Artikel
I
1
Het Verdrag is van toepassing
-
a)
op die veldgedeelten, welke volgens de aan dit Verdrag gehechte kaart blauw gearceerd en door de punten 3a, 4, 5, 6, 6a, 12 en 3 a omsloten zijn, en
-
b)
op die steenkolenvelden, welke op de kaart groen gearceerd zijn en tussen de Nederlands-Duitse landsgrens en de op bijgaande kaart aangegeven verbindingslijn tussen de grenspunten 213 en 227a liggen. Deze kaart vormt een onderdeel van het Verdrag.
2
De in lid 1, onder a), genoemde veldgedeelten worden naar de diepte begrensd door het niveau -800 m Nieuw-Amsterdams Peil.
3
Voor de ontginning van deze steenkolenvelden, resp. gedeelten daarvan, wordt onafhankelijk van de landsgrens en de bij het Nederlands-Duits Verdrag van 17-5-1939 vastgestelde ontginningsgrens voor het ondergronds bedrijf een nieuwe ontginningsgrens overeengekomen. Deze wordt gevormd door de op aangehechte kaart oostelijk van de landsgrens, resp. oude ontginningsgrens van 1939 lopende nieuwe grenslijn. Als ontginningsgrens naar de diepte wordt voor de in lid 1, onder a), genoemde veldgedeelten het niveau -800 m Nieuw-Amsterdams Peil vastgesteld.
4
De ontginningsgrens voor de in lid 1, onder a), genoemde veldgedeelten mag van Duitse zijde worden overschreden en wel:
-
a)
tussen de punten 3 en 12 ten behoeve van de ontginning van de tussen deze punten en de storing, die de westelijke begrenzing vormt van de Nordstern-slenk, gelegen laaggedeelten en ten behoeve van de hiervoor noodzakelijke ontsluiting tot aan het daadwerkelijke verloop van de genoemde storing;
-
b)
tussen de punten 6a en 12 ten behoeve van de ontginning van de tussen deze punten en de Adolf-storing gelegen laaggedeelten en ten behoeve van de hiervoor noodzakelijke ontsluiting tot aan het daadwerkelijke verloop van de genoemde storing;
-
c)
in de diepte ten behoeve van de ontginning van laag Plasshofsbank en de daaronder gelegen lagen alsook ten behoeve van de hiervoor noodzakelijke ontsluiting.