Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen

Convention on offences and certain other acts committed on board aircraft

The States Parties to this Convention

Have agreed as follows:

Chapter

I

Scope of the Convention

Article

1

Article

2

Without prejudice to the provisions of Article 4 and except when the safety of the aircraft or of persons or property on board so requires, no provision of this Convention shall be interpreted as authorizing or requiring any action in respect of offences against penal laws of a political nature or those based on discrimination on any ground such as race, religion, nationality, ethnic origin, political opinion or gender.

Chapter

II

Jurisdiction

Article

3

Article

3 bis

If a Contracting State, exercising its jurisdiction under Article 3, has been notified or has otherwise learned that one or more other Contracting States are conducting an investigation, prosecution or judicial proceeding in respect of the same offences or acts, that Contracting State shall, as appropriate, consult those other Contracting States with a view to coordinating their actions. The obligations in this Article are without prejudice to the obligations of a Contracting State under Article 13.

Article

4

A Contracting State which is not the State of registration may not interfere with an aircraft in flight in order to exercise its criminal jurisdiction over an offence committed on board except in the following cases:

  • a)

    the offence has effect on the territory of such State;

  • b)

    the offence has been committed by or against a national or permanent resident of such State;

  • c)

    the offence is against the security of such State;

  • d)

    the offence consists of a breach of any rules or regulations relating to the flight or manoeuvre of aircraft in force in such State;

  • e)

    the exercise of jurisdiction is necessary to ensure the observance of any obligation of such State under a multilateral international agreement.

Chapter

III

Powers of the Aircraft Commander

Article

5

The provisions of this Chapter shall not apply to offences and acts committed or about to be committed by a person on board an aircraft in flight in the airspace of the State of registration or over the high seas or any other area outside the territory of any State unless the last point of take-off or the next point of intended landing is situated in a State other than that of registration, or the aircraft subsequently flies in the airspace of a State other than that of registration with such person still on board.

Article

6

Article

7

Article

8

Article

9

Article

10

For actions taken in accordance with this Convention, neither the aircraft commander, any other member of the crew, any passenger, any in-flight security officer, the owner or operator of the aircraft, nor the person on whose behalf the flight was performed shall be held responsible in any proceeding on account of the treatment undergone by the person against whom the actions were taken.

Chapter

IV

Unlawful Seizure of Aircraft

Article

11

Chapter

V

Powers and Duties of States

Article

12

Any Contracting State shall allow the commander of an aircraft registered in another Contracting State to disembark any person pursuant to Article 8, paragraph 1.

Article

13

Article

14

Article

15

Article

15 bis

Chapter

VI

Other Provisions

Article

16

Article

17

Article

18

If Contracting States establish joint air transport operating organizations or international operating agencies, which operate aircraft not registered in any one State those States shall, according to the circumstances of the case, designate the State among them which, for the purposes of this Convention, shall be considered as the State of registration and shall give notice thereof to the International Civil Aviation Organization which shall communicate the notice to all States Parties to this Convention.

Article

18 bis

Nothing in this Convention shall preclude any right to seek the recovery, under national law, of damages incurred, from a person disembarked or delivered pursuant to Article 8 or 9 respectively.

Chapter

VII

Final Clauses

Article

19

Until the date on which this Convention comes into force in accordance with the provisions of Article 21, it shall remain open for signature on behalf of any State which at that date is a Member of the United Nations or of any of the Specialized Agencies.

Article

20

Article

21

Article

22

Article

23

Artikel

24

Article

25

Except as provided in Article 24 no reservation may be made to this Convention.

Article

26

The International Civil Aviation Organization shall give notice to all States Members of the United Nations or of any of the Specialized Agencies:

  • a)

    of any signature of this Convention and the date thereof;

  • b)

    of the deposit of any instrument of ratification or accession and the date thereof;

  • c)

    of the date on which this Convention comes into force in accordance with Article 21, paragraph 1;

  • d)

    of the receipt of any notification of denunciation and the date thereof; and

  • e)

    of the receipt of any declaration or notification made under Article 24 and the date thereof.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, having been duly authorized, have signed this Convention.

DONE at Tokyo on the fourteenth day of September One Thousand Nine Hundred and Sixty-three in three authentic texts drawn up in the English, French and Spanish languages.

This Convention shall be deposited with the International Civil Aviation Organization with which, in accordance with Article 19, it shall remain open for signature and the said Organization shall send certified copies thereof to all States Members of the United Nations or of any Specialized Agency.

Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen

De staten die partij zijn bij dit Verdrag zijn als volgt overeengekomen:

Hoofdstuk

I

Werkingssfeer van het Verdrag

Artikel

1

Artikel

2

Onverminderd de bepalingen van artikel 4 en behalve wanneer de veiligheid van het luchtvaartuig of van personen of goederen aan boord dit vereist, wordt geen bepaling van dit Verdrag zo uitgelegd dat zij een optreden rechtvaardigt of vereist ten aanzien van overtredingen van strafrechtelijke bepalingen van politieke aard of gebaseerd op onderscheid op welke grond dan ook, zoals ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst, politieke overtuiging of geslacht.

Hoofdstuk

II

Rechtsmacht

Artikel

3

Artikel

3 bis

Indien een Verdragsluitende Staat die uit hoofde van artikel 3 zijn rechtsmacht uitoefent ervan in kennis is gesteld of op andere wijze heeft vernomen dat één of meer Verdragsluitende Staten een onderzoek, vervolging of gerechtelijke procedure hebben ingesteld ter zake van dezelfde strafbare feiten of handelingen, treedt die Verdragsluitende Staat, naargelang van toepassing, in overleg met deze andere Verdragsluitende Staten teneinde hun maatregelen af te stemmen. De verplichtingen in dit artikel laten de verplichtingen van een Verdragsluitende Staat uit hoofde van artikel 13 onverlet.

Artikel

4

Een Verdragsluitende Staat die niet de staat van inschrijving is, mag een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig niets in de weg leggen teneinde zijn rechtsmacht in strafzaken uit te oefenen ten aanzien van een aan boord begaan strafbaar feit, behalve in de volgende gevallen:

  • a)

    wanneer het strafbare feit uitwerking heeft op het grondgebied van de betrokken staat;

  • b)

    wanneer het strafbare feit is begaan door of tegen een onderdaan of ingezetene van de betrokken staat;

  • c)

    wanneer het strafbare feit is gericht tegen de veiligheid van de betrokken staat;

  • d)

    wanneer het strafbare feit bestaat uit een inbreuk op in de betrokken staat van kracht zijnde wettelijke voorschriften inzake het vliegen of manoeuvreren van luchtvaartuigen;

  • e)

    wanner de uitoefening van rechtsmacht nodig is om het nan van verplichtingen van de betrokken staat krachtens en multilaterale internationale overeenkomst te verzekeren.

Hoofdstuk

III

Bevoegdheden van de gezagvoerder van het luchtvaartuig

Artikel

5

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op strafbare feiten en handelingen die begaan zijn of op het punt staan begaan te worden door een persoon aan boord van een luchtvaartuig dat zich bevindt in het luchtruim boven de staat van inschrijving of boven de volle zee of een gebied dat niet tot het grondgebied van een staat behoort tenzij het laatste punt van vertrek of het punt van de eerstvolgende voorgenomen landing in een andere staat ligt dan de staat van inschrijving, of het luchtvaartuig vervolgens vliegt in het luchtruim van een andere staat dan de staat van inschrijving met die persoon nog aan boord.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Voor maatregelen genomen overeenkomstig dit Verdrag wordt noch de gezagvoerder van het luchtvaartuig, enig ander lid van de bemanning, enige passagier, meereizende veiligheidsfunctionaris, eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig, noch de persoon voor wiens rekening de vlucht werd uitgevoerd, aansprakelijk gesteld in enig geding naar aanleiding van de behandeling ondergaan door de persoon tegen wie de maatregelen waren gericht.

Hoofdstuk

IV

Onwettige overmeestering van luchtvaartuigen

Artikel

11

Hoofdstuk

V

Bevoegdheden en verplichtingen van staten

Artikel

12

Iedere Verdragsluitende Staat geeft de gezagvoerder van een in een andere Verdragsluitende Staat ingeschreven luchtvaartuig toestemming een persoon krachtens artikel 8, eerste lid, het luchtvaartuig te doen verlaten.

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

15 bis

Hoofdstuk

VI

Verdere bepalingen

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Indien Verdragsluitende Staten voor het luchtvervoer gemeenschappelijke exploitatieorganisaties of internationale exploitatieorganisaties oprichten, die gebruik maken van luchtvaartuigen die niet in een bepaalde staat zijn ingeschreven, wijzen deze staten, al naar de omstandigheden, een staat uit hun midden aan die, wat dit Verdrag betreft, als de staat van inschrijving zal worden beschouwd en doen daarvan mededeling aan de Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie, die op haar beurt alle staten die partij zijn bij dit Verdrag kennis geeft van deze mededeling.

Artikel

18 bis

Geen enkele bepaling in dit Verdrag vormt een beletsel voor het recht uit hoofde van het nationale recht schadevergoeding te vorderen van een persoon die het luchtvaartuig heeft moeten verlaten ingevolge artikel 8 of is overgedragen ingevolge artikel 9.

Hoofdstuk

VII

Slotbepalingen

Artikel

19

Tot aan de datum waarop dit Verdrag overeenkomstig de bepalingen van artikel 21 in werking treedt, staat het open voor ondertekening namens iedere staat die op die datum lid is van de Verenigde Naties of van een der Gespecialiseerde Organisaties.

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

Met uitzondering van het bepaalde in artikel 24 mogen ten aanzien van dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt.

Artikel

26

De Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie doet aan alle staten die lid zijn van de Verenigde Naties of van een der Gespecialiseerde Organisaties mededeling van:

  • a)

    iedere ondertekening van het Verdrag, alsmede van de datum van die ondertekening;

  • b)

    de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging of toetreding, alsmede van de datum van de nederlegging;

  • c)

    de datum waarop dit Verdrag krachtens de bepalingen van artikel 21, eerste lid, in werking treedt;

  • d)

    de ontvangst van iedere mededeling van opzegging, alsmede van de datum van ontvangst;

  • e)

    de ontvangst van iedere verklaring of mededeling krachtens artikel 24, alsmede van de datum van ontvangst.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Tokio, de veertiende september 1963, in drie authentieke teksten in de Engelse, de Franse en de Spaanse taal.

Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Internationale Burgerlijke Luchtvaartorganisatie, waar het overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 voor ondertekening openstaat, en genoemde organisatie zendt gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag aan alle staten die lid zijn van de Verenigde Naties of van een der Gespecialiseerde Organisaties.