Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging (Financieel Verdrag)

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging (Financieel Verdrag)

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen:

Artikel

1

Artikel

2

De in artikel 1 genoemde betaling vindt plaats met het oog op:

  • 1.
    • a)

      de nog resterende Nederlandse vorderingen uit hoofde van de bij notawisseling van 19 mei 1952 te 's-Gravenhage tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland gesloten overeenkomst inzake de restitutie van Duitse in Rijksmark luidende effecten;

    • b)

      de uitgaven welke Nederlandse publiekrechtelijke lichamen en de N.V. Nederlandsche Spoorwegen tot en met 31 maart 1960 hebben gedaan in de in artikel 4 van het heden ondertekende Grensverdrag aangegeven gebieden;

    • c)

      de bijdrage van de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten van de voorgenomen normalisering van de Westerwoldsche Aa (§ 47 van Bijlage A bij het Grensverdrag);

  • 2.

    de vorderingen, naar voren gebracht ten behoeve van Nederlanders die om redenen van ras, geloof of wereldbeschouwing getroffen zijn door nationaal-socialistische vervolgingsmaatregelen;

  • 3.

    alle tijdens de heden afgesloten onderhandelingen door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden geldend gemaakte aanspraken inzake:

    • a)

      alle door Duitse instellingen uitgegeven effecten (met inbegrip van hiervoor uitgegeven certificaten) die tijdens de tweede wereldoorlog uit Nederland zijn weggevoerd en ten aanzien waarvan niet reeds een regeling is getroffen bij de Nederlands-Duitse notawisseling van 19 mei 1952, voor zover de uitgevende instellingen gevestigd zijn in het gebied van de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn, of voor zover deze effecten onderworpen zijn aan de in dit gebied voorgeschreven „Wertpapierbereinigung”.

    • b)

      kredieten welke verband houden met het op 11 mei 1920 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen de Nederlandse en de Duitse Regering inzake krediet en steenkolen (Tredefina-Verdrag);

    • c)

      tegoeden welke op 8 mei 1945 bij Duitse kredietinstellingen werden aangehouden ten name van voormalige nationaalsocialistische organisaties in Nederland;

    • d)

      de kredieten aan ondernemingen van de Duitse celwolindustrie, waarvoor de Reichskreditgesellschaft zich als borg heeft verbonden;

    • e)

      tegoeden en gelden welke tijdens de tweede wereldoorlog door in Nederland aangestelde „Verwalter” naar Duitsland zijn overgemaakt of weggevoerd;

    • f)

      de op 14 december 1950 te Niederbreisig ondertekende Nederlands-Duitse overeenkomst tot regeling van de met de restitutie van binnenschepen verband houdende vraagstukken.

Artikel

3

De Bondsrepubliek Duitsland zal het Koninkrijk der Nederlanden de uitgaven vergoeden voor lopende investeringen welke Nederlandse publiekrechtelijke lichamen en de N.V. Nederlandsche Spoorwegen in de periode van 1 april 1960 tot de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag hebben verricht in de in artikel 4 van het Grensverdrag aangegeven gebieden. De beide Regeringen zullen zich verstaan over de grootte van deze uitgaven.

Artikel

4

Het Koninkrijk der Nederlanden draagt op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag het vroegere Duitse gezantschapsgebouw te 's-Gravenhage, Lange Vijverberg 8 (Gemeente 's-Gravenhage, sectie E nr. 812 en 2430) in eigendom over aan de Bondsrepubliek Duitsland, zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Voor zover vroegere Duitse rechthebbenden of personen die naar Duits recht in hun plaats zijn getreden, geïnteresseerd zijn in het terugverkrijgen van hun krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden overgegane en daarna vervreemde handelsmerken en de tegenwoordige Nederlandse rechthebbenden bereid zijn daaraan mede te werken, zal de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden in overleg met de Ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland te 's-Gravenhage de mogelijkheid onderzoeken of en in hoeverre, met inachtneming van het ten aanzien van de overdracht van handelsmerken in het Koninkrijk der Nederlanden geldende recht, in het bijzonder artikel 20 van de Nederlandse Merkenwet, een voor alle belanghebbenden bevredigende oplossing kan worden bereikt.

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Het Koninkrijk der Nederlanden zal, op de voet van hoofdstuk 3 van het bij dit Verdrag behorende Slotprotocol, de personen van Duitse nationaliteit die destijds in dienst stonden van Nederlands-Indië, ex gratia pensioenen of soortgelijke uitkeringen toekennen overeenkomstig de beginselen die gelden voor andere personen die destijds in dienst stonden van Nederlands-Indië.

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden der Verdragsluitende Partijen dit Verdrag, dat deel uitmaakt van het heden ondertekende Algemene Verdrag, hebben ondertekend.

Gedaan te 's-Gravenhage, 8 april 1960, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) H. R. VAN HOUTEN

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) VON BRENTANO

(w.g.) LAHR

Slotprotocol bij het Financiële Verdrag

Bij de ondertekening van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging zijn de gevolmachtigden van beide Partijen over de volgende bepalingen tot overeenstemming gekomen en hebben de volgende verklaringen afgelegd:

HOOFDSTUK

1

(bij de artikelen 1 tot en met 3 van het Verdrag)

Artikel

1

Het Koninkrijk der Nederlanden staat na de inwerkingtreding van dit Verdrag aan de Bondsrepubliek Duitsland of aan de door de Bondsregering aan te wijzen instanties alle eventueel aan het Koninkrijk der Nederlanden toekomende vorderingen en aanspraken af, voor zover deze betrekking hebben op:

  • 1.

    de Nederlandse kredieten aan ondernemingen van de Duitse celwolindustrie, waarvoor de „Reichskreditgesellschaft” zich als borg heeft verbonden (artikel 2 sub 3d van het Verdrag);

  • 2.

    door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden aan de Bondsregering ter kennis gebrachte vorderingen uit hoofde van liggelden en bewakingskosten voor Duitse binnenschepen en verdere daarmede verband houdende vorderingen overeenkomstig punt 6, derde volzin, van bijlage 1 bij de Nederlands-Duitse overeenkomst van 14 december 1950 tot regeling van de met de restitutie van binnenschepen verband houdende vraagstukken (artikel 2 sub 3f van het Verdrag).

Artikel

2

Het Koninkrijk der Nederlanden staat aan de Bondsrepubliek Duitsland of aan de door de Bondsregering aan te wijzen instanties alle aanspraken af die het Koninkrijk toekomen uit hoofde van nog uitstaande kredieten voor de woningbouw, kredieten aan kleine zelfstandigen, alsmede kredieten ter vergoeding van oorlogsschade in de in artikel 4 van het heden ondertekende Grensverdrag aangegeven gebieden (artikel 2 sub 1b en artikel 3 van het Verdrag).

Artikel

3

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal ervoor zorgdragen dat de voor de uitvoering van de bovenbedoelde cessies nodige verklaringen worden afgegeven en dat de vereiste bescheiden, voorzover aanwezig, ter beschikking worden gesteld.

Artikel

4

Het Koninkrijk der Nederlanden erkent, dat rechten uit hoofde van nominaal RM 1.500.000 „Reichsschatzanweisungen”, welke voortvloeien uit de opbrengst van in Rijksmark luidende effecten die tijdens de oorlog uit Nederland naar Duitsland zijn weggevoerd en door de „Deutsche Revisions- und Treuhand AG.” bij de „Reichskreditgesellschaft AG.” zijn gedeponeerd, de Bondsrepubliek Duitsland toekomen.

HOOFDSTUK

2

(bij de artikelen 4 tot en met 13 van het Verdrag)

Artikel

5

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal ernaar streven, bij de in artikel 4 van het Verdrag overeengekomen eigendomsoverdracht het vroegere Duitse gezantschapsgebouw tevens aan de Bondsrepubliek Duitsland ten gebruike ter beschikking te stellen. Indien het de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden om technische redenen niet mogelijk mocht zijn, het gebouw op dat tijdstip ledig over te dragen, zal zij het uiterlijk tot en met 31 december 1961 mogen blijven gebruiken, met dien verstande dat zij gedurende die tijd de op de eigenaar rustende kosten en lasten draagt

Artikel

6

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal, indien daarom door tussenkomst van de Ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland te 's-Gravenhage wordt gevraagd, aan de vroegere eigenaars van in het Koninkrijk in beslag genomen Duitse vermogensbestanddelen met uitzondering van huisraad en grondbezit inlichtingen verstrekken inzake de omvang en de realisering van deze vermogensbestanddelen of inzake de grootte van de liquidatie-opbrengsten, voorzover dit praktisch mogelijk is en de inlichtingen noodzakelijk zijn om de uitvoering van de in het kader van de Duitse wetgeving inzake de regeling van de gevolgen van de oorlog reeds bestaande of nog uit te vaardigen wettelijke voorschriften, mogelijk te maken.

Artikel

7

Het Koninkrijk der Nederlanden zal tegen vroegere eigenaars van in beslag genomen Duits vermogen geen aanspraken geldend maken op grond van het feit dat verplichtingen van deze eigenaars uit dit vermogen of uit de opbrengst daarvan zijn betaald.

HOOFDSTUK

3

(bij artikel 14 van het Verdrag)

Artikel

8

Het Koninkrijk der Nederlanden betaalt ex gratia aan de vóór 10 mei 1940 gepensioneerde Nederlands-Indische ambtenaren van Duitse nationaliteit:

  • 1.

    over de periode van 1 mei 1956 tot en met 31 december 1957, gedurende welke de Republiek Indonesië het bedrag van hun pensioenen in rupiah's heeft betaald: het koersverschil in guldens vermeerderd met de door het Koninkrijk der Nederlanden verleende toeslagen;

  • 2.

    over de periode van 1 januari 1958 af, de datum waarop de Republiek Indonesië de betaling van pensioenen aan rechthebbenden buiten Indonesië geheel heeft gestaakt: de bedragen der pensioenen in guldens vermeerderd met de door het Koninkrijk der Nederlanden tot nu toe verleende en in de toekomst nog te verlenen toeslagen, voor zolang en voorzover de Republiek Indonesië ter zake nalatig blijft.

Artikel

9

Het Koninkrijk der Nederlanden betaalt in guldens aan de weduwen en wezen van de in artikel 8 bedoelde gepensioneerden de weduwenpensioenen en wezenonderstanden hun toekomend krachtens het reglement van het weduwen- en wezenfonds waarin de overledene deelgenoot is geweest, vermeerderd met de door het Koninkrijk der Nederlanden tot nu toe verleende of in de toekomst nog te verlenen toeslagen.

Artikel

10

Artikel

11

Het Koninkrijk der Nederlanden betaalt aan weduwen en wezen na de dood van de krachtens artikel 10 rechthebbenden, met uitzondering echter van de periode vóór 1 mei 1956, ex gratia weduwenpensioenen en wezenonderstanden in guldens overeenkomstig het reglement van het weduwen- en wezenfonds waarbij de overledene op het ogenblik van zijn ontslag verplicht was aangesloten, vermeerderd met de door het Koninkrijk tot nu toe verleende en in de toekomst nog te verlenen toeslagen.

Artikel

12

Artikel

13

Het Koninkrijk der Nederlanden kent geen onderstand bij wijze van pensioen toe overeenkomstig de artikelen 10 en 12 aan personen van wie is gebleken dat zij het nationaal-socialisme daadwerkelijk hebben gesteund, dan wel dat zij zich vijandig jegens de belangen van het Koninkrijk hebben gedragen.

Artikel

14

Artikel

15

Het Koninkrijk der Nederlanden kan van bovenstaande regeling die personen uitsluiten, die hun woonplaats niet in de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn hebben.

Artikel

16

Het Koninkrijk der Nederlanden kan eisen dat rechthebbenden, voorzover zij krachtens bovenstaande bepalingen uitkeringen ontvangen, hun aanspraken tegenover de Republiek Indonesië aan het Koninkrijk cederen.

Artikel

17

HOOFDSTUK

4

(bij artikel 15 van het Verdrag)

Artikel

18

Het Koninkrijk der Nederlanden is niet gehouden Duitse privaatrechtelijke personen overeenkomstig de tweede zin van lid 1 van artikel 15 van het Verdrag, te vrijwaren, indien zij door Nederlanders die vanwege hun ras, geloof of wereldbeschouwing door nationaal-socialistische vervolgingsmaatregelen zijn getroffen, worden aangesproken uit hoofde van zodanige vorderingen en aanspraken die krachtens artikel 8, lid 2, van het „Bundesentschädigungsgesetz” onaangetast blijven.

HOOFDSTUK

5

Artikel

19

Het Koninkrijk der Nederlanden zal uit hoofde van de door oorlogshandelingen veroorzaakte verwoesting van het gebouw van het Koninklijke Nederlandse Gezantschap te Berlijn, Rauchstrasse 10, geen vorderingen aanhangig maken.

SLOTBEPALING

Artikel

20

De bepalingen van dit Slotprotocol maken deel uit van het Financiële Verdrag.

GEDAAN te 's-Gravenhage, 8 april 1960, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) H. R. VAN HOUTEN

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) VON BRENTANO

(w.g.) LAHR

Nr.

I

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April 1960

Herr Minister!

Unter Bezugnahme auf Artikel 2 des heute unterzeichneten Finanzvertrags beehre ich mich, Ihnen zu bestätigen, dass die Verteilung des in Artikel 1 des Vertrags bezeichneten Betrags ausschliesslich dem Ermessen der Regierung des Königreichs der Niederlande überlassen bleibt.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz

den Minister für Auswärtige Angelegenheiten

des Königreichs der Niederlande

Herrn J. M. A. H. Luns

Den Haag

Nr.

II

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Ik heb de eer U de ontvangst te bevestigen van Uw brief van heden, waarvan de tekst in Nederlandse vertaling als volgt luidt:

„Onder verwijzing naar artikel 2 van het heden ondertekende Financiële Verdrag heb ik de eer U te bevestigen dat de verdeling van het in artikel 1 van het Verdrag genoemde bedrag geheel wordt overgelaten aan het beleid van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden.”

Van de inhoud van Uw brief heb ik kennis genomen.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie

Dr. H. von Brentano,

Bondsminister van Buitenlandse Zaken

van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr.

III

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Onder verwijzing naar artikel 2 van het heden ondertekende Financiële Verdrag heb ik de eer U het volgende mede te delen:

Op grond van de door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden naar voren gebrachte politieke gezichtspunten en overgelegde feitelijke gegevens heeft de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland zich in de loop van de onderhandelingen bereid verklaard tot de uit artikel 2 sub 2 blijkende regeling ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging, met inbegrip van hun nabestaanden.

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden geeft uitdrukking aan de verwachting, dat de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland zich op verzoek van de Regering van het Koninkrijk bereid Verklaart met haar in onderhandeling te treden indien de Bondsrepubliek met een andere staat een overeenkomst sluit op grond waarvan andere dan de vorenbedoelde groepen personen een schadevergoeding zullen ontvangen.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie

Dr. H. von Brentano,

Bondsminister van Buitenlandse Zaken

van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr.

IV

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April 1960

Herr Minister!

Ich beehre mich, Ihnen den Eingang Ihres heutigen Schreibens zu bestätigen, dessen Text in deutscher Übersetzung wie folgt lautet:

„Unter Bezugnahme auf Artikel 2 des heute unterzeichneten Finanzvertrags beehre ich mich, Ihnen folgendes mitzuteilen:

Auf Grund der von der Regierung des Königreichs der Niederlande vorgetragenen politischen Gesichtspunkte und vorgelegten tatsächlichen Angaben hat sich die Regierung der Bundesrepublik Deutschland im Laufe der Verhandlungen zu der aus Artikel 2 Ziffer 2 ersichtlichen Regelung zugunsten niederländischer Opfer der nationalsozialistischen Verfolgung einschliesslich ihrer Hinterbliebenen bereit erklärt.

Die Regierung des Königreichs der Niederlande gibt der Erwartung Ausdruck, dass sich die Regierung der Bundesrepublik Deutschland auf Wunsch der Regierung des Königreichs der Niederlande bereit erklärt, in Verhandlungen mit ihr einzutreten, falls die Bundesrepublik Deutschland mit einem anderen Staat eine Vereinbarung trifft, nach der andere als die vorbezeichneten Personengruppen eine Entschädigung erhalten sollen.”

Ich beehre mich, darauf hinzuweisen, dass die Regierung der Bundesrepublik Deutschland anlässlich der Verhandlungen mehrfach zum Ausdruck gebracht hat, dass sie nicht beabsichtige und sich auch nicht in der Lage sehe, andere als die in Artikel 2 Ziffer 2 bezeichneten Personengruppen zu entschädigen. Sie wiederholt diese Erklärung aus Anlass des Abschlusses dieses Vertrags ausdrücklich.

Im Hinblick auf den von der Regierung des Königreichs der Niederlande geäusserten Wunsch erklärt sie sich jedoch bereit, mit dieser in Verhandlungen einzutreten, falls die Bundesrepublik Deutschland mit einem anderen Staat eine Vereinbarung trifft, nach der andere als die in Artikel 2 Ziffer 2 bezeichnetem Personengruppen eine Entschädigung erhalten sollen, und falls in der betreffenden Vereinbarung diese Personengruppen nach eindeutigen und bestimmten Merkmalen festgelegt worden sind.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz

den Minister für Auswärtige Angelegenheiten

des Königreichs der Niederlande

Herrn J. M. A. H. Luns

Den Haag

Nr.

V

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Onder verwijzing naar artikel 3 van het heden ondertekende Financiële Verdrag heb ik de eer U het volgende mede te delen:

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal met ingang van heden geen verdere investeringen verrichten in de in artikel 4 van het heden ondertekende Grensverdrag aangegeven gebieden, zonder zich tevoren met de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland over aard en omvang van zodanige investeringen te hebben verstaan.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie

Dr. H. von Brentano,

Bondsminister van Buitenlandse Zaken

van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr.

VI

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April I960

Herr Minister!

Ich beehre mich, Ihnen den Empfang Ihres heutigen Schreibens zu bestätigen, dessen Text in deutscher Übersetzung wie folgt lautet:

„Unter Bezugnahme auf Artikel 3 des heute unterzeichneten Finanzvertrags beehre ich mich, Ihnen folgendes mitzuteilen:

Die Regierung des Königreichs der Niederlande wird vom heutigen Tage an keine weiteren Investitionen in den in Artikel 4 des heute unterzeichneten Grenzvertrags bezeichneten Gebieten vornehmen, ohne sich vorher mit der Regierung der Bundesrepublik Deutschland über Art und Umfang solcher Investitionen verständigt zu habend.”

Ich habe vom Inhalt Ihres Schreibens Kenntnis genommen.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz

den Minister für Auswärtige Angelegenheiten

des Königreichs der Niederlande

Herrn J. M. A. H. Luns

Den Haag

Nr.

VII

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Onder verwijzing naar artikel 12 van het heden ondertekende Financiële Verdrag heb ik de eer, het volgende op te merken:

Op grond van artikel 12 worden de door de „Gesellschaft für Hypothekenverwahrung GmbH” te Berlijn ter bediening van de leningen van de „International Mortgage & Investment Corporation”, Maryland, USA, overgemaakte bedragen niet ter beschikking gesteld, aangezien het hier niet om een door een Duitse schuldenaar uitgegeven lening gaat en voor deze lening, voorzover de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden bekend, ook geen andere schuldenaar, borg of garant aanwezig is, die uit dien hoofde een regeling op grond van de op 27 februari 1953 te Londen ondertekende Overeenkomst nopens de Duitse buitenlandse schulden zou moeten treffen.

Verder moge ik U het volgende mededelen:

Aanspraken voortvloeiende uit Duitse „Auslandsbonds” die zich op 8 mei 1945 niet in het Koninkrijk der Nederlanden bevonden, en eventueel hiervoor uitgegeven certificaten, ten aanzien waarvan het Koninkrijk niet in bijzondere gevallen in overleg met de eigenaars van de obligaties en van eventuele certificaten een regeling over de bediening van de lening heeft getroffen, zullen niet worden behandeld als Duits vermogen in de zin van het Besluit Vijandelijk Vermogen. Dit geldt ook voor obligaties van de leningen der „Gewerkschaften” Carolus Magnus en Carl Alexander; de bediening hiervan is gegarandeerd op de wijze als vastgesteld door besluiten van de vergaderingen van obligatiehouders.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie

Dr. H. von Brentano,

Bondsminister van Buitenlandse Zaken

van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr.

VIII

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April 1960

Herr Minister!

Ich beehre mich, Ihnen den Eingang Ihres heutigen Schreibens zu bestätigen, dessen Text in deutscher Übersetzung wie folgt läutet:

„Unter Bezugnahme auf Artikel 12 des heute unterzeichneten Finanz Vertrags beehre ich mich, Sie auf folgendes hinzuweisen:

Auf Grund des Artikels 12 werden die von der Gesellschaft für Hypothekenverwahrung GmbH, in Berlin zur Bedienung der Anleihen der International Mortgage & Investment Corporation Maryland, USA, überwiesenen Beträge nicht zur Verfügung gestellt, weil es sich hier nicht um von einem deutschen Schuldner ausgegebene Anleihen handelt und für sie, soweit der Regierung des Königreichs der Niederlande bekannt, auch kein sonstiger Schuldner, Bürge oder Garant vorhanden ist, der insoweit eine Regelung nach dem am 27. Februar 1953 in London unterzeichneten Abkommen über deutsche Auslandsschulden vorzunehmen, hätte.

Ferner darf ich Sie von folgendem unterrichten:

Ansprüche aus am 8. Mai 1945 nicht im Königreich der Niederlande befindlichen deutschen Auslandsbonds und etwa hierüber ausgestellten Zertifikaten, für welche das Königreich im Einzelfall keine besondere Vereinbarung über die Bedienung im Einvernehmen mit den Eigentümern der Bonds und etwaiger Zertifikate getroffen hatte, werden nicht als deutsches Vermögen im Sinne des „Besluit Vijandelijk Vermogen” behandelt werden. Dies gilt auch für Obligationen der Anleihen der Gewerkschaften Carolus Magnus und Carl Alexander; ihre Bedienung ist in der Weise, wie es durch Beschlüsse der Obligationärsversammlungen festgelegt worden ist, sichergestellt.”

Ich habe vom Inhalt dieses Schreibens Kenntnis genommen und darf folgendes hinzufügen:

Aus der Tatsache, dass dem von der Regierung der Bundesrepublik Deutschland ausgesprochenen Wunsch nach Freigabe sämtlicher Dotationsbeträge durch Artikel 12 des Finanzvertrags nicht voll entsprochen worden ist, kann nicht gefolgert werden, dass die bisherige Rechtslage bezüglich der nicht freigegebenen Dotationsbeträge verändert worden ist oder die Interessen etwaiger Berechtigter präjudiziert werden.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz

den Minister für Auswärtige Angelegenheiten

des Königreichs der Niederlande

Herrn J. M. A. H. Luns

Den Haag

Nr.

IX

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Onder verwijzing naar artikel 15, lid 2, van het heden ondertekende Financiële Verdrag heb ik de eer U het volgende mede te delen:

Het Koninkrijk der Nederlanden behoudt zich voor, aanspraken en vorderingen van de in lid 2 van artikel 15 genoemde soort bij een algemeen onderzoek overeenkomstig lid 2 van artikel 5 van de op 27 februari 1953 te Londen ondertekende Overeenkomst nopens Duitse buitenlandse schulden geldend te maken.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie

Dr. H. von Brentano,

Bondsminister van Buitenlandse Zaken

van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr.

X

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April 1960

Herr Minister!

Ich beehre mich, Ihnen den Empfang Ihres heutigen Schreibens zu bestätigen, dessen Text in deutscher Übersetzung wie folgt lautet:

„Unter Bezugnahme auf Artikel 15 Abs. 2 des heute unterzeichneten Finanzvertrags beehre ich mich, Ihnen folgendes mitzuteilen:

Das Königreich der Niederlande behält sich vor, Ansprüche und Forderungen der in Artikel 15 Abs. 2 genannten Art bei einer allgemeinen Prüfung gemäss Artikel 5 Abs. 2 des am 27. Februar 1953 in London unterzeichneten Abkommens über deutsche Auslandsschulden geltend zu machen.”

Ich habe vom Inhalt Ihres Schreibens Kenntnis genommen.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz

den Minister für Auswärtige Angelegenheiten

des Königreichs der Niederlande

Herrn J. M. A. H. Luns

Den Haag