Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika

Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika,

verlangend de banden van vrede en vriendschap, welke van oudsher tussen hen bestaan, te versterken en nauwere economische en culturele betrekkingen tussen hun volkeren aan te moedigen, en zich bewust van de bijdragen welke te dien einde kunnen worden geleverd door overeenkomsten welke wederzijds voordelig handelsverkeer bevorderen, beleggingen tot wederzijds voordeel aanmoedigen en wederzijds rechten en voorrechten vastleggen,

hebben besloten een Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart te sluiten, waaraan in het algemeen de beginselen van het wederzijds toekennen van nationale behandeling en van onvoorwaardelijke meestbegunstiging ten grondslag liggen,

en hebben te dien einde benoemd als hun Gevolmachtigden:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Z.E. Mr. J. W. Beyen, Minister van Buitenlandse Zaken, en

Z.E. Mr. J. M. A. H. Luns, Minister zonder Portefeuille,

en de President van de Verenigde Staten van Amerika:

Z.E. de Heer H. Freeman Matthews, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur van de Verenigde Staten van Amerika te 's-Gravenhage,

die, na elkander hun volmachten te hebben overgelegd, welke in orde werden bevonden, als volgt zijn overeengekomen:

Artikel

I

Artikel

II

Artikel

III

Artikel

IV

Artikel

V

Artikel

VI

Artikel

VII

Artikel

VIII

Artikel

IX

Artikel

X

Artikel

XI

Artikel

XII

Artikel

XIII

Handelsreizigers, die onderdanen en vennootschappen van de ene Partij vertegenwoordigen, die binnen het grondgebied daarvan zaken doen, zullen bij toelating tot en vertrek uit het grondgebied van de andere Partij en gedurende hun verblijf aldaar, de behandeling van de meestbegunstigde natie genieten met betrekking tot douane- en andere aangelegenheden, met inbegrip van — onverminderd de uitzonderingen, voorzien in lid 5 van artikel XI — belastingen en heffingen, welke van toepassing zijn op henzelf, hun monsters en het aannemen van orders, en van de voorschriften, waaraan de uitoefening van hun beroep is onderworpen.

Artikel

XIV

Artikel

XV

Artikel

XVI

Artikel

XVII

Artikel

XVIII

Artikel

XIX

Artikel

XX

Artikel

XXI

Er zal vrijheid van doorreis en doorvoer bestaan door het grondgebied van de ene Partij langs de daarvoor in het internationale verkeer meest geschikte wegen: (a) voor onderdanen van de andere Partij met hun bagage; (b) voor andere personen met hun bagage op weg naar of van het grondgebied van die andere Partij; en (c) voor goederen van welke oorsprong ook op hun weg naar of van het grondgebied van die andere Partij. Die personen en zaken op doorreis of in doorvoer zullen vrij zijn van in- en uitvoerrechten, van rechten geheven wegens doorvoer en van onredelijke heffingen en vereisten en zullen niet onnodig worden opgehouden of aan onnodige beperkingen onderworpen. Zij zullen evenwel zijn onderworpen aan maatregelen als bedoeld in lid 4 van artikel II en aan niet discriminerende voorschriften, welke nodig zijn om misbruik van het voorrecht van doorreis of doorvoer te voorkomen.

Artikel

XXII

Artikel

XXIII

Artikel

XXIV

Het grondgebied, waarop dit Verdrag van toepassing is, omvat alle landstreken en wateren onder de rechtsmacht van ieder der Partijen alsook ieder gebied, waarvoor zij internationaal verantwoordelijk is, met uitzondering van de Panama Kanaal Zone en het Trust-gebied van de Stille Zuidzee-eilanden, met dien verstande, dat het niet eerder van toepassing is op onderscheidenlijk Suriname of de Nederlandse Antillen dan na een maand nadat de Regering van de Verenigde Staten van Amerika de kennisgeving heeft ontvangen, dat het Koninkrijk der Nederlanden het Verdrag daarop zal toepassen.

Artikel

XXV

Artikel

XXVI

Dit Verdrag treedt in de plaats van het Verdrag van handel en scheepvaart, ondertekend te Washington 26 augustus 1852, en de overeenkomst met betrekking tot handelsmerken bij notawisseling, ondertekend te Washington 10 en 16 februari 1883.

Artikel

XXVII

TEN BLIJKE WAARVAN de onderscheidene Gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend en daaraan hun zegel hebben gehecht.

GEDAAN in tweevoud in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, te 's-Gravenhage, de 27e maart 1956.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS (w.g.) J. W. BEYEN

Voor de Verenigde Staten van Amerika:

(w.g.) H. FREEMAN MATTHEWS

Protocol

Bij het ondertekenen van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika hebben de ondergetekende Gevolmachtigden, behoorlijk gemachtigd door hun onderscheidene Regeringen, verder overeenstemming bereikt ten aanzien van de volgende bepalingen, welke zullen worden geacht een integrerend deel van genoemd Verdrag uit te maken:

  • 1.

    De echtgenoot of echtgenote en de ongehuwde minderjarige kinderen van een persoon, die overeenkomstig de bepalingen van artikel II, lid 1 (a) en (b), is toegelaten, zullen eveneens worden toegelaten, indien zij hem of haar vergezellen of voor gezinshereniging nareizen.

  • 2.

    De bepalingen van artikel II, lid 1 (b), zijn eveneens van toepassing op personen, die onderdanen en vennootschappen van eigen nationaliteit, welke een aanzienlijk kapitaal hebben belegd of daadwerkelijk bezig zijn zulks te doen in een onderneming binnen het grondgebied van de andere Partij, vertegenwoordigen en te hunnen dienste werkzaam zijn in een verantwoordelijke functie.

  • 3.

    Met betrekking tot artikel II, lid 1, en de eerste zin van artikel VIII, lid 1, zullen onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in een Deel van het Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa dezelfde behandeling genieten als Nederlandse onderdanen, die niet in dat Deel zijn geboren.

  • 4.

    De bepalingen van artikel IV, lid 2, hebben alleen betrekking op wetten en voorschriften, welke hetzij nationale wetten of voorschriften zijn of geheel of gedeeltelijk berusten op bepalingen van nationale wetten of voorschriften. Voorts sluit dat lid niet de mogelijkheid uit, dat ieder der Partijen vreemdelingen, die tijdelijk ingezetenen van haar grondgebied zijn, niet doet vallen onder haar stelsel van sociale verzekering, welke het betalen van een premie voorschrijft.

  • 5.

    Het recht bedoeld in artikel V, lid 1, omvat onder meer het recht op rechtskundige bijstand, op kosteloos procederen en op vrijstelling van het storten van een waarborgsom voor de kosten.

  • 6.

    De bepalingen van artikel VI, lid 4, welke voorzien in de betaling van schadevergoeding, zijn eveneens van toepassing op belangen, welke onderdanen en Vennootschappen van ieder der Partijen rechtstreeks of middellijk bezitten in eigendommen, welke binnen het grondgebied van de andere Partij worden onttrokken aan belanghebbenden.

  • 7.

    De bepalingen van artikel VII leggen geen van beide Partijen de verplichting binnen haar grondgebied op aan onderdanen en vennootschappen van de andere Partij toe te staan zakelijke activiteit te ontwikkelen zonder te voldoen aan de algemeen geldende wettelijke voorschriften.

  • 8.

    De uitoefening van een beroep valt niet onder de activiteit bedoeld in artikel VII, lid 1.

  • 9.

    Met betrekking tot artikel VII, lid 1, is het wel verstaan, dat ieder der Partijen, in overeenstemming met de woorden en de geest van dit Verdrag, bijzondere eisen kan stellen aan buitenlandse verzekeringsmaatschappijen, ten einde een mate van verantwoording en solvabiliteit te waarborgen vergelijkbaar met die, welke van soortgelijke binnenlandse maatschappijen wordt geëist, mits die eisen niet tot gevolg hebben, dat in wezen wordt gediscrimineerd ten nadele van die buitenlandse maatschappijen.

  • 10.

    Partijen zijn overeengekomen, dat de eerste zin van artikel VII, lid 2, op voet van wederkerigheid, niet van toepassing is op de vestiging van, of het verkrijgen van belangen in, of de beheersing van, de bedrijfsuitoefening van en de leiding van vennootschappen van de ene Partij met het doel petroleum en andere delfstoffen op te sporen en te ontginnen binnen het grondgebied van die Partij, door onderdanen of vennootschappen van de andere Partij.

  • 11.

    De bepalingen van de eerste zin van artikel VIII, lid 1, laten onverlet het recht van Nederland voor te schrijven, dat vreemdelingen in Nederland slechts mogen worden tewerkgesteld, mits de vereiste vergunningen zijn verkregen. De voorschriften betreffende tewerkstelling zullen echter, in overeenstemming met de bepalingen van bedoeld lid, soepel worden toegepast.

  • 12.

    Dit Verdrag vervangt generlei bepaling van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot inkomsten- en zekere andere belastingen, ondertekend te Washington 29 april 1948.

  • 13.

    De behandeling, bedoeld in artikel XII, lid 1, juncto de bepalingen van artikel XXIII, lid 1 en lid 2, heeft alleen de strekking discriminatie op grond van nationaliteit uit te sluiten en sluit bij voorbeeld niet uit een verschillende behandeling van verschillende geldsoorten of naar plaats van ingezetenschap.

  • 14.

    Ieder der Partijen mag de beperkingen stellen aan de invoer van buitenlands kapitaal, welke eventueel nodig zijn om haar monetaire reserves overeenkomstig artikel XII, lid 2, te beschermen of om ernstige monetaire verstoringen, voortvloeiende uit speculatieve financiële handelingen, te voorkomen.

  • 15.

    Wat betreft artikel XVII, lid 1, is het wel verstaan, dat, onder een commerciële overweging mede wordt begrepen het kunnen beschikken over middelen tot betaling.

  • 16.

    De bepalingen van artikel XVII, lid 2 (b) en (c), en van artikel XIX, lid 3, zijn niet van toepassing op postdiensten.

  • 17.

    Partijen zijn overeengekomen, dat onder het woord lading, als gebruikt in artikel XIX, lid 2 en lid 3, zowel passagiers als goederen zijn begrepen.

  • 18.

    Wat betreft artikel XXII, lid 1 (d), is het wel verstaan, dat het voorbehoud omtrent veiligheidsoverwegingen niet ten doel heeft een grond op te leveren om bovenmatig lange tijd af te wijken van een bepaling van het Verdrag. Anderzijds maakt ieder der Partijen naar eigen beste weten uit, welke maatregelen zij noodzakelijk acht ter bescherming van haar wezenlijke belangen in verband met haar veiligheid.

  • 19.

    De bepalingen van artikel XXII, lid 2, zijn van toepassing op Puertorico, ongeacht de wijzigingen, welke zich mochten voltrekken in zijn politieke status.

  • 20.

    Artikel XXIV is niet van toepassing op een gebied onder het gezag van een der Partijen, alleen als militaire basis of wegens tijdelijke militaire bezetting.

TEN BLIJKE WAARVAN de onderscheidene Gevolmachtigden dit Protocol hebben ondertekend en daaraan hun zegel hebben gehecht.

GEDAAN in tweevoud in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, te 's-Gravenhage, de 27e maart 1956.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) J. W. BEYEN

Voor de Verenigde Staten van Amerika:

(w.g.) H. FREEMAN MATTHEWS

No. I

MINISTRY OF FOREIGN AFFAIRS

The Hague, 27th March 1956.

Excellency:

We have the honor to refer to the negotiations leading to the conclusion of the Treaty of Friendship, Commerce and Navigation signed this day, during the course of which extensive conversations were held between the representatives of the two countries concerning the most-favored-nation aspects of the Treaty in relation to forwardlooking regional arrangements designed to bring closer cooperation, or integration, among European countries.

The common view emerging from these conversations is that European regional arrangements which do not involve the raising of barriers of any kind to intercourse with the rest of the world but which are designed to promote peace and prosperity, to expand trade, to increase productivity and to raise standards of living, are mutually advantageous. Accordingly, it is recognized in principle that the Netherlands should continue to be able to participate in European regional arrangements which serve these aims and the broad interests of both Parties, even though the Netherlands may thereunder be obliged to grant some reciprocal advantages to other participating countries which it is unable to grant to non-participating countries.

It is determined that any necessary reconciliation between the terms of the Treaty and existing European arrangements in which the Netherlands now participates is adequately provided in Article XXII, paragraph 4. It is agreed that, should this provision be insufficient to meet future contingencies, the two Parties will at the request of either Party consult with a view to determining what further adjustments might be necessary. Should such consultation fail to lead to a mutually satisfactory result, either Party, notwithstanding the provisions of Article XXVII, shall be entitled to suspend the operation of particular most-favored-nation provisions of the Treaty to the extent deemed appropriate to the situation, upon giving two months' written notice to the other Party. With respect to the subject matter of any provision so affected, however, it would be the policy of the Parties to proceed in general as follows: The United States of America would accord to the Kingdom of the Netherlands treatment no less favorable in like situations than that accorded other countries participating in the arrangement in question, and the Kingdom of the Netherlands would accord to the United States of America treatment no less favorable in like situations than that accorded countries not so participating.

If the above is acceptable to the United States Government, we have the honor to suggest that this note and your Excellency's reply to that effect shall be considered as constituting an agreement between our two Governments, forming an integral part of the above-mentioned Treaty.

Please accept, Excellency, the renewed assurances of our highest consideration and esteem.

(sd.) J. LUNS

(sd.) J. W. BEYEN

To His Excellency

Mr. H. Freeman Matthews,

Ambassador extraordinary and plenipotentiary

of the United States of America

at The Hague.

No. I

MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

's-Gravenhage, 27 maart 1956.

Excellentie,

Wij hebben de eer te verwijzen naar de onderhandelingen, welke geleid hebben tot het sluiten van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart, dat vandaag is ondertekend; in de loop dezer onderhandelingen werd uitvoerig van gedachten gewisseld tussen de vertegenwoordigers van onze beide landen over de meestbegunstigingsaspecten van het Verdrag in verband met op de toekomst gerichte regionale overeenkomsten, welke ten doel hebben nauwere samenwerking tussen, of integratie van Europese landen tot stand te brengen.

Deze gedachtenwisselingen hebben geleid tot het gemeenschappelijk inzicht, dat Europese regionale overeenkomsten, welke niet meebrengen dat hinderpalen van welke aard ook worden opgeworpen voor het verkeer met de rest van de wereld, doch ten doel hebben vrede en welvaart te bevorderen, de handel uit te breiden, de produktiviteit op te voeren en de levensstandaard te verhogen, strekken tot wederzijds voordeel. Dienovereenkomstig wordt in beginsel erkend, dat Nederland in de gelegenheid moet zijn ook in de toekomst deel te nemen aan Europese regionale overeenkomsten, welke dienstig zijn aan de verwezenlijking van die doelstellingen en in brede trekken aan de belangen van beide Partijen ondanks het feit dat Nederland krachtens die overeenkomsten verplicht zou kunnen zijn enige voordelen op basis van wederkerigheid toe te kennen aan andere deelnemende landen, welke voordelen Nederland niet kan geven aan niet-deelnemende landen.

Vastgesteld is, dat, voorzover aanpassing tussen de bepalingen van het Verdrag en de bestaande Europese overeenkomsten, waarbij Nederland thans partij is, noodzakelijk mocht zijn, artikel XXII, lid 4, daarin op voldoende wijze voorziet. Overeengekomen is dat, indien deze voorziening onvoldoende mocht zijn om toekomstige onvoorziene verwikkelingen tot oplossing te brengen, de Partijen, op het verzoek van een van beiden, overleg zullen plegen om vast te stellen, welke verdere aanpassingen noodzakelijk zouden kunnen zijn. Zou dat overleg niet leiden tot een wederzijds bevredigend resultaat, dan zal ieder der Partijen, ondanks de bepalingen van artikel XXVII, gerechtigd zijn de werking van specifieke meestbegunstigingsbepalingen van het Verdrag op te schorten in de mate, welke onder de omstandigheden passend wordt geoordeeld door een schriftelijke kennisgeving aan de andere Partij met een termijn van twee maanden. Ten aanzien van de materie, waarop een aldus opgeschorte bepaling betrekking heeft, zullen echter in het algemeen de volgende gedragslijnen door Partijen worden in achtgenomen: de Verenigde Staten van Amerika zullen aan het Koninkrijk der Nederlanden een behandeling toekennen, welke niet minder gunstig zal zijn dan die, welke in overeenkomstige omstandigheden wordt toegekend aan andere landen welke partij zijn in de betreffende overeenkomst, en het Koninkrijk der Nederlanden zal aan de Verenigde Staten van Amerika een behandeling toekennen welke niet minder gunstig zal zijn dan die, welke in Overeenkomstige omstandigheden wordt toegekend aan niet-deelnemende landen.

Indien het bovenstaande voor de Regering van de Verenigde Staten van Amerika aanvaardbaar is, hebben wij de eer voor te stellen, dat deze nota en Uwer Excellentie's daartoe strekkend antwoord, zullen worden beschouwd een overeenkomst te vormen tussen onze beide Regeringen, welke een integrerend deel uitmaakt van het bovenvermelde Verdrag.

Gelief, Excellentie, de hernieuwde verzekering van onze bijzondere hoogachting en waardering te aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) J. W. BEYEN

Aan Zijne Excellentie

de Heer H. Freeman Matthews,

buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur

van de Verenigde Staten van Amerika

te 's-Gravenhage.

No. II

AMERICAN EMBASSY

The Hague, 27th March 1956.

Excellencies:

I have the honor to acknowledge the receipt of your Excellencies' note of to day, which reads as follows:

“We have the honor to refer to the negotiations lealing to the conclusion of the Treaty of Friendship, Commerce and Navigation signed this day, during the course of which extensive conversations were held between the representatives of the two countries concerning the most-favored-nation aspects of the Treaty in relation to forwardlooking regional arrangements designed to bring closer cooperation, or integration, among European countries.

“The common view emerging from these conversations is that European regional arrangements which do not involve the raising of barriers of any kind to intercourse with the rest of the world but which are designed to promote peace and prosperity, to expand trade, to increase productivity and to raise standards of living, are mutually advantageous. Accordingly, it is recognized in principle that the Netherlands should continue to be able to participate in European regional arrangements which serve these aims and the broad interests of both Parties, even though the Netherlands may thereunder be obliged to grant some reciprocal advantages to other participating countries which it is unable to grant to non-participating countries.

“It is determined that any necessary reconciliation between the terms of the Treaty and existing European arrangements in which the Netherlands now participates is adequately provided in Article XXII, paragraph 4. It is agreed that, should this provision be insufficient to meet future contingencies, the two Parties will at the request of either Party consult with a view to determining what further adjustments might be necessary. Should such consultation fail to lead to a mutually satisfactory result, either Party, notwithstanding the provisions of Article XXVII, shall be entitled to suspend the operation of particular most-favored-nation provisions of the Treaty to the extent deemed appropriate to the situation, upon giving two months' written notice to the other Party. With respect to the subject matter of any provision so affected, however, it would be the policy of the Parties to proceed in general as follows: The United States of America would accord to the Kingdom of the Netherlands treatment no less favorable in like situations than that accorded other countries participating in the arrangement in question, and the Kingdom of the Netherlands would accord to the United States of America treatment no less favorable in like situations than that accorded countries not so participating.

“If the above is acceptable to the United States Government, we have the honor to suggest that this note and your Excellency's reply to that effect shall be considered as constituting an agreement between our two Governments, forming an integral part of the above-mentioned Treaty.”

I have the honor to inform your Excellencies that the contents of your Excellencies' note are acceptable to my Government and I herewith confirm that your Excellencies' note and the present reply thereto shall be considered as constituting an agreement between our two Governments, forming an integral part of the above-mentioned Treaty.

As your Excellencies are aware, the United States Government welcomes progress in the development of European cooperation and integration insofar as arrangements for cooperation and integration contribute to a freer flow of trade, a more efficient use of manpower and materials, and greater unity. In this connection, it may be recalled that the United States Government has given concrete support to such organizations as the European Coal and Steel Community and concurred in the waiver relative thereto granted by the CONTRACTING PARTIES to the General Agreement on Tariffs and Trade, bearing in mind the benefits expected to accrue from arrangements designed to create a dynamic competitive common market within the Community and to insure sound economic relations between the Community and outside countries. The United States Government is prepared to consider sympathetically in the same spirit other proposals which the Kingdom of the Netherlands might make.

Please accept, Excellencies, the renewed assurances of my highest consideration and esteem.

(sd.) H. FREEMAN MATTHEWS

To Their Excellencies

Mr. J. W. Beyen, Minister of Foreign Affairs, and

Mr. J. M. A. H. Luns, Minister without Portfolio,

at The Hague.

No. II

AMERIKAANSE AMBASSADE

's-Gravenhage, 27 maart 1956.

Excellenties,

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van Uwer Excellenties nota van heden, welke als volgt luidt:

„Wij hebben de eer te verwijzen naar de onderhandelingen, welke geleid hebben tot het sluiten van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart, dat vandaag is ondertekend; in de loop dezer onderhandelingen werd uitvoerig van gedachten gewisseld tussen de vertegenwoordigers van onze beide landen over de meestbegunstigingsaspecten van het Verdrag in verband met op de toekomst gerichte regionale overeenkomsten, welke ten doel hebben nauwere samenwerking tussen, of integratie van Europese landen tot stand te brengen.

Deze gedachtenwisselingen hebben geleid tot het gemeenschappelijk inzicht, dat Europese regionale overeenkomsten, welke niet meebrengen dat hinderpalen van welke aard ook worden opgeworpen voor het verkeer met de rest van de wereld, doch ten doel hebben vrede en welvaart te bevorderen, de handel uit te breiden, de produktiviteit op te voeren en de levensstandaard te verhogen, strekken tot wederzijds voordeel. Dienovereenkomstig wordt in beginsel erkend, dat Nederland in de gelegenheid moet zijn ook in de toekomst deel te nemen aan Europese regionale overeenkomsten, welke dienstig zijn aan de verwezenlijking van die doelstellingen en in brede trekken aan de belangen van beide Partijen ondanks het feit dat Nederland krachtens die overeenkomsten verplicht zou kunnen zijn enige voordelen op basis van wederkerigheid toe te kennen aan andere deelnemende landen, welke voordelen Nederland niet kan geven aan niet-deelnemende landen.

Vastgesteld is, dat, voorzover aanpassing tussen de bepalingen van het Verdrag en de bestaande Europese overeenkomsten, waarbij Nederland thans partij is, noodzakelijk mocht zijn, artikel XXII, lid 4, daarin op voldoende wijze voorziet. Overeengekomen is dat, indien deze voorziening onvoldoende mocht zijn om toekomstige onvoorziene verwikkelingen tot oplossing te brengen, de Partijen, op het verzoek van een van beiden, overleg zullen plegen om vast te stellen, welke verdere aanpassingen noodzakelijk zouden kunnen zijn. Zou dat overleg niet leiden tot een wederzijds bevredigend resultaat, dan zal ieder der Partijen, ondanks de bepalingen van artikel XXVII, gerechtigd zijn de werking van specifieke meestbegunstigingsbepalingen van het Verdrag op te schorten in de mate, welke onder de omstandigheden passend wordt geoordeeld door een schriftelijke kennisgeving aan de andere Partij met een termijn van twee maanden. Ten aanzien van de materie, waarop een aldus opgeschorte bepaling betrekking heeft, zullen echter in het algemeen de volgende gedragslijnen door Partijen worden in achtgenomen: de Verenigde Staten van Amerika zullen aan het Koninkrijk der Nederlanden een behandeling toekennen, welke niet minder gunstig zal zijn dan die, welke in overeenkomstige omstandigheden wordt toegekend aan andere landen welke partij zijn in de betreffende overeenkomst, en het Koninkrijk der Nederlanden zal aan de Verenigde Staten van Amerika een behandeling toekennen welke niet minder gunstig zal zijn dan die, welke in overeenkomstige omstandigheden wordt toegekend aan niet-deelnemende landen.

Indien het bovenstaande voor de Regering van de Verenigde Staten van Amerika aanvaardbaar is, hebben wij de eer voor te stellen, dat deze nota en Uwer Excellentie's daartoe strekkend antwoord, zullen worden beschouwd een overeenkomst te vormen tussen onze beide Regeringen, welke een integrerend deel uitmaakt van het bovenvermelde Verdrag.”

Ik heb de eer Uwe Excellenties te berichten, dat de inhoud van Uwer Excellenties nota voor mijn Regering aanvaardbaar is, en ik bevestig hiermede, dat Uwer Excellenties nota en dit antwoord daarop zullen worden beschouwd een overeenkomst te vormen tussen onze twee Regeringen en een integrerend deel zullen uitmaken van het bovenbedoeld Verdrag.

Zoals Uwe Excellenties bekend is, juicht de Regering van de Verenigde Staten van Amerika iedere stap voorwaarts op de weg naar Europese samenwerking en integratie toe, voorzover op samenwerking en integratie gerichte overeenkomsten bijdragen tot een vrijer handelsverkeer, een doelmatiger gebruik van mankracht en materiaal, en groter eenheid. In dit verband zij er aan herinnerd, dat de Regering van de Verenigde Staten van Amerika daadwerkelijk steun heeft gegeven aan organisaties als de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en heeft ingestemd met de ontheffing, welke in dit verband werd verleend door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bij de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, gedachtig aan de voordelen, welke, naar men verwacht, zullen voortspruiten uit overeenkomsten, welke ten doel hebben een dynamische, concurrerende, gemeenschappelijke markt te scheppen binnen de Gemeenschap en gezonde economische betrekkingen te verzekeren tussen de Gemeenschap en de landen daarbuiten. De Regering van de Verenigde Staten is bereid in dezelfde geest andere voorstellen, welke het Koninkrijk der Nederlanden zou willen doen, welwillend te overwegen.

Gelief, Excellenties, de hernieuwde verzekering van mijn bijzondere hoogachting en waardering te aanvaarden.

(w.g.) H. FREEMAN MATTHEWS

Aan Hunne Excellenties

Mr. J. W. Beyen, Minister van Buitenlandse Zaken, en

Mr. J.M. A. H. Luns, Minister zonder Portefeuille,

te 's-Gravenhage.