Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, de wens koesterende, op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen dubbele belasting te vermijden en andere aangelegenheden op belastinggebied te regelen, zijn overeengekomen, de navolgende Overeenkomst te sluiten. Te dien einde hebben tot gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Mr. J. M. A. H. Luns, Minister van Buitenlandse Zaken,

De President van de Bondsrepubliek Duitsland:

Dr. J. Löns, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te 's-Gravenhage,

die na uitwisseling van hun volmachten, welke in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, als volgt zijn overeengekomen:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Indien een persoon met woonplaats in een van de Staten inkomsten verkrijgt, waarvoor in de voorgaande artikelen geen regeling is getroffen, heeft de woonstaat het recht tot belastingheffing voor deze inkomsten.

Artikel

17

Hoogleraren of andere docenten met woonplaats in een van de Staten, die beloning ontvangen voor het geven van onderwijs gedurende een tijdelijk verblijf van hoogstens twee jaren aan een universiteit, hogeschool, school of andere onderwijsinstelling in de andere Staat, worden ter zake van deze beloning slechts in de woonstaat belast.

Artikel

18

Studenten, personen, die een leer- of praktijktijd doormaken en volontairs uit een van de Staten, die slechts voor doeleinden van studie of opleiding in de andere Staat verblijven, worden voor de door hen ten behoeve van hun levensonderhoud, studie en opleiding ontvangen uitkeringen niet door deze andere Staat belast, indien zij deze uitkeringen van buiten deze Staat ontvangen.

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Deze Overeenkomst tast niet de aanspraak op eventuele verdergaande vrijstellingen aan, die krachtens algemene regelen van het volkenrecht of krachtens bijzondere regelingen aan de diplomatieke of consulaire ambtenaren en beambten toekomen. Voor zover op grond van zulke verdergaande vrijstellingen inkomsten en vermogen in de Staat van verblijf niet worden belast, blijft de belastingheffing voorbehouden aan de Staat die hen heeft uitgezonden.

Artikel

22

Artikel

22a

Na afsluiting van het onderzoek stelt de Staat, die het onderzoek verricht, de andere Staat in kennis van het tijdstip waarop het onderzoek beëindigd is.

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

TEN BLIJKE WAARVAN de wederzijdse gevolmachtigden deze Overeenkomst hebben ondertekend en van hun zegel voorzien.

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 16e juni 1959, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS.

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) J. LÖNS.

Aanvullend Protocol over de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied ten aanzien van heffingen voor eenmaal van het vermogen

Tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van de heffingen voor eenmaal van het vermogen (met uitzondering van het Successierecht), die in het tijdvak van 1 januari 1948 tot en met 31 december 1959 in een van de Staten zijn of worden ingevoerd en ontstaan, hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland, ter aanvulling van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, de onderstaande overeenkomst gesloten:

  • 1.

    Artikel 19 van de Overeenkomst vindt onder voorbehoud van de nummers 2 en 3 overeenkomstige toepassing op heffingen voor eenmaal van het vermogen.

  • 2.

    Het recht tot belastingheffing van de Bondsrepubliek Duitsland blijft onaangetast voor de in het Koninkrijk der Nederlanden gelegen vermogensbestanddelen van een persoon, die op het voor het ontstaan van de heffing beslissende tijdstip niet de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten of bezit en zijn woonplaats in de zin van de Overeenkomst in de Bondsrepubliek Duitsland heeft gehad of heeft; het recht tot belastingheffing blijft ook onaangetast, indien een natuurlijk persoon de Nederlandse nationaliteit naast de Duitse nationaliteit heeft bezeten of bezit.

  • 3.

    Het recht tot belastingheffing van het Koninkrijk der Nederlanden blijft onaangetast voor de in de Bondsrepubliek Duitsland gelegen vermogensbestanddelen van een persoon, die op het voor het ontstaan van de heffing beslissende tijdstip niet de Duitse nationaliteit heeft bezeten of bezit en zijn woonplaats in de zin van de Overeenkomst in het Koninkrijk der Nederlanden heeft gehad of heeft; het recht tot belastingheffing blijft ook onaangetast, indien een natuurlijk persoon de Duitse nationaliteit naast de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten of bezit.

  • 4.

    De bepalingen van het Aanvullend Protocol worden op heffingen, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit Aanvullend Protocol reeds zijn ontstaan, slechts op verzoek toegepast. Het verzoek moet binnen een termijn van drie jaren na de inwerkingtreding worden ingediend. Deze termijn kan niet worden verlengd.

Dit aanvullend Protocol is een integrerend bestanddeel van de Overeenkomst.

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 16e juni 1959, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS.

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) J. LÖNS.

Slotprotocol

Bij de ondertekening van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, hebben de ondergetekende gevolmachtigden de volgende overeenstemmende verklaring afgelegd, die een integrerend deel van de Overeenkomst uitmaakt:

Ad artikel

1

Ad artikel

2

Ad artikel

4

Ad artikel

5

Ad artikel

5, 7 en 13

Ad artikel

7

Ad artikel

10

Ad artikel

11

Ad artikel

13

Ad artikel

15

Ad artikel

23

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 16e juni 1959, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS.

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) J. LÖNS.

Nr.

I

BOTSCHAFT DER

BUNDESREPUBLIK DEUTSCHLAND

DEN HAAG

Den Haag, den 16. Juni 1959.

Herr Aussenminister:

Anlässlich der heutigen Unterzeichnung des Abkommens zwischen der Bundesrepublik Deutschland und dem Königreich der Niederlande zur Vermeidung der Doppelbesteuerung auf dem Gebiete der Steuern vom Einkommen und vom Vermögen sowie verschiedener sonstiger Steuern und zur Regelung anderer Fragen auf steuerlichem Gebiete beehre ich mich, Eurer Exzellenz im Namen der Regierung der Bundesrepublik Deutschland mitzuteilen, dass nach ihrer Auffassung das heute unterzeichnete Abkommen an die Stelle des am 18. August 1958 unterzeichneten Abkommens tritt.

Ich wäre Eurer Exzellenz sehr dankbar, wenn Sie mir das Einverständnis Ihrer Regierung mit dieser Auffassung und damit bestätigen würden, dass die Ratifizierung des am 18. August 1958 unterzeichneten Abkommens unter diesen Umständen nicht weiter betrieben werden soll.

Ich benutze auch diesen Anlass, Eure Exzellenz erneut meiner ausgezeichneten Hochachtung zu versichern.

(gez.) J. LÖNS.

An Seine Exzellenz

den Minister der Auswärtigen Angelegenheiten,

Dr. J. M. A. H. Luns,

Den Haag.

Nr.

II

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

's-Gravenhage, 16 juni 1959.

Mijnheer de Ambassadeur,

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van Uwer Excellentie's brief van heden, van de volgende inhoud:

„Bij gelegenheid van de ondertekening van de Overeenkomst tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, welke ondertekening heden heeft plaats gehad, heb ik de eer Uwer Excellentie namens de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland mede te delen, dat naar haar opvatting de heden ondertekende Overeenkomst in de plaats treedt van de op 18 augustus 1958 ondertekende Overeenkomst.

Ik zou Uwer Excellentie zeer erkentelijk zijn, indien Zij mij de instemming van Haar Regering met deze opvatting zou bevestigen en daarmede zou bevestigen, dat de bekrachtiging van de op 18 augustus 1958 ondertekende Overeenkomst onder deze omstandigheden geen doorgang meer vindt.”

Ik heb de eer, Uwer Excellentie mede te delen, dat de Nederlandse Regering met de opvatting van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland instemt.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik, Mijnheer de Ambassadeur, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te hernieuwen.

(w.g.) J. LUNS.

Zijner Excellentie

Dr. J. Löns,

Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur

van de Bondsrepubliek Duitsland,

's-Gravenhage.

Bijlage

bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied

Indien de plaats van leiding van een rechtspersoon zich bevindt op een grensoverschrijdend bedrijventerrein en de gemeenschappelijke grens tussen de Staten loopt door de vaste bedrijfsinrichting waarin de plaats van leiding zich bevindt, dan heeft de rechtspersoon ingevolge artikel 3, lid 5a, van de Overeenkomst haar woonplaats in de volgende Staat:

  • a.

    indien eenduidig kan worden vastgesteld, in welke Staat de plaats van leiding van de rechtspersoon zich bevindt, dan heeft zij haar woonplaats in deze Staat.

  • b.

    indien niet eenduidig kan worden vastgesteld, in welke Staat de plaats van leiding van de rechtspersoon zich bevindt, dan heeft zij haar woonplaats in de Staat waarin het grootste deel is gelegen van de door de onderneming gebruikte oppervlakte van het gebouw, waarin de leiding van de onderneming wordt uitgeoefend.

Voorbeelden:

Voorbeeld nr. 1:

De plaats van leiding kan eenduidig worden vastgesteld.

Nederland heeft het recht tot belastingheffing over de inkomsten van de onderneming (artikel 3, lid 5a, juncto artikel 5, eerste en vierde lid, van de Overeenkomst).

Voorbeeld nr. 2:

De plaats van leiding kan niet eenduidig worden vastgesteld, omdat de plaats van leiding niet duidelijk in een van beide Staten is gelegen.

Doorslaggevend is het grootste deel van de door de onderneming gebruikte oppervlakte van het gebouw, waarin de leiding van de onderneming wordt uitgeoefend.

Door de onderneming gebruikte oppervlakte:

100 m2 + 100 m2 + 400 m2 = 600 m2

daarvan in Duitsland gelegen deel:

50 m2 + 50 m2 + 400 m2 = 500 m2

daarvan in Nederland gelegen deel:

50 m2 + 50 m2 = 100 m2

Duitsland heeft het recht tot belastingheffing over de inkomsten van de onderneming (artikel 3, lid 5a, juncto artikel 5, eerste en vierde lid, van de Overeenkomst).

Voorbeeld nr. 3:

De plaats van leiding kan niet eenduidig worden vastgesteld, omdat de plaats van leiding niet duidelijk in een van beide Staten is gelegen.

Doorslaggevend is het grootste deel van de door de onderneming gebruikte oppervlakte van het gebouw, waarin de leiding van de onderneming wordt uitgeoefend (hier: gebouw 1).

Door de onderneming gebruikte oppervlakte:

100 m2 + 100 m2 = 200 m2

daarvan in Duitsland gelegen deel:

30 m2 + 30 m2 = 60 m2

daarvan in Nederland gelegen deel:

70 m2 + 70 m2 = 140 m2

Nederland heeft het recht tot belastingheffing over de inkomsten van de onderneming (artikel 3, lid 5a, juncto artikel 5, eerste en vierde lid, van de Overeenkomst).

Voorbeeld nr. 4:

De plaats van leiding kan niet eenduidig worden vastgesteld, omdat de plaats van leiding niet duidelijk in een van beide Staten is gelegen.

Doorslaggevend is het grootste deel van de door de onderneming gebruikte oppervlakte van het gebouw, waarin de leiding van de onderneming wordt uitgeoefend.

Door de onderneming gebruikte oppervlakte:

250 m2

daarvan in Duitsland gelegen deel:

200 m2

daarvan in Nederland gelegen deel:

50 m2

Duitsland heeft het recht tot belastingheffing over de inkomsten van de onderneming (artikel 3, lid 5a, juncto artikel 5, eerste en vierde lid, van de Overeenkomst).