Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nopens de samenvoeging van de grenscontrole en de instelling van gemeenschappelijke spoorwegstations of van grensaflosstations aan de Nederlands-Duitse grens

OVEREENKOMST tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland nopens de samenvoeging van de grenscontrole en de instelling van gemeenschappelijke spoorwegstations of van grensaflosstations aan de Nederlands-Duitse grens

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

geleid door de wens de overschrijding van de gemeenschappelijke grens per spoor en langs land- en waterwegen te bespoedigen,

hebben besloten een overeenkomst te sluiten en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie mr. J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken,

de President van de Bondsrepubliek Duitsland:

Zijne Excellentie dr. H. Mühlenfeld, Ambassadeur te 's-Gravenhage,

die na uitwisseling van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, het volgende zijn overeengekomen:

HOOFDSTUK

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Artikel

2

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder de uitdrukking:

  • 1)

    „grenscontrole”: de uitvoering van alle wettelijke en administratieve bepalingen van beide landen, die toegepast kunnen worden bij de grensoverschrijding van personen en het binnenkomen en uitgaan van goederen en andere vermogensbestanddelen;

  • 2)

    „gebiedsland”: het land, op welks gebied de grenscontrole van het andere land geschiedt of op welks gebied zich de gemeenschappelijke spoorwegstations of grensaflosstations bevinden; „nabuurland”: het andere land;

  • 3)

    „gemeenschappelijk spoorwegstation”: een spoorwegstation, waar beide spoorwegdiensten de werkzaamheden, die nodig zijn in het grensoverschrijdende personen- en goederenverkeer, of een gedeelte daarvan, kunnen verrichten.

HOOFDSTUK

II

Grenscontrole

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

De ambtenaren van het nabuurland zijn niet bevoegd op het grondgebied van het gebiedsland onderdanen van dit land aan te houden of hen naar het nabuurland terug te zenden. Zij mogen deze personen echter voor een verhoor naar hun in het gebiedsland gelegen kantoor of, indien dit er niet is, naar de autoriteiten van het overeenkomstige dienstonderdeel van het gebiedsland overbrengen. Bij de overbrenging en het verhoor moet een ambtenaar van het gebiedsland aanwezig zijn.

Artikel

8

Aan personen, die door de ambtenaren van het land van binnenkomst worden teruggezonden, mag de terugkeer in het land van uitgang niet worden geweigerd.

Artikel

9

HOOFDSTUK

III

Ambtenaren en grenscontrolekantoren

Artikel

10

De autoriteiten van het gebiedsland verlenen aan de ambtenaren van het nabuurland bij de uitoefening van hun dienst dezelfde bescherming en bijstand als aan hun eigen ambtenaren.

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Goederen welke tot dienstgebruik in het gebiedsland door de grenscontrolekantoren of door de ambtenaren van het nabuurland zijn bestemd, zijn bij het binnenkomen en het weder uitgaan vrij van invoerrechten en van andere heffingen. In- en uitvoerverboden alsmede in- en uitvoerbeperkingen zijn op die goederen niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor dienstvoertuigen of eigen voertuigen, waarvan de ambtenaren voor de uitoefening van hun dienst in het gebiedsland gebruik maken.

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

De bevoegde administraties van beide landen zullen de tijden van openstelling en de bevoegdheden van hun in het gebiedsland samengevoegde grenscontrolekantoren met elkander in overeenstemming brengen.

Artikel

18

Artikel

19

Brieven, pakketten en waardezendingen, die door de grenscontrolekantoren van het nabuurland worden verzonden dan wel voor die kantoren zijn bestemd, mogen door de ambtenaren van dat land zonder tussenkomst van de posterijen of de spoorwegen, vrij van rechten, worden vervoerd, indien die zendingen zijn voorzien van de dienstafinduiding van de autoriteit, die ze afzendt.

HOOFDSTUK

IV

Douanedeclaranten

Artikel

20

HOOFDSTUK

V

Bijzondere bepalingen voor het spoorwegverkeer

Artikel

21

Artikel

22

Het personeel der spoorwegen van het ene land kan voor zover het daartoe ingevolge het recht van eigen land bevoegd is, gepaste maatregelen nemen om in de treinen tussen de grens en het in het andere land gelegen gemeenschappelijke spoorwegstation of grensaflosstation de orde en de veiligheid te verzekeren. Handelingen in strijd met de voorschriften ter verzekering van de orde en de veiligheid in deze treinen worden ter verdere behandeling aan de dienstleiding van het gemeenschappelijke spoorwegstation of grensaflosstation medegedeeld.

Artikel

23

De spoorwegadministraties van beide landen kunnen in onderling overleg bepalen, dat spoorwegpersoneel van het nabuurland in treinen, die de grens overschrijden, ook voorbij het gemeenschappelijke spoorwegstation of grensaflosstation nog zijn dienst blijft uitoefenen. Ten aanzien van dit personeel is artikel 21, tweede lid, van toepassing.

HOOFDSTUK

VI

Slotbepalingen

Artikel

24

De bevoegde Ministers van beide landen treffen in onderling overleg de administratieve maatregelen, welke nodig zijn voor de uitvoering van deze Overeenkomst.

Artikel

25

De in artikel 1, vierde lid, genoemde regelingen kunnen op voorstel van een van beide landen onder de in deze regelingen gestelde voorwaarden weer worden opgeheven.

Artikel

26

TEN BLIJKE WAARVAN de wederzijdse gevolmachtigden deze Overeenkomst hebben ondertekend en daaraan hun zegel hebben gehecht.

GEDAAN in tweevoud te 's-Gravenhage, op de 30ste mei 1958, in de Nederlandse en in de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) J. LUNS

Voor de Bondsrepubliek Duitsland,

(w.g.) H. MÜHLENFELD