Europese Overeenkomst betreffende de uitwisseling van programma's door middel van televisiefilms

European Agreement concerning programme exchanges by means of television films

The Governments signatory hereto, being Members of the Council of Europe,

Considering that the aim of the Council of Europe is to achieve a greater unity between its Members;

Considering that it is important in the interests of European cultural and economic unity that programmes may be exchanged by means of television films between the member countries of the Council of Europe as freely as possible;

Considering that national legislations allow different conclusions as regards the legal nature of television films and as regards the rights which they grant in respect of such films;

Considering that it is necessary to resolve the difficulties arising from this situation;

Having regard to Article 20 of the Berne Convention for the Protection of Literary and Artistic Works, by the terms of which the Governments of the countries of the Union reserve to themselves the right to enter into special arrangements which do not embody stipulations contrary to that Convention,

Have agreed as follows:

Article

1

In the absence of any contrary or special stipulation within the meaning of Article 4 of the present Agreement, a broadcasting organisation under the jurisdiction of a country which is a Party to this Agreement has the right to authorise in the other countries which are Parties thereto the exploitation for television of television films of which it is the maker.

Article

2

Article

3

Article

4

By “contrary or special stipulation” is meant any restrictive condition agreed between the maker and persons who contribute to the making of the television film.

Article

5

This Agreement shall not affect the following rights, which shall be entirely reserved:

  • (a)

    any moral right recognised in relation to films;

  • (b)

    the copyright in literary, dramatic or artistic works from which the television film is derived;

  • (c)

    the copyright in a musical work, with or without words, acompanying a television film;

  • (d)

    the copyright in films other than television films;

  • (e)

    the copyrights in the exploitation of television films otherwise than on television.

Article

6

Article

7

Article

8

Article

9

Signature without reservation in respect of ratification, ratification or accession shall imply full acceptance of all the provisions of this Agreement.

Article

10

The Secretary-General of the Council of Europe shall notify Members of the Council, the Governments of any countries which may have acceded to this Agreement and the Director of the Bureau of the International Union for the Protection of Literary and Artistic Works:

  • (a)

    of the date of entry into force of this Agreement and the names of any Members of the Council which have become Parties thereto;

  • (b)

    of the deposit of any instruments of accession in accordance with Article 8 of the present Agreement;

  • (c)

    of any declaration or notification received in accordance with Articles 11 and 12 thereof.

Article

11

Article

12

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Agreement.

DONE at Paris, this 15th day of December 1958, in English and French, both texts being equally authoritative, in a single copy, which shall remain in the archives of the Council of Europe and of which the Secretary-General shall send certified copies to each of the signatory and acceding Governments and to the Director of the International Bureau for the Protection of Literary and Artistic Works.

Europese Overeenkomst betreffende de uitwisseling van programma's door middel van televisiefilms

De Regeringen die deze Overeenkomst hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,

Overwegende, dat het doel van de Raad van Europa is een grotere eenheid tussen de Leden tot stand te brengen;

Overwegende, dat de Europese culturele en economische eenwording in hoge mate zou zijn gediend bij een zo ruim mogelijke uitwisseling van programma's tussen de bij de Raad van Europa aangesloten landen door middel van televisiefilms;

Overwegende, dat de binnenlandse wetten onderling verschillende interpretaties toelaten betreffende het juridisch karakter van televisiefilms en betreffende de rechten welke deze wetten op dit gebied toekennen;

Overwegende, dat het noodzakelijk is de uit deze situatie voortkomende moeilijkheden op te lossen;

Gelet op artikel 20 van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, waarbij de Regeringen van de landen van het Verbond zich het recht voorbehouden onderling bijzondere regelingen te treffen, die geen met bovengenoemde Conventie strijdige bepalingen bevatten;

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel

1

Bij het ontbreken van een tegengestelde of bijzondere bepaling in de zin van artikel 4 van deze Overeenkomst, heeft een radiozendorganisatie die onderworpen is aan de rechtsmacht van een land dat Partij is bij deze Overeenkomst, het recht in de andere daarbij Partij zijnde landen ten behoeve van de televisie de exploitatie toe te staan van televisiefilms welke zij heeft vervaardigd.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Onder „tegengestelde of bijzondere bepaling” wordt iedere beperkende voorwaarde verstaan, die is overeengekomen tussen de maker en de aan de vervaardiging van de televisiefilm medewerkende personen.

Artikel

5

De navolgende rechten worden door deze Overeenkomst niet aangetast en blijven ten volle voorbehouden:

  • (a)

    alle zedelijke rechten welke met betrekking tot films worden erkend;

  • (b)

    de auteursrechten op de letterkundige werken, toneelwerken en kunstwerken waarnaar de televisiefilm is gemaakt;

  • (c)

    de auteursrechten op het muziekwerk, met of zonder woorden, hetwelk de televisiefilm begeleidt;

  • (d)

    de auteursrechten betreffende andere dan televisiefilms;

  • (e)

    de auteursrechten betreffende andere exploitatie van televisiefilms dan ten behoeve van de televisie.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, bekrachtiging of toetreding houdt volledige aanvaarding van alle bepalingen van deze Overeenkomst in.

Artikel

10

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet de Leden van de Raad, de Regeringen van alle landen die tot deze Overeenkomst zijn toegetreden en de Directeur van het Bureau van het Internationale Verbond voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst mededeling van:

  • (a)

    de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst en de namen van de Leden van de Raad die er Partij bij zijn geworden;

  • (b)

    de nederlegging van alle akten van toetreding overeenkomstig artikel 8 van deze Overeenkomst;

  • (c)

    iedere verklaring of kennisgeving ontvangen overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van deze Overeenkomst.

Artikel

11

Artikel

12

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Parijs, de 15e december 1958, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk gezaghebbend, in één exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa en waarvan de Secretaris-Generaal een gewaarmerkt afschrift zal doen toekomen aan alle Regeringen die deze Overeenkomst hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden, alsmede aan de Directeur van het Internationale Bureau voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst.