Verdrag tot eenmaking van enige regelen betreffende de strafrechtelijke bevoegdheid in zaken van aanvaring en andere scheepvaartongevallen

International Convention for the unification of certain rules relating to penal jurisdiction in matters of collision or other incidents of navigation, signed in Brussels, on May 10, 1952

The High Contracting Parties,

Having recognised the advisability of establishing by agreement certain uniform rules relating to penal jurisdiction in matters of collision or other incidents of navigation, have decided to conclude a Convention for this purpose and thereto have agreed as follows:

Article

1

In the event of a collision or any other incident of navigation concerning a sea-going ship and involving the penal or disciplinary responsibility of the master or of any other person in the service of the ship, criminal or disciplinary proceedings may be instituted only before the judicial or administrative authorities of the State of which the ship was flying the flag at the time of the collision or other incident of navigation.

Article

2

In the case provided for in the preceding Article, no arrest or detention of the vessel shall be ordered, even as a measure of investigation, by any authorities other than those whose flag the ship was flying.

Article

3

Nothing contained in this Convention shall prevent any State from permitting its own authorities, in cases of collision or other incidents of navigation, to take any action in respect of certificates of competence or licences issued by that State or to prosecute its own nationals for offences committed while on board a ship flying the flag of another State.

Article

4

This Convention does not apply to collisions or other incidents of navigation occurring within the limits of a port or in inland waters.

Furthermore the High Contracting Parties shall be at liberty, at the time of signature, ratification or accession to the Convention, to reserve to themselves the right to take proceedings in respect of offences committed within their own territorial waters.

Article

5

The High Contracting Parties undertake to submit to arbitration any disputes between States arising out of the interpretation or application of this Convention, but this shall be without prejudice to the obligations of those High Contracting Parties who have agreed to submit their disputes to the International Court of Justice.

Article

6

This Convention shall be open for signature by the States represented at the Ninth Diplomatic Conference on Maritime Law. The protocol of signature shall be drawn up through the good offices of the Belgian Ministry of Foreign Affairs.

Article

7

This Convention shall be ratified and the instruments of ratification shall be deposited with the Belgian Ministry of Foreign Affairs which shall notify all signatory and acceding States of the deposit of any such instruments.

Article

8

Article

9

Any State not represented at the Ninth Diplomatic Conference on Maritime Law may accede to this Convention.

The accession of any State shall be notified to the Belgian Ministry of Foreign Affairs which shall inform through diplomatic channels all signatory and acceding States of such notification.

The Convention shall come into force in respect of the acceding State six months after the date of the receipt of such notification but not before the Convention has come into force in accordance with the provisions of Article 8 a.

Article

10

Any High Contracting Party may three years after the coming into force of this Convention in respect of such High Contracting Party or at any time thereafter request that a conference be convened in order to consider amendments to the Convention.

Any High Contracting Party proposing to avail itself of this right shall notify the Belgian Government which shall convene the conference within six months thereafter.

Article

11

Any High Contracting Party shall have the right to denounce this Convention at any time after the coming into force thereof in respect of such High Contracting Party. This denunciation shall take effect one year after the date on which notification thereof has been received by the Belgian Government which shall inform through diplomatic channels all the other High Contracting Parties of such notification.

Article

12

DONE at Brussels, in a single copy, May 10, 1952, in the French and English languages, the two texts being equally authentic.

Verdrag tot eenmaking van enige regelen betreffende de strafrechtelijke bevoegdheid in zaken van aanvaring en andere scheepvaartongevallen, ondertekend te Brussel op 10 mei 1952

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

De wenselijkheid erkend hebbende in gemeen overleg enige eenvormige regelen vast te stellen betreffende de strafrechtelijke bevoegdheid in zaken van aanvaring en andere scheepvaartongevallen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

1

In geval van een aanvaring of van enig ander scheepvaartongeval, waarbij een zeeschip is betrokken en waarbij de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de kapitein of van enige andere persoon in dienst van het schip in het geding is, kan een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vervolging alleen worden ingesteld ten overstaan van de gerechtelijke of administratieve autoriteiten van de Staat waarvan het schip op het tijdstip van de aanvaring of een ander scheepvaartongeval de vlag voerde.

Artikel

2

In het geval bedoeld in het voorgaande artikel kan een schip niet worden in beslag genomen noch worden vastgehouden, zelfs niet bij wijze van maatregel van onderzoek, door de autoriteiten van een ander land dan dat welks vlag het schip voerde.

Artikel

3

Geen bepaling van dit Verdrag belet een Staat zijn eigen autoriteiten de bevoegdheid te verlenen in geval van aanvaring of van een ander scheepvaartongeval maatregelen te treffen met betrekking tot de bewijzen van bevoegdheid en de vergunningen die hij heeft verleend, of zijn eigen onderdanen te vervolgen voor overtredingen die zij hebben begaan terwijl zij zich aan boord bevonden van een schip dat de vlag van een andere Staat voerde.

Artikel

4

Dit Verdrag is niet van toepassing op aanvaringen of andere scheepvaartongevallen die hebben plaatsgevonden in havens, op reden en op binnenwateren.

Daarnevens kunnen de Hoge Verdragsluitende Partijen bij de ondertekening, bij de nederlegging van de akten van bekrachtiging of van toetreding tot het Verdrag zich het recht voorbehouden overtredingen te vervolgen die op hun eigen territoriale wateren zijn begaan.

Artikel

5

De Hoge Verdragsluitende Partijen nemen de verplichting op zich alle geschillen tussen Staten die kunnen voortvloeien uit de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag aan een scheidsrechterlijke uitspraak te onderwerpen, onverminderd evenwel de verplichtingen van de Hoge Verdragsluitende Partijen die zijn overeengekomen hun geschillen voor te leggen aan het Internationale Hof van Justitie.

Artikel

6

Dit Verdrag staat ter ondertekening open voor de Staten, vertegenwoordigd op de negende Diplomatieke Zeerechtconferentie. Het proces-verbaal van ondertekening wordt opgemaakt door de zorg van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België.

Artikel

7

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd en de akten van bekrachiging worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België; dit geeft van die nederlegging kennis aan alle ondertekenende en toetredende Staten.

Artikel

8

Artikel

9

Elke Staat die niet vertegenwoordigd is geweest op de negende Diplomatieke Zeerechtconferentie, kan tot dit Verdrag toetreden.

De toetredingen worden medegedeeld aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van België; dit stelt langs de diplomatieke weg alle ondertekenende en toetredende Staten daarvan in kennis.

Het Verdrag treedt voor de toetredende Staat in werking zes maanden na ontvangst van die mededeling, doch niet vóór de dag van zijn inwerkingtreding overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, a).

Artikel

10

Elke Hoge Verdragsluitende Partij kan, na verloop van drie jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te haren opzichte, de bijeenroeping verzoeken van een Conferentie die tot taak zal hebben te beslissen over voorstellen tot herziening van dit Verdrag.

Elke Hoge Verdragsluitende Partij die van deze bevoegdheid gebruik wenst te maken doet daarvan mededeling aan de Belgische Regering; deze belast zich met het bijeenroepen van de Conferentie binnen zes maanden.

Artikel

11

Elke Hoge Verdragsluitende Partij heeft het recht dit Verdrag op elk tijdstip nadat het voor haar in werking is getreden op te zeggen. Deze opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst door de Belgische Regering van de kennisgeving van opzegging; deze stelt de andere Verdragsluitende Partijen langs de diplomatieke weg daarvan in kennis.

Artikel

12

GEDAAN te Brussel de 10de mei 1952 in één exemplaar in de Franse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.