Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep

Convention concerning discrimination in respect of employment and occupation

The General Conference of the International Labour Organisation,

Having been convened at Geneva by the Governing Body of the International Labour Office, and having met in its Forty-second Session on 4 June 1958, and

Having decided upon the adoption of certain proposals with regard to discrimination in the field of employment and occupation, which is the fourth item on the agenda of the session, and

Having determined that these proposals shall take the form of an international Convention, and

Considering that the Declaration of Philadelphia affirms that all human beings, irrespective of race, creed or sex, have the right to pursue both their material well-being and their spiritual development in conditions of freedom and dignity, of economic security and equal opportunity, and

Considering further that discrimination constitutes a violation of rights enunciated by the Universal Declaration of Human Rights,

adopts this twenty-fifth day of June of the year one thousand nine hundred and fifty-eight the following Convention, which may be cited as the Discrimination (Employment and Occupation) Convention, 1958:

Article

1

Article

2

Each Member for which this Convention is in force undertakes to declare and pursue a national policy designed to promote, by methods appropriate to national conditions and practice, equality of opportunity and treatment in respect of employment and occupation, with a view to eliminating any discrimination in respect thereof.

Article

3

Each Member for which this Convention is in force undertakes, by methods appropriate to national conditions and practice—

  • (a)

    to seek the co-operation of employers' and workers' organisations and other appropriate bodies in promoting the acceptance and observance of this policy;

  • (b)

    to enact such legislation and to promote such educational programmes as may be calculated to secure the acceptance and observance of the policy;

  • (c)

    to repeal any statutory provisions and modify any administrative instructions or practices which are inconsistent with the policy;

  • (d)

    to pursue the policy in respect of employment under the direct control of a national authority;

  • (e)

    to ensure observance of the policy in the activities of vocational guidance, vocational training and placement services under the direction of a national authority;

  • (f)

    to indicate in its annual reports on the application of the Convention the action taken in pursuance of the policy and the results secured by such action.

Article

4

Any measures affecting an individual who is justifiably suspected of, or engaged in, activities prejudicial to the security of the State shall not be deemed to be discrimination, provided that the individual concerned shall have the right to appeal to a competent body established in accordance with national practice.

Article

5

Article

7

The formal ratifications of this Convention shall be communicated to the Director-General of the International Labour Office for registration.

Article

8

Article

9

Article

10

Article

11

The Director-General of the International Labour Office shall communicate to the Secretary-General of the United Nations for registration in accordance with Article 102 of the Charter of the United Nations full particulars of all ratifications and acts of denunciation registered by him in accordance with the provisions of the preceding Articles.

Article

12

At such times as it may consider necessary the Governing Body of the International Labour Office shall present to the General Conference a report on the working of this Convention and shall examine the desirability of placing on the agenda of the Conference the question of its revision in whole or in part.

Article

13

Article

14

The English and French versions of the text of this Convention are equally authoritative.

Verdrag betreffende discriminatie in arbeid en beroep

De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,

Door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau bijeengeroepen te Genève en aldaar bijeengekomen op 4 juni 1958 in haar tweeënveertigste zitting;

Besloten hebbende bepaalde voorstellen aan te nemen betreffende discriminatie in arbeid en beroep, welk onderwerp is vervat in het vijfde punt van de agenda der zitting;

Besloten hebbende dat deze voorstellen de vorm zullen aannemen van een internationaal verdrag;

Overwegende dat de Verklaring van Philadelphia bevestigt dat alle mensen, ongeacht hun ras, geloof of geslacht, het recht hebben, in vrijheid en waardigheid, onder omstandigheden waarin economische zekerheid en gelijke kansen zijn gewaarborgd, hun materiële welvaart en hun geestelijke ontwikkeling na te streven;

Voorts overwegende dat discriminatie een inbreuk vormt op de rechten neergelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

Neemt heden, 25 juni 1958, het volgende Verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het „Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep), 1958”.

Artikel

1

Artikel

2

Elk Lid waarvoor dit Verdrag van kracht is, verbindt zich ertoe een nationaal beleid te formuleren en toe te passen, dat is gericht op de bevordering, door aan de nationale omstandigheden en gebruiken aangepaste methoden, van de gelijkheid van kansen en van de behandeling in arbeid en beroep, ten einde elke discriminatie ter zake op te heffen.

Artikel

3

Elk Lid waarvoor dit Verdrag van kracht is, verbindt zich ertoe, door aan de nationale omstandigheden en gebruiken aangepaste methoden:

  • a)

    te trachten de medewerking te verkrijgen van werkgevers- en werknemersorganisaties en van andere in aanmerking komende organen om de aanvaarding en de toepassing van dit beleid te bevorderen;

  • b)

    wetten uit te vaardigen en onderwijsprogramma's te bevorderen die erop zijn gericht de aanvaarding en toepassing van dat beleid te verzekeren;

  • c)

    elke wetsbepaling in te trekken en elke administratieve bepaling of praktijk te wijzigen die onverenigbaar is met bedoeld beleid;

  • d)

    dit beleid toe te passen ten aanzien van de arbeidsplaatsen die zijn onderworpen aan het rechtstreekse toezicht van een nationale instantie;

  • e)

    de toepassing van genoemd beleid te verzekeren in de werkzaamheden van de diensten voor beroepskeuze, voor beroepsopleiding en arbeidsvoorziening die zijn onderworpen aan het toezicht van een nationale instantie;

  • f)

    in zijn jaarverslagen omtrent de toepassing van het Verdrag de maatregelen die op grond van dit beleid zijn genomen, alsmede de verkregen resultaten, te vermelden.

Artikel

4

Als discriminatie worden niet beschouwd de maatregelen aangaande een persoon ten aanzien van wie de gewettigde verdenking bestaat dat hij zich inlaat met activiteiten die de staatsveiligheid kunnen schaden, of van wie is vastgesteld dat hij zich met zodanige activiteiten inlaat, mits bedoelde persoon het recht heeft in beroep te gaan bij een overeenkomstig de nationale gebruiken ingestelde bevoegde instantie.

Artikel

5

Artikel

7

De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag worden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau medegedeeld en door hem geregistreerd.

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau doet van de volledige bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen en verklaringen van opzegging welke hij heeft geregistreerd overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande artikelen, mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter registratie overeenkomstig het bepaalde in artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

Artikel

12

De Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau brengt, telkens wanneer hij dat noodzakelijk acht, aan de Algemene Conferentie verslag uit over de toepassing van dit Verdrag en onderzoekt of het wenselijk is de gehele of gedeeltelijke herziening ervan op de agenda der Conferentie te plaatsen.

Artikel

13

Artikel

14

De Engelse en Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.

De voorgaande tekst is de authentieke tekst van het Verdrag, naar behoren aangenomen door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie in haar tweeënveertigste zitting, welke werd gehouden te Genève en voor gesloten werd verklaard op 26 juni 1958.

TEN BLIJKE WAARVAN wij onze handtekeningen hebben geplaatst op de vijfde dag van de maand juli 1958: