Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbinding tussen de Schelde en de Rijn

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbinding tussen de Schelde en de Rijn

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Verlangend, met het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie voor ogen een nieuwe bijdrage te leveren ter bevordering van de vriendschappelijke samenwerking tussen Hun beider landen,

Wensende, in die geest de verbinding voor de scheepvaart tussen de Schelde en de Rijn te verbeteren en voor een aantal daarmede verband houdende aangelegenheden regelingen te treffen,

Bevestigend, dat Zij ten aanzien van het vervoer en van de zeehavens de verwezenlijking nastreven van de beginselen van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie,

Hebben besloten, te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben tot Hun Gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie de Heer J. E. de Quay, Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en

Zijne Excellentie de Heer J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken,

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de Heer Th. Lefèvre, Eerste-Minister, en

Zijne Excellentie de Heer H. Fayat, Minister, Adjunkt voor Buitenlandse Zaken,

die, na elkaar hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt:

HOOFDSTUK

A

Definities

Artikel

1

In dit Verdrag wordt verstaan onder:

  • a)

    „Unieverdrag”: het op 3 februari 1958 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden tot instelling van de Benelux Economische Unie;

  • b)

    „Comité van Ministers”: het Comité van Ministers, ingesteld bij artikel 15 van het Unieverdrag;

  • c)

    „Ministers”: de Nederlandse en de Belgische Minister, bedoeld in artikel 7 van het onderhavige Verdrag;

  • d)

    „ambtenaren”: de Nederlandse en de Belgische ambtenaar, aangewezen overeenkomstig artikel 7 van het onderhavige Verdrag;

  • e)

    „Arbitrale Commissie”: de Arbitrale Commissie, bedoeld in artikel 42 van het onderhavige Verdrag.

HOOFDSTUK

B

Verbetering van de verbinding tussen de Schelde en de Rijn

Titel

I

Uit te voeren werken

Artikel

2

Ter verbetering van de verbinding tussen de Schelde en de Rijn wordt een vaarweg aangelegd, welke bij Zandvliet aansluit op het Antwerpse zeehavencomplex, vervolgens naar de Oosterschelde loopt, deze laatste ongeveer in noordelijke richting doorkruist, zich voortzet door de Eendracht, vervolgens de Slaakdam en de Prins Hendrikpolder ten Oosten van St. Philipsland doorsnijdt en uitmondt in de Krammer.

Artikel

3

Artikel

4

Voorts worden, afhankelijk van de vordering der werkzaamheden tot afsluiting van de Zeeuwse en de Zuid-Hollandse zeegaten, uiterlijk twee jaar nadat de getijbeweging op de Oosterschelde van geen wezenlijke betekenis meer is geworden, de volgende werken tot uitvoering gebracht:

  • a)

    de aanleg van een leidam langs de vaargeul door de Oosterschelde;

  • b)

    de verdere verruiming van de Eendracht en het aanbrengen van de definitieve oevervoorzieningen;

  • c)

    het treffen van verdere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;

  • d)

    alle werken en voorzieningen van tijdelijke of blijvende aard, welke noodzakelijk of wenselijk blijken in verband met of als gevolg van de uitvoering van de bovenbedoelde werken ten behoeve van een doelmatig onderhoud en gebruik en van een doelmatige bediening van deze werken, alsmede ter aanpassing van de bestaande toestand aan de nieuwe werken en de nieuwe waterstaatkundige toestand.

Artikel

5

De in de artikelen 3 en 4 bedoelde werken worden uitgevoerd met inachtneming van de gegevens, vermeld in de bij dit Verdrag behorende beschrijving van de werken (Bijlage I) en de daarbij behorende tekening (Bijlage II). Afwijking van deze gegevens kan slechts geschieden overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 8, 10 en 11.

Titel

II

Voorbereiding en uitvoering der werken

Artikel

6

De Hoge Verdragsluitende Partijen dragen, elk voor haar gebied en op de in haar land voor overeenkomstige Rijkswerken gebruikelijke wijze, zorg voor die voorbereiding en de uitvoering van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde werken, daaronder begrepen het opmaken van plannen en aanbestedingsbescheiden, het verkrijgen in eigendom van onroerende goederen, het bergen van vrijkomende grond, de aankoop van materialen en de aanbesteding.

Artikel

7

De Nederlandse Minister belast met de zaken van de Waterstaat en de Belgische Minister onder wiens bevoegdheid het Bestuur van Bruggen en Wegen (Bestuur der Waterwegen) valt, belasten elk een ambtenaar met de leiding van en het toezicht op de voorbereiding en de uitvoering van de werken respectievelijk op Nederlands en op Belgisch gebied. Deze ambtenaren plegen regelmatig overleg over alle vraagstukken van gemeenschappelijk belang, welke zich bij de voorbereiding en de uitvoering mochten voordoen. Ter verzekering van een goede voortgang van de werken ontvangen bedoelde ambtenaren de nodige machtigingen.

Artikel

8

De bestekken en de overeenkomsten tot uitvoering van werken behoeven de voorafgaande goedkeuring van beide Ministers. In deze stukken kan worden afgeweken van de in de Bijlagen I en II opgenomen gegevens en van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde termijnen. Beide Ministers zenden elkaar afschriften toe van de gesloten aannemingsovereenkomsten.

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Indien onvoorziene werken of maatregelen nodig zijn, welke een spoedeisend karakter hebben, kunnen deze worden uitgevoerd of getroffen zonder dat de in artikel 10 bedoelde goedkeuring is verkregen. In deze gevallen stelt de betrokken ambtenaar de ambtenaar van het andere land hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.

Artikel

12

De goedkeuring van de door de aannemers opgeleverde werken geschiedt niet dan na overleg tussen de ambtenaren.

Titel

III

Onderhoud, vernieuwing en bediening der werken

Artikel

13

Titel

IV

Verbetering van de vaarweg en van de daartoe behorende kunstwerken

Artikel

14

Titel

V

Maatregelen in verband met de waterhuishouding, daaronder begrepen de bestrijding van verzilting en waterverontreiniging

Artikel

15

Artikel

16

HOOFDSTUK

II

DE AFVOER VAN HET WATER VAN DE MAAS

Artikel

2

Wateraftappingen uit de Maas

Artikel

3

Vermindering van de waterverliezen van de Maas

Artikel

4

Onderzoek en ontwikkeling van de Gemeenschappelijke Maas

Artikel

5

Werkgroep Afvoerregulering Maas

Bijlage

A

Besparingsscenario bedoeld in artikel 3

  • 1.

    Bij een Maasafvoer tussen 100 m3/s en 60 m3/s (aanloopfase) is het Nederlandse en het Vlaamse gebruik elk ten hoogste 25 m3/s.

  • 2.

    Bij een Maasafvoer tussen 60 m3/s en 30 m3/s (alarmfase) verzekeren Partijen een minimale afvoer van 10 m3/s over de stuw te Borgharen. Partijen voeren in deze fase gelijkopgaande besparingen door op het in punt 1 bedoelde Nederlandse en Vlaamse gebruik.

  • 3.

    Bij een Maasafvoer beneden 30 m3/s (crisisfase) verdelen Partijen deze afvoer door verdergaande gelijkopgaande besparingen op het Nederlandse en het Vlaamse gebruik gelijkelijk over het Nederlandse gebruik, het Vlaamse gebruik en de Gemeenschappelijke Maas. Ingeval op het grondgebied van één der Partijen een noodsituatie met betrekking tot de watervoorziening van of uit de Maas dreigt te ontstaan, vindt in de in artikel 5 bedoelde Werkgroep onverwijld overleg plaats over operationele maatregelen om de situatie te verbeteren.

  • 4.

    Partijen brengen elkaar binnen één jaar na het inwerkingtreden van dit Verdrag hun draaiboek met de besparingsmaatregelen voor de alarmfase en de crisisfase ter kennis. Deze besparingsmaatregelen kunnen onder meer bestaan uit zuinig schutten, het afdichten van lekken in kunstwerken, het terugpompen van schutwater bij sluizen en het verminderen van de watertoevoer naar de land-, tuin- en bosbouw, naar de industrie en naar de waterleidingbedrijven door vermeerderd gebruik van spaarbekkens. Partijen brengen elkaar wijzigingen in het draaiboek zo spoedig mogelijk ter kennis.

Bijlage

B

Meetprogramma bedoeld in artikel 3

Partijen meten de afvoer ten minste ter hoogte van Kanne (Albertkanaal), Maastricht (Maas te St.-Pieter), Maastricht (Zuid-Willemsvaart aan de grens), Maastricht (Maas te Borgharen), Lommel (Kanaal Bocholt–Herentals), Lozen (Zuid-Willemsvaart aan de grens) en Bunde (Julianakanaal) continu met automatische apparatuur, die on-line informatie verschaft aan informatiecentra in Nederland en in het Vlaams Gewest. Voor zover niet anders bepaald, draagt elk der Partijen de kosten van de metingen die op haar grondgebied worden verricht. De bevoegde overheden kunnen het meetprogramma aan de voortschrijdende behoefte aanpassen.

Artikel

17

Titel

VI

Waterkeringen

Artikel

18

Titel

VII

Kostenverdeling

Artikel

19

Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 20 tot en met 23 vindt de verdeling van de kosten, verbonden aan de in de artikelen 3 en 4 bedoelde werken, als volgt plaats:

  • 1.

    Werken op Belgisch gebied:

    • de kosten van voorbereiding, uitvoering, onderhoud, vernieuwing en bediening der werken komen geheel ten laste van België.

  • 2.

    Werken op Nederlands gebied:

    • a)

      de kosten van voorbereiding en uitvoering van de werken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a), b) en e), alsmede van de werken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder f), g), h) en i) voorzover bij eerstgenoemde werken behorende, komen voor 85% ten laste van België en voor 15% ten laste van Nederland;

    • b)

      de kosten van voorbereiding en uitvoering van alle overige werken komen geheel ten laste van België;

    • c)

      de kosten van onderhoud, vernieuwing en bediening der werken komen geheel ten laste van Nederland.

Artikel

20

Onder de in artikel 19 bedoelde kosten van voorbereiding en uitvoering van werken op Nederlands gebied dienen mede te worden begrepen:

  • a)

    de aan derden te betalen koopsommen en vergoedingen voor de aankoop of de onteigening van onroerende goederen, alsmede de overige kosten van aankoop en onteigening, met dien verstande dat Nederland het door België betaalde aandeel in de zuivere verkoopwaarde van de voor grondberging verworven terreinen zal terugbetalen zodra die terreinen weer aan derden worden verkocht of in gebruik gegeven;

  • b)

    de vergoeding van de kosten welke voor de Staat der Nederlanden of derden uit de ingebruikneming van de op 1 januari 1963 aan de Staat der Nederlanden toebehorende gronden voortvloeien wegens beëindiging van erfpacht of pacht, terzake van opstallen, wegens waardevermindering van niet benodigde perceelsgedeelten, snijschade, gebouwenschade, inkomensschade, aanpassing bij vervanging van gebouwen, kosten van wederbelegging en dergelijke, met dien verstande dat voor de zuivere verkoopwaarde van deze gronden geen verrekening zal plaats vinden;

  • c)

    de vergoeding van de kosten welke door de Staat der Nederlanden of derden als gevolg van de uitvoering van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde werken op Nederlands gebied worden gemaakt teneinde in of in de nabijheid van de in artikel 2 bedoelde vaarweg kabels, duikers en andere werken weg te nemen, aan te brengen, te herstellen, te vervangen of te verplaatsen;

  • d)

    de vergoeding wegens hogere tractiekosten, zoals die in soortgelijke gevallen door de N.V. Nederlandsche Spoorwegen in rekening en gebracht, in verband met wijzigingen aan de bestaande spoorweg als gevolg van de over het in artikel 3, eerste lid, onder e), bedoelde sluizencomplex aan te leggen spoorbrug;

  • e)

    de vergoeding van alle overige schade als gevolg van de uitvoering van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde werken, welke de Staat der Nederlanden gehouden is aan derden uit te keren;

  • f)

    de kosten van adviezen, laboratoriumproeven en andere medewerking van anderen dan de diensten van de Nederlandse Rijkswaterstaat;

  • g)

    de bijkomende kosten van administratie, opstelling der plannen en aanbestedingsstukken, toezicht op de uitvoering en dergelijke.

Artikel

21

Indien een van beide ambtenaren daartoe de wens te kennen geeft, plegen deze ambtenaren overleg over de in artikel 20, onder a), b), c), d) en e), bedoelde koopsommen en vergoedingen.

Artikel

22

De in artikel 20, onder b) en c), bedoelde vergoedingen worden, voorzover zij geschieden ten behoeve van de Staat der Nederlanden of derden jegens wie de Staat der Nederlanden niet tot het verlenen van deze vergoedingen is gehouden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 21, door de Nederlandse Minister overeenkomstig maatstaven van billijkheid en goed bestuur vastgesteld.

Artikel

23

De in artikel 20, onder g), bedoelde kosten worden, voorzover zij door de Nederlandse Rijkswaterstaat worden gemaakt, voor de vaststelling van het Belgische aandeel in die kosten geacht 2½% van alle overige kosten van voorbereiding en uitvoering te bedragen.

Artikel

24

Artikel

25

België kan generlei aanspraak maken op de eigendom van de in het verleden of overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag uitgevoerde werken, noch op de ten behoeve van de uitvoering daarvan door de Nederlandse Regering aangekochte, onteigende of ter beschikking gestelde roerende of onroerende goederen.

Titel

VIII

Regeling der betalingen

Artikel

26

De in de artikelen 19, 20 en 24 bedoelde kosten van voorbereiding en uitvoering van werken op Nederlands gebied worden door de Nederlandse Regering voorgeschoten en voorzoveel nodig door haar rechtstreeks aan derden voldaan.

Artikel

27

Artikel

28

De in artikel 20, onder g), bedoelde kosten worden in rekening gebracht door verhoging van de maandelijkse declaraties, overeenkomstig het bepaalde in artikel 23.

Artikel

29

België verplicht zich tot betaling binnen zes weken na ontvangst van de in artikel 28 bedoelde declaraties. De betaling geschiedt in guldens.

Artikel

30

Artikel

31

HOOFDSTUK

C

Statuut van de verbinding tussen de Schelde en de Rijn

Artikel

32

De Hoge Verdragsluitende Partijen bevestigen, dat de vrijheid van scheepvaart en het recht ten minste de nationale behandeling te genieten terzake van het vervoer, welke zijn gewaarborgd in de op het tijdstip van ondertekening van dit Verdrag van kracht zijnde verdragen, eveneens gelden voor de in artikel 2 bedoelde vaarweg.

Artikel

33

Artikel

34

Artikel

35

De Hoge Verdragsluitende Partijen zijn het er over eens, dat de huidige toestand van de in artikel 34, eerste lid, bedoelde vaarverbinding beantwoordt aan de in dat lid gestelde eisen, zodat uit die bepaling voor Nederland niet de verplichting kan worden afgeleid tot het wijzigen van de bestaande toestand van de vaarwegen in die verbinding en van de daarin aanwezige kunstwerken.

Artikel

36

België verklaart kennis te hebben genomen van de Nederlandse plannen tot aanleg van een dam met sluizen in het Volkerak en, in het licht van de in dit Verdrag voorziene regelingen, tegen de uitvoering van deze werken geen bezwaren te zullen doen gelden. De Hoge Verdragsluitende Partijen zijn het erover eens, dat de karakteristieken van de overeenkomstig de Nederlandse plannen aan te leggen dam met sluizen in het Volkerak voldoen aan de vereisten van artikel 34, eerste lid.

Artikel

37

Artikel

38

Indien Nederland overgaat tot de aanleg van werken waardoor een vaarweg behorende tot de in artikel 34, eerste lid, bedoelde vaarverbinding zou ophouden vrij stromend te zijn, terwijl geen andere bestaande vaarweg welke voldoet aan de in dat lid gestelde vereisten kan worden aangewezen, draagt Nederland zorg, dat deze werken worden voorzien van een doorvaartmogelijkheid ten minste gelijk aan die van de Volkeraksluizen.

HOOFDSTUK

D

Nadere bepalingen betreffende de verbinding tussen de Schelde en de Rijn

Titel

I

Diversen

Artikel

39

Artikel

40

Nederland verbindt zich, voor een eventuele derde schutsluis met toegangsgeulen naast het in aanbouw zijnde sluizencomplex in de dam in het Volkerak de nodige gronden te reserveren.

Artikel

41

In het kader van de algemene ijsbestrijding treft Nederland maatregelen om op de in artikel 2 bedoelde vaarweg en de aansluitende vaarverbinding met de Waal zoveel mogelijk het ijsbezwaar te bestrijden.

Titel

II

Geschillen

Artikel

42

HOOFDSTUK

E

Regeling van aangelegenheden van economische aard

Artikel

43

De Hoge Verdragsluitende Partijen zijn het erover eens, dat de bepalingen van het Unieverdrag van toepassing zijn op de aangelegenheden welke in het onderhavige Hoofdstuk worden geregeld en dat ten aanzien van deze aangelegenheden de instellingen van de Benelux Economische Unie bevoegd zijn.

Artikel

44

Artikel

45

Onverminderd het bepaalde in artikel 44, zijn de Hoge Verdragsluitende Partijen het er over eens, dat bijdragen of andere steunmaatregelen, verleend door de overheid ter bevordering van de aanleg of de exploitatie van zeehavens, niet mogen leiden tot een verstoring van de mededingingsvoorwaarden tussen hun zeehavens.

Artikel

46

Beide Regeringen wisselen, binnen de grenzen van hun mogelijkheden, periodiek gegevens uit, welke verband houden met de toepassing van beide voorgaande artikelen of hun gevolgen.

Artikel

47

Indien een van de Hoge Verdragsluitende Partijen zulks verzoekt, stelt het Comité van Ministers een onderzoek in naar

  • a)

    de economische gevolgen van de toepassing van artikel 44,

  • b)

    verstoring van de mededingingsvoorwaarden als bedoeld in artikel 45,

en stelt het op grond van de resultaten van dit onderzoek zo nodig vast, welke maatregelen dienen te worden genomen. Maatregelen in afwijking van de artikelen 44 en 45 kunnen slechts worden genomen met toepassing van artikel 14 van het Unieverdrag.

Artikel

48

HOOFDSTUK

F

Slotbepalingen

Artikel

49

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen te Brussel worden uitgewisseld.

Artikel

50

Dit Verdrag zal in werking treden een maand na de dag der uitwisseling van de akten van bekrachtiging, met dien verstande dat de bepalingen van artikel 33 eerst in werking zullen treden met ingang van de datum waarop de in artikel 2 bedoelde vaarweg in gebruik wordt gesteld.

Artikel

51

Met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag zal de overeenkomst welke bij briefwisseling van 3 februari 1958 werd aangegaan tussen de Nederlandse en de Belgische Regering inzake het vraagstuk der maatregelen, genomen ten behoeve van de bestaande Rijnvaartpremies van de Belgische zeehavens, buiten werking treden.

TEN BLIJKE WAARVAN de hierboven genoemde Gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegels hebben voorzien.

GEDAAN te 's-Gravenhage, op 13 mei 1963, in tweevoud in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. DE QUAY

(w.g.) J. LUNS

Voor het Koninkrijk België:

(w.g.) T. LEFÈVRE

(w.g.) H. FAYAT

BIJLAGE

I

Nadere beschrijving van werken bedoeld in de artikelen 3 en 4

Ad artikel

3

, eerste lid

Ad artikel

4

BIJLAGE

II

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Afdeling Verdragen, Den Haag.

BIJLAGE

III

Samenstelling, procedure en nadere bevoegdheden van de Arbitrale Commissie

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

De Arbitrale Commissie bepaalt zelf de plaats waar zij haar zittingen houdt.

Artikel

5

Artikel

6

De Arbitrale Commissie kan in elke stand van het geding aan de Partijen een voorstel tot minnelijke schikking doen.

Artikel

7

De Arbitrale Commissie kan in elke stand van het geding, na de Partijen te hebben gehoord, de conservatoire maatregelen voorschrijven, welke zij noodzakelijk acht of reeds voorgeschreven of bevestigde conservatoire maatregelen wijzigen of intrekken. Zodanige maatregelen lopen niet vooruit op de zaak zelve.

Artikel

8

Ten aanzien van de procedure voor de Arbitrale Commissie zijn de artikelen 60 tot en met 82 van het op 18 oktober 1907 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag voor de vreedzame beslechting van internationale geschillen van overeenkomstige toepassing.

Artikel

9

De kosten van de Arbitrale Commissie worden door de Hoge Verdragsluitende Partijen, elk voor de helft, gedragen. Elke Partij draagt de kosten voor haar vertegenwoordiging in een geding.