Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals dit is geregeld bij het Haagse Verdrag van 1 maart 1954

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot vereenvoudiging van het rechtsverkeer, zoals dit is geregeld bij het Haagse Verdrag van 1 maart 1954

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

en

de Bondspresident van de Republiek Oostenrijk,

De wens koesterende om het rechtsverkeer, zoals dit is geregeld bij het Haagse Verdrag van 1 maart 1954 betreffende de burgerlijke rechtsvordering, tussen de beide Staten te vergemakkelijken,

Hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten, en hebben tot Hun Gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie mr. Henri Frederik Eschauzier, Harer Majesteits Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te Wenen;

De Bondspresident van de Republiek Oostenrijk:

De Heer Dr. Bruno Kreisky, Bondsminister van Buitenlandse Zaken,

De Heer Dr. Christian Broda, Bondsminister van Justitie;

Die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, het volgende zijn overeengekomen:

Overmaking van stukken

Artikel

1

Artikel

2

Het over te maken stuk behoeft niet in tweevoud (artikel 3, lid 1, van het Haagse Verdrag van 1 maart 1954) te worden overgemaakt.

Rogatoire commissies

Artikel

3

Bepalingen geldende zowel voor de overmaking van stukken als voor rogatoire commissies

Artikel

4

Vertalingen kunnen ook voor eensluidend worden verklaard door een beëdigde vertaler van de verzoekende Staat.

Artikel

5

Artikel

6

Indien een verzoek aan een onbevoegde autoriteit is gezonden, draagt deze het verzoek ambtshalve aan de bevoegde autoriteit over en geeft zij hiervan terstond kennis aan de verzoekende autoriteit.

Uitvoerbaarverklaring (tenuitvoerlegging) van uitspraken betreffende proceskosten

Artikel

7

Het verzoek om uitvoerbaarverklaring (tenuitvoerlegging) van een uitspraak betreffende de kosten van het geding (artikel 18 en 19 van het Haagse Verdrag van 1 maart 1954) kan door de rechthebbende rechtstreeks aan het bevoegde gerecht worden gedaan.

Artikel

8

De verklaring van de bevoegde autoriteit, dat de uitspraak betreffende de kosten van het geding in kracht van gewijsde is gegaan, behoeft niet overeenkomstig artikel 19, lid 3, tweede zin, van het Haagse Verdrag van 1 maart 1954 te worden bevestigd door de hoogste autoriteit belast met het beheer der justitie in de verzoekende Staat.

Artikel

9

De vertaling, bedoeld in artikel 19, lid 2, onder 3, van het Haagse Verdrag van 1 maart 1954, kan ook voor eensluidend worden verklaard door een beëdigde vertaler van de Staat waar de uitspraak is gegeven.

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

10

Indien een aanvrage om overmaking van een stuk of een rogatoire commissie op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag reeds door een autoriteit van de aangezochte Staat is ontvangen, wordt de aanvrage of de rogatoire commissie verder overeenkomstig het Haagse Verdrag van 1 maart 1954 behandeld.

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Ieder geschil met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag dat tussen de Hoge Verdragsluitende Partijen mocht ontstaan, moet langs diplomatieke weg worden bijgelegd.

TEN BLIJKE WAARVAN de wederzijdse gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en van hun zegels voorzien.

GEDAAN te Wenen, de 23ste juli 1964 in tweevoud, in de Nederlandse en Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

Für das Königreich der Niederlande:

(w.g.) H. F. ESCHAUZIER

Voor de Republiek Oostenrijk:

Für die Republik Österreich:

(w.g.) KREISKY

(w.g.) BRODA