Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsregering van de Republiek Oostenrijk zijn ter definitieve regeling van nog niet opgeloste vermogensrechtelijke vraagstukken het volgende overeengekomen:

I

II

III

Deze Overeenkomst treedt in werking door middel van een notawisseling, zodra wederzijds aan de grondwettelijke vereisten voor de inwerkingtreding is voldaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden van beide partijen deze Overeenkomst na onderzoek van hun volmachten hebben ondertekend.

GEDAAN te Wenen, de 30ste september 1959 in twee originele exemplaren in de Nederlandse en Duitse taal, zijnde beide teksten authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) H. F. ESCHAUZIER

Voor de Bondsregering van de Republiek Oostenrijk:

(w.g.) KREISKY

Bijlage

's-Gravenhage, 31 augustus 1951.

  • I.

    De Nederlandse Regering is bereid de door het Nederlandse Beheersinstituut op grond van het Besluit Vijandelijk Vermogen (Staatsblad E 133) beheerde vermogensbestanddelen van Oostenrijkse natuurlijke en rechtspersonen, tegen een ter décharge strekkende ontvangstbevestiging 1)Aan het Nederlandse Beheerinstituut.Ik bevestig de ontvangst van mijn tot nu toe krachtens het Nederlands Besluit Vijandelijk Vermogen (Staatsblad E 133) in Nederland beheerde vermogensbestanddelen, onderscheidenlijk het liquidatieprovenu daarvan (als gespecificeerd in de bijlage) en ontsla hiermede het Nederlandse Beheersinstituut van iedere verdere aansprakelijkheid voor een behoorlijk beheer.Datum Ondertekening, wederom in de beschikkingsmacht van de Oostenrijkse belanghebbenden over te dragen, dan wel, indien liquidatie heeft plaats gehad, het op grond van de Nederlandse wettelijke en van overheidswege gegeven voorschriften en met inachtneming van de aan beheerders opgelegde plicht tot zorgvuldig beheer verkregen liquidatieprovenu aan de Oostenrijkse belanghebbenden af te dragen.

  • II.

    In gevallen, waarin door de Oostenrijkse belanghebbenden wordt aangevoerd dat wanbeheer zal hebben plaatsgevonden, zal een welwillend onderzoek worden ingesteld en eventueel een herziening worden gelast.

  • III.

    Met betrekking tot de uit hoofde van het beheer in mindering te brengen kosten wordt het volgende bepaald.

    Ten aanzien van vermogens tot en met f 1000, - (een duizend gulden) wordt niet het minimumtarief van twintig gulden per jaar, doch een tarief van 2 % per jaar, berekend over het vermogen, geheven.

    Indien ook de heffing van een zodanig tarief van 2 % ten aanzien van vermogens tot eenduizend gulden een onbillijkheid moet worden geacht, zal door het Nederlandse Beheersinstituut een heffing tot een lager percentage worden vastgesteld. Voor vermogens boven een duizend gulden worden de volgende tarieven toegepast:

    Ten aanzien van vermogens van f 1000, - tot f 100 000, - bedraagt de jaarlijkse heffing 2 %, van f 100 000, - tot f 500 000, - 1½ % met een minimum van f 2000, - , van f 500 000, - tot f 1 000 000, - 1 % met een minimum van f 7 500, - en van f 1000 000, - af ½ % met een minimum van f 10 000, -. Voor ondernemingen, welke een passief-saldo vertonen, bedraagt de jaarlijkse heffing ½ % van de activa met een minimum van f 20, -. Ten aanzien van negatieve particuliere vermogens wordt geen heffing toegepast. Ten aanzien van grotere vermogens en in bijzondere gevallen kan het Nederlandse Beheersinstituut, indien de heffing van het volle tarief een overmatige belasting ten aanzien van het vermogen zou betekenen, op een daartoe strekkend verzoek een lager tarief vaststellen. Zodanige verzoeken van Oostenrijkse onderdanen zullen door het Nederlandse Beheersinstituut in welwillende overweging worden genomen.

  • IV.

    De nationaliteit van belanghebbenden dient als volgt te worden aangetoond:

    • a)

      ten aanzien van natuurlijke personen door overlegging van een geldig nationaliteitsbewijs;

    • b)

      ten aanzien van rechtspersonen door een verklaring van het Oostenrijkse Bondsministerie van Financiën, waaruit blijkt, dat zij volgens Oostenrijks recht zijn opgericht en hun zetel in Oostenrijk hebben.

  • V.

    Niet voor erkenning komen in aanmerking aanspraken van personen, die op 27 april 1945 de Duitse of Japanse nationaliteit bezaten alsmede van hun rechtsopvolgers. Oostenrijkse natuurlijke personen, wier vermogen wegens een in Nederland gepleegd strafbaar feit bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van een onafhankelijke Nederlandse rechterlijke instantie verbeurdverklaard is, krijgen hun vermogen niet terug. Oostenrijkse onderdanen, die gedurende het tijdvak van 10 mei 1940 tot 5 mei 1945 in Nederland werkzaam zijn geweest hetzij in Duitse militaire dienst hetzij als ambtenaar, beambte, agent, vertegenwoordiger of gemachtigde van het Duitse Rijk, krijgen hun in Nederland aanwezige vermogen terug, aangezien ten aanzien van deze personen in het algemeen van de veronderstelling wordt uitgegaan, dat zij deze werkzaamheden onder dwang hebben verricht. Indien de Nederlandse Regering in uitzonderingsgevallen overwegende bezwaren tegen de teruggave van het in Nederland aanwezige vermogen van zodanige personen mocht hebben, behoudt zij zich het recht voor, alvorens tot teruggave over te gaan, zich met de Oostenrijkse Regering te verstaan ten aanzien van de vraag of de voorwaarden voor de teruggave geheel of gedeeltelijk aanwezig zijn.

  • VI.

    Aan die Oostenrijkse rechtspersonen, waarvan op 27 april 1945 25 % of een groter deel van het kapitaal in Duitse of Japanse handen was, wordt van hun in Nederland aanwezig vermogen slechts dat deel teruggegeven, dat overeenkomt met het percentage van hun kapitaal, dat zich niet in Duitse of Japanse handen bevond. Indien de Duitse of Japanse kapitaalsdeelname minder dan 25% bedraagt, wordt het in Nederland aanwezige vermogen geheel teruggegeven. Voor zover een Duitse of Japanse kapitaalsdeelname werd verkregen als gevolg van de in Oostenrijk in verband met de nationaal-socialistische machtsovername ontstane dwangpositie, zal zodanige kapitaalsdeelname voor de teruggave van in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen niet als Duits of Japans worden beschouwd.

    Ten bewijze van de eigendomsverhouding op 27 april 1945 zullen Oostenrijkse rechtspersonen een verklaring van het Oostenrijkse Bondsministerie van Financiën dienen over te leggen, waaruit eventueel eveneens zal blijken, of een wijziging der eigendomsverhoudingen nà 27 april 1945 heeft plaatsgevonden teneinde een in verband met de nationaal-socialistische machtsovername getroffen dwangmaatregel ongedaan te maken.

    Bij de tenuitvoerlegging van de onderhavige regeling van de teruggave zal op een voor beide partijen bevredigende wijze rekening worden gehouden met de bijzondere positie van de in Nederland geregistreerde octrooien en merken van Oostenrijkse rechtspersonen.

  • VII.

    Voor de beoordeling van de eigendomsverhoudingen wordt aan schijntransacties, waardoor Duits of Japans vermogen naar buiten zou worden gecamoufleerd, ieder rechtsgevolg ontzegd.

    Trustee-verhoudingen worden op overeenkomstige wijze beoordeeld.

  • VIII.

    De Koninklijke Nederlandse Regering behoudt zich het recht voor om vermogensbestanddelen, welke door in het vroegere Rijksmarkengebied gedomicilieerde Oostenrijkse onderdanen gedurende het tijdvak van 1 april 1941 tot 5 mei 1945 door middel van overmakingen van Rijksmarken werden verkregen, overeenkomstig de Wet Herstel Vermogensovergang Rijksmarkengebied (Staatsblad 251) van de teruggave uit te sluiten.

    Voor zodanige van teruggave uitgesloten vermogensbestanddelen zal een schadevergoeding ten bedrage van het destijds voor de aankoop aangewende Rijksmarkenbedrag, omgerekend in Oostenrijkse Schillingen op de basis van 1:1, vermeerderd met 5% rente per jaar, te rekenen van het tijdstip van eigendomsovergang overeenkomstig het Besluit Vijandelijk Vermogen (Staatsblad E 133), worden betaald in Nederlandse guldens omgerekend tegen de dagkoers.

    In gevallen van onbillijkheid zal worden gehandeld overeenkomstig het bepaalde in art. 5 van de Nederlandse Wet H 251.

    Voor zover de verwerving ten dele op andere wijze heeft plaats gevonden dan door middel van overmaking van Rijksmarken, zal de huidige waarde van het gehele vermogen ten volle in Nederlandse guldens worden vergoed.

    De in deze paragraaf vastgestelde regeling zal op overeenkomstige wijze worden toegepast, indien de verwerving door middel van overmaking van Tsjechoslowaakse Kronen heeft plaats gevonden. In zodanige gevallen wordt de Tsjechoslowaakse Kroon eerst in Rijksmarken omgerekend tegen de destijds geldende koers (1 RM = čK 10).

  • IX.

    In gevallen, waarin het Nederlandse Beheersinstituut binnen het kader van zijn bevoegdheden over in Nederland ten gunste van Oostenrijkse natuurlijke en rechtspersonen ingeschreven octrooien en merken heeft beschikt door verlening van gratis licenties resp. door toestemming tot doorhaling, en waarin dientengevolge een herstel van Oostenrijkse rechten niet zonder meer kan geschieden, is de Nederlandse Regering bereid om, voor zover zulks voor haar mogelijk is, tot herstel van deze Oostenrijkse rechten mede te werken dan wel haar medewerking daartoe te verlenen, dat bevredigende regelingen tussen de tegenwoordige begunstigden en de Oostenrijkse belanghebbenden tot stand worden gebracht.