uit te breiden tot alle onderwerpen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie;

Verlangende de administratieve en gerechtelijke samenwerking tussen de drie landen te regelen in één verdrag, dat bestemd is een samenhangend geheel te vormen met de regels, vervat in het Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken van 27 juni 1962 en in het Verdrag inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken van 26 september 1968;

Gelet op het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, in het bijzonder op de artikelen 3, 11, 76, 79 en 83;

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK

I

Definities

Artikel

1

In deze Overeenkomst dient te worden verstaan:

  • a.

    onder „Unieverdrag”: het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958;

  • b.

    onder „Comité van Ministers”: het Comité van Ministers, ingesteld krachtens het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie;

  • c.

    onder „Uitleveringsverdrag”: het Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, van 27 juni 1962.

HOOFDSTUK

II

Werkingssfeer

Artikel

2

Deze Overeenkomst heeft betrekking op de toepassing van de wettelijke bepalingen der drie landen, die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie en door het Comité van Ministers zijn aangewezen.

HOOFDSTUK

III

Documenten, vergunningen, erkenningen en controlemerken

Artikel

3

Artikel

4

De controlemerken, welke door de ambtenaren van een der landen ingevolge wettelijke bepalingen van dat land op een document, vervoermiddel, enig goed of de verpakking van een goed zijn aangebracht, worden beschouwd eveneens te zijn aangebracht ingevolge de wettelijke bepalingen van de beide andere landen.

Artikel

5

De bepalingen van artikel 3, eerste en tweede lid, en van artikel 4 zijn slechts van toepassing na een desbetreffende beschikking van het Comité van Ministers en, eventueel, binnen de grenzen en volgens de modaliteiten, vastgesteld door dat Comité.

HOOFDSTUK

IV

Administratieve samenwerking

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Indien een ambtenaar van een der landen naar aanleiding van een administratief onderzoek of een administratieve controle, verband houdende met de toepassing van de krachtens artikel 2 aangewezen wettelijke bepalingen, de medewerking inroept van een ambtenaar van een der beide andere landen, kan die ambtenaar deze medewerking verlenen op het grondgebied van het land van de verzoekende ambtenaar. In dat geval treedt hij op met dezelfde bevoegdheden als de ambtenaar aan wie hij bijstand verleent en zijn optreden heeft alsdan dezelfde gevolgen.

HOOFDSTUK

V

Strafbare feiten

Artikel

9

HOOFDSTUK

VI

Vervolging en berechting

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Bij deelneming van meer dan één persoon aan hetzelfde strafbare feit schept de bevoegdheid tot vervolging ten aanzien van een hunner tevens bevoegdheid tot vervolging ten aanzien van de anderen.

Artikel

13

Hij die in een der landen is vrijgesproken of die na daar te zijn veroordeeld zijn straf heeft ondergaan, dan wel van de tenuitvoerlegging daarvan is vrijgesteld, of wiens straf is verjaard, kan voor het zelfde feit in een der beide andere landen niet meer worden vervolgd.

Artikel

14

Een veroordeling in een der landen heeft met betrekking tot recidive in de beide andere landen dezelfde strafrechtelijke gevolgen als ware zij in die landen uitgesproken.

Artikel

15

HOOFDSTUK

VII

Wederzijdse bijstand terzake van strafbare feiten

1

Algemeen

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

De bevoegde autoriteiten van elk der landen verstrekken elkaar uit eigen beweging of op verzoek alle gegevens betreffende de feiten of omstandigheden, welke het vermoeden wekken dat een strafbaar feit is of zal worden begaan.

Artikel

19

Artikel

20

2

Bijzondere bepalingen

Artikel

21

Het bepaalde in de volgende artikelen van deze paragraaf is slechts van toepassing op bepaalde, bij beschikking van het Comité van Ministers vast te stellen, onderwerpen.

Artikel

22

De bevoegde Ministers van elk der landen kunnen beslissen, dat de door hen aangewezen administratieve autoriteiten, binnen de grenzen van hun nationale bevoegdheid, in hun land worden gelijkgesteld met gerechtelijke autoriteiten voor wat betreft:

Artikel

23

Indien een ambtenaar van een der landen in verband met het opsporen en constateren van een strafbaar feit de medewerking inroept van een ambtenaar van een der beide andere landen, kan laatstbedoelde ambtenaar deze medewerking verlenen op het grondgebied van het land van de verzoekende ambtenaar. In dat geval treedt hij op met dezelfde bevoegdheden als de ambtenaar aan wie hij bijstand verleent en zijn optreden heeft alsdan dezelfde gevolgen.

Artikel

24

HOOFDSTUK

VIII

Algemene bepalingen

Artikel

25

Artikel

26

Motorrijtuigen, rijwielen en andere vervoermiddelen, die de in artikel 25 bedoelde ambtenaren voor hun dienst in een der beide andere landen gebruiken, zijn vrij van belastingen en andere heffingen, die uit hoofde van het gebruik van het vervoermiddel als regel verschuldigd zouden zijn.

Artikel

27

De kosten, voortvloeiende uit de toepassing van deze Overeenkomst, komen ten laste van het land dat deze kosten heeft gemaakt.

Artikel

28

Artikel

29

Telkens vóór de datum van het in werking treden van een door het Comité van Ministers op grond van een der artikelen 2, 5, 6, 21 of 31 genomen beschikking, wordt door de Regering van elk der landen in de nodige bekendmaking voorzien.

HOOFDSTUK

IX

Benelux-Gerechtshof

HOOFDSTUK

X

Mogelijkheid tot uitsluiting van de toepassing van de Overeenkomst

Artikel

31

Het Comité van Ministers kan te allen tijde de toepassing van de voorgaande bepalingen van deze Overeenkomst op de krachtens artikel 2 aangewezen wettelijke bepalingen in een daarbij te bepalen omvang uitsluiten. Deze uitsluiting kan betrekking hebben op de gehele Overeenkomst of op een gedeelte daarvan en op alle of op sommige van de aangewezen bepalingen, met uitzondering van die van artikel 6, vierde lid.

HOOFDSTUK

XI

Slotbepalingen

Artikel

32

Deze Overeenkomst geldt alleen voor het grondgebied binnen Europa der Overeenkomstsluitende Partijen.

Artikel

33

De bijzondere bepalingen die uitsluitend op een bepaald terrein betrekking hebben worden opgenomen in aanvullende Protocollen die met deze Overeenkomst een geheel vormen.

Artikel

34

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, op 29 april 1969, in drievoud in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Aanvullend Protocol houdende bijzondere bepalingen op het stuk van de regeling van in-, uit- en doorvoer

De Verdragsluitende Partijen bij de heden ondertekende Overeenkomst inzake de administratieve en strafrechtelijke samenwerking op het gebied van de regelingen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie,

Overwegende, dat bijzondere bepalingen dienen te gelden op het stuk van de regeling van in-, uit- en doorvoer,

Gelet op artikel 33 van genoemde Overeenkomst,

Hebben besloten hiertoe een Aanvullend Protocol bij genoemde Overeenkomst te sluiten en zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

1

Dit Protocol heeft betrekking op de toepassing van de wettelijke bepalingen die verband houden met de regeling van in-, uit- en doorvoer en die als zodanig zijn aangewezen bij beschikking van het Comité van Ministers.

Artikel

2

In de gevallen waarop dit Protocol betrekking heeft, is artikel 5 van de Overeenkomst niet van toepassing.

Artikel

3

In afwijking van artikel 11 van het Verdrag inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken van 26 september 1968 kan een verzoek als bedoeld in artikel 33 van dat Verdrag worden gedaan en kan de inbeslagneming geschieden door de administratieve autoriteiten, die volgens hun nationale wetgeving bevoegd zijn tot inbeslagneming over te gaan, mits zij daartoe door de bevoegde Ministers van elk land zijn aangewezen.

De administratieve autoriteiten van het aangezochte land zullen de gerechtelijke autoriteiten van de plaats van inbeslagneming, aanstonds na de ontvangst van een dergelijk verzoek, daarvan op de hoogte stellen.

Artikel

4

Voor zover een verzoek tot tenuitvoerlegging betrekking heeft op boeten of verbeurdverklaringen is het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken van 26 september 1968 niet van toepassing.

Artikel

5

Artikel

6

In afwijking van artikel 21 van de Overeenkomst wordt het bepaalde in de artikelen 22, 23 en 24 van de Overeenkomst van toepassing verklaard.

Artikel

7

Zes maanden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst vervalt het Verdrag over de samenwerking inzake de regeling van in-, uit- en doorvoer van 16 maart 1961.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, op 29 april 1969, in drievoud in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Aanvullend Protocol houdende bijzondere bepalingen op het stuk van de belastingen

De Verdragsluitende Partijen bij de heden ondertekende Overeenkomst inzake de administratieve en strafrechtelijke samenwerking op het gebied van de regelingen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie,

Overwegende, dat bijzondere bepalingen dienen te gelden op het stuk van de belastingen,

Gelet op artikel 33 van genoemde Overeenkomst,

Hebben besloten hiertoe een Aanvullend Protocol bij genoemde Overeenkomst te sluiten en zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Bij goederenverkeer onder douane- of onder accijnsverband, dat aanvangt in een der landen en eindigt in een van de beide andere landen, alsook bij afgifte of geldigmaking van de desbetreffende documenten en bij het doen van aangiften ter verkrijging van die documenten, moet worden rekening gehouden met de attributen van de douanekantoren en met de losplaatsen van het land, alwaar het douane- of accijnsverband zal eindigen, zoals die zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteit van dat land.

Artikel

4

Indien goederen onder douane- of accijnsverband van een plaats in een der landen worden vervoerd naar een plaats in een van de beide andere landen zetten de ambtenaren van eerstbedoeld land, die zijn belast met de bewaking, deze voort in het andere land, totdat zij door de ambtenaren van dat land worden afgelost. Tot dat tijdstip hebben de eerstbedoelde ambtenaren voor de uitoefening van hun taak dezelfde bevoegdheden als laatstbedoelde ambtenaren.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Met betrekking tot de in artikel 1, tweede lid, bedoelde wettelijke bepalingen, zijn de feiten en handelingen, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid van de Overeenkomst, niet strafbaar in gevallen waarin de dader, met betrekking tot de goederen of documenten ten aanzien waarvan de feiten of handelingen zijn begaan, heeft gehandeld in overeenstemming met de wet van het land waarin zij zijn begaan.

Artikel

8

Degene die woont of gevestigd is in een ander land dan het land waar de omzetbelasting/de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is voor een levering van goederen, dienstverrichting, intracommunautaire verwerving of invoer van goederen is hoofdelijk medeaansprakelijk voor die belasting wanneer de in het land waar de belasting verschuldigd is geldende rechtsregels in deze hoofdelijke aansprakelijkheid voorzien.

Artikel

9

De processen-verbaal en andere schriftelijke verklaringen, opgemaakt door de bevoegde ambtenaren van een van de landen in de vorm en naar de eisen, door de wetgeving van hun land bepaald, hebben voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de omzetbelasting in een ander land dezelfde bewijskracht als waren zij rechtsgeldig door de bevoegde ambtenaren van dat land opgemaakt.

Artikel

10

Teneinde de administratieve samenwerking op het stuk van de belastingen te vergemakkelijken, oefenen de Ministers van Financiën, op het gebied van de wettelijke bepalingen bedoeld in artikel 1, tweede lid, gezamenlijk de bevoegdheden uit, welke in artikel 40 van het Unieverdrag aan het Comité van Ministers zijn toegekend.

Artikel

11

Het bepaalde in artikel 20 van de Overeenkomst is, met betrekking tot de in artikel 1, tweede lid, bedoelde wettelijke bepalingen, mede van toepassing ten aanzien van het afleggen van getuigenis voor gerechtelijke autoriteiten door ambtenaren in andere dan strafzaken.

Artikel

12

Artikel

13

Met betrekking tot de in artikel 1, tweede lid, bedoelde wettelijke bepalingen inzake de douane en de accijnzen kan, in afwijking van artikel 11 van het Verdrag inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken van 26 september 1968, een verzoek als bedoeld in artikel 33 van dit Verdrag worden gedaan en kan de inbeslagneming geschieden door de administratieve autoriteiten, die volgens hun nationale wetgeving bevoegd zijn tot inbeslagneming over te gaan, mits zij daartoe door de bevoegde Ministers van elk land zijn aangewezen.

De administratieve autoriteiten van het aangezochte land zullen de gerechtelijke autoriteiten van de plaats van inbeslagneming, aanstonds na de ontvangst van een dergelijk verzoek, daarvan op de hoogte stellen.

Artikel

14

Voor zover een verzoek tot tenuitvoerlegging betrekking heeft op boeten of verbeurdverklaringen terzake van een overtreding van de in artikel 1, tweede lid, bedoelde wettelijke bepalingen, is het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken van 26 september 1968 niet van toepassing.

Artikel

15

Met betrekking tot de in artikel 1, tweede lid, bedoelde wettelijke bepalingen, houdt het bepaalde in de artikelen 6, 18 en 19 van de Overeenkomst niet in dat ambtenaren van een aangezocht land zouden verplicht zijn meer of andere gegevens ter kennisneming ter beschikking te stellen dan door ambtenaren van het verzoekende land in het omgekeerde geval zouden kunnen worden verstrekt.

Artikel

16

Het Verdrag nopens de samenwerking op het stuk van douanen en van accijnzen van 5 september 1952 en het Verdrag tot wederzijdse bijstand inzake de heffing van de omzetbelasting, de overdrachttaks en soortgelijke belastingen van 25 mei 1964, vervallen.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, op 29 april 1969 in drievoud in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Aanvullend Protocol houdende bijzondere bepalingen op het stuk van het vervoer

De Verdragsluitende Partijen bij de heden ondertekende Overeenkomst inzake de administratieve en strafrechtelijke samenwerking op het gebied van de regelingen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie,

Overwegende, dat bijzondere bepalingen dienen te gelden op het stuk van het vervoer,

Gelet op artikel 33 van genoemde Overeenkomst,

Hebben besloten hiertoe een Aanvullend Protocol bij genoemde Overeenkomst te sluiten en zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

1

Artikel

2

Afdeling

1

- Controle

Artikel

3

De Bijzondere Commissie treedt op als gemeenschappelijk controleorgaan en heeft tot taak toezicht uit te oefenen op de naleving van de bepalingen waarop deze afdeling van toepassing is en daartoe, hetzij eigener beweging hetzij op klacht, alle vereiste controle-behandelingen te doen verrichten.

Artikel

4

De Bijzondere Commissie bepaalt, hetzij eigener beweging hetzij op verzoek van een harer leden, de modaliteiten volgens welke de controle wordt uitgeoefend.

Artikel

5

Artikel

6

Personen die aan een controle worden onderworpen zijn verplicht het de bevoegde ambtenaren, die hun functie uitoefenen overeenkomstig de artikelen 4 en 5, mogelijk te maken hun taak te vervullen. Bij weigering worden zij, bij afwezigheid van een andere sanctie, terzake voorzien door de nationale wetgeving van het land waar de vervolging moet plaatsvinden, gestraft met de straffen, door de bedoelde wetgeving voorzien voor een overtreding der tariefbepalingen voor het vervoer van goederen over de weg.

Artikel

7

Afdeling

2

- Voorlopige gerechtelijke maatregelen

Artikel

8

Afdeling

3

- Administratieve maatregelen

Artikel

9

De Bijzondere Commissie kan met inachtneming van het bepaalde in artikel 10 tot de bevoegde Minister van het land, waar de betrokken vervoerder gevestigd is, een gemotiveerd advies richten tot intrekking van de mogelijkheid tot het verrichten van vervoer door die vervoerder:

  • a)

    indien de vervoerder weigert zich te onderwerpen aan de in afdeling 1 bedoelde controle;

  • b)

    na een veroordeling van de vervoerder, welke kracht van gewijsde heeft verkregen, door de bevoegde gerechtelijke autoriteit terzake van weigering van de in afdeling 1 bedoelde controle of terzake van overtreding van de in artikel 8 bedoelde bepalingen.

Artikel

10

Ingeval de Bijzondere Commissie voornemens is een gemotiveerd advies uit te brengen stelt zij de belanghebbende vervoerder daarvan in kennis bij aangetekende brief, welke tenminste zeven dagen vóór het uitbrengen van het advies ter post moet zijn bezorgd. Gedurende deze termijn wordt het dossier ter beschikking van de vervoerder gehouden. De vervoerder wordt, indien hij zulks verzoekt, door de Bijzondere Commissie gehoord. Hij kan zich doen bijstaan of doen vertegenwoordigen door een advocaat of door een raadsman omtrent wiens toelating in ieder afzonderlijk geval door de Bijzondere Commissie wordt beslist.

Artikel

11

Artikel

12

Afdeling

4

- Beslissingen inzake intrekking

Artikel

13

Artikel

14

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, op 29 april 1969, in drievoud in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.