I
(1)
Het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland hebben op basis van het arrest van het Internationale Gerechtshof van 20 februari 1969 trilaterale onderhandelingen gevoerd inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee. Tijdens deze onderhandelingen zijn in gezamenlijk overleg de beide heden ondertekende Verdragen opgesteld, te weten:
-
(a)
Verdrag tussen het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee,
-
(b)
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee.
Deze Verdragen stemmen zover overeen als onder de gegeven omstandigheden mogelijk is.
(2)
Erkennend dat de beide Verdragen samen de configuratie en de omvang van het Duitse deel van het continentaal plat onder de Noordzee bepalen en derhalve nauw samenhangen, zijn de Regeringen van de drie Ondertekenende Staten voornemens de akten van bekrachtiging van beide Verdragen op een en dezelfde dag te Bonn uit te wisselen, ten einde een gelijktijdige inwerkingtreding mogelijk te maken.