A
Schrijven van de Bondskanselier aan de Geallieerde Hoge Commissie
Bonn, 6 Maart 1951.
Mijnheer de Hoge Commissaris,
Ik heb de eer U in antwoord op Uw schrijven van 23 October 1950 - AGSEC (50) 2339 - het volgende mede te delen:
I
De Bondsrepubliek bevestigt hierbij, dat zij aansprakelijk is voor de buitenlandse vooroorlogse schulden van het Duitse Rijk, met inbegrip van die schulden van andere overheidslichamen, die later tot verplichtingen van het Rijk worden verklaard, alsmede voor de renten en andere kosten van obligaties van de Oostenrijkse Regering, voorzover dergelijke renten en kosten na 12 Maart 1938 en voor 8 Mei 1945 verschuldigd zijn geworden.
De Bondsregering gaat er van uit, dat bij de vaststelling van de wijze waarop en de mate waarin de Bondsrepubliek aan deze verplichtingen moet voldoen, rekening zal worden gehouden met de algemene toestand van de Bondsrepubliek en in het bijzonder met de gevolgen van de territoriale beperking van haar jurisdictie en met haar betalingscapaciteit.
II
De Bondsregering erkent hierbij in principe de schulden uit hoofde van de aan Duitsland sedert 8 Mei 1945 verleende economische hulp, voorzover de aansprakelijkheid hiervoor niet reeds is erkend in de overeenkomst inzake economische samenwerking, gesloten op 15 December 1949 tussen de Bondsrepubliek en de Verenigde Staten van Amerika, of de Bondsrepubliek niet reeds volgens artikel 133 van de Grondwet de aansprakelijkheid hiervoor heeft overgenomen. De Bondsregering is bereid aan de verplichtingen, voortkomende uit de economische hulp, voorrang te verlenen boven alle andere buitenlandse vorderingen op Duitsland of Duitse onderdanen.
De Bondsregering acht het doelmatig de met de erkenning en afwikkeling van deze schulden samenhangende kwesties te regelen in bilaterale overeenkomsten met de regeringen van de landen, die economische hulp hebben verleend, op dezelfde wijze als de met de Verenigde Staten van Amerika gesloten overeenkomst van 15 December 1949. De Bondsregering neemt aan, dat in deze overeenkomsten voor gevallen van meningsverschil een arbitrage-clausule wordt opgenomen. Zij is bereid onmiddellijk onderhandelingen te beginnen met de belanghebbende regeringen over het afsluiten van deze overeenkomsten.
III
De Bondsregering spreekt hierbij de wens uit de betalingen op de Duitse buitenlandse schuld te hervatten. Zij gaat ervan uit, dat tussen haar en de Regeringen van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika eenstemmigheid bestaat over het volgende:
Het is in het belang van een herstel van normale economische betrekkingen tussen de Bondsrepubliek en andere landen, zo spoedig mogelijk een plan uit te werken voor de regeling van openbare en particuliere vorderingen tegen Duitsland en Duitse onderdanen.
De belanghebbende regeringen, met inbegrip van de Bondsrepubliek, crediteuren en debiteuren, zullen aan de uitwerking van dit plan medewerken.
In het plan zullen in het bijzonder die vorderingen worden behandeld, welker regeling ertoe kan bijdragen de economische en financiële betrekkingen tussen de Bondsrepubliek en de andere landen weer normaal te maken. Hierbij zal rekening worden gehouden met de algemene economische toestand van de Bondsrepubliek, in het bijzonder met de toeneming van haar lasten en de vermindering van haar economische welstand. Het algemeen effect van dit plan mag noch de Duitse economie door ongewenste gevolgen voor de binnenlandse financiële toestand uit haar evenwicht brengen, noch bestaande of toekomstige Duitse deviezenbronnen overmatig aantasten. Het plan mag ook niet de financiële lasten voor een van de bezettende mogendheden aanmerkelijk verzwaren.
Voor alle vragen, die bij de onderhandelingen over het betalingsplan en de betalingscapaciteit naar voren komen, kunnen de regeringen in kwestie de mening van deskundigen vragen.
Het resultaat van de onderhandelingen zal in een overeenkomst worden neergelegd. Partijen zijn het er over eens, dat het plan slechts een voorlopig karakter draagt en zal worden herzien, zodra Duitsland herenigd is en een definitief vredesverdrag mogelijk is.
Met de meeste hoogachting enz.
(w.g.) ADENAUER.
B
Antwoord van de Geallieerde Hoge Commissie in naam van de Regeringen van de Franse Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika aan de Bondskanselier
6 Maart 1951.
Mijnheer de Bondskanselier,
In antwoord op Uw schrijven van 6 Maart 1951 betreffende de Duitse schulden hebben wij de eer, in naam van de Regeringen van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika, hiermede de door de Bondsregering gedane toezegging te bevestigen met betrekking tot de aansprakelijkheid van de Bondsrepubliek voor de buitenlandse vooroorlogse schulden van het Duitse Rijk alsmede voor de schulden uit hoofde van de aan Duitsland sedert 8 Mei 1945 door de drie regeringen verleende economische hulp.
Wat betreft de voorrang voor de verplichtingen uit hoofde van de economische hulp uit de naoorlogse periode, zijn wij gemachtigd te verklaren, dat de drie regeringen niet het plan hebben deze voorrang op zulk een wijze geldend te maken, dat hierdoor de betaling van buitenlandse vorderingen voor handelstransacties, afgesloten na 8 Mei 1945, die voor de economische wederopbouw van de Bondsrepubliek van essentiële betekenis zijn, beperkt zou worden.
Met betrekking tot de vraag over het opnemen van een arbitrageclausule in de overeenkomsten inzake de schulden uit hoofde van de economische hulp in de naoorlogse periode, zijn de drie regeringen bereid, bij de onderhandelingen over deze overeenkomsten te overwegen, of het doelmatig zou zijn zulk een clausule op te nemen voor kwesties, die in aanmerking komen om volgens een dergelijke procedure te worden geregeld.
Wij hebben voorts de eer in naam van de drie regeringen de opvatting van de Bondsregering, zoals deze in de tweede alinea van punt I en in punt III van het schrijven van Uwe Excellentie tot uitdrukking is gebracht, te bevestigen. Onze regeringen zijn op het ogenblik bezig voorstellen voor te bereiden voor de uitwerking van een betalingsplan; hierbij zal rekening worden gehouden met de deelneming van buitenlandse crediteuren, Duitse debiteuren en belanghebbende regeringen, met inbegrip van de Bondsregering. De voorstellen zullen een methodische regeling beogen van alle vooroorlogse vorderingen op Duitsland en Duitse debiteuren, alsmede van de schulden uit hoofde van de economische hulp uit de naoorlogse periode; deze regeling moet een rechtvaardige en billijke behandeling van alle betrokken belangen, met inbegrip van die der Bondsregering verzekeren. Het ligt in de bedoeling de regeling welke hieruit zal voortvloeien, vast te leggen in een multilaterale overeenkomst; bilaterale overeenkomsten zullen, wanneer deze noodzakelijk worden geacht, afgesloten worden binnen het raam van het betalingsplan. Zodra hun voorstellen gereed zijn, zullen de drie regeringen deze aan de Bondsregering en de andere betrokken regeringen doen toekomen en met hen deze voorstellen en de procedure, welke hierbij zal worden gevolgd, bespreken.
Wij hebben de eer te verklaren, dat onze drie regeringen het bovenaangehaalde schrijven van Uwe Excellentie en dit schrijven beschouwen als de boekstaving van een overeenkomst tussen de Regeringen van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika enerzijds en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland anderzijds terzake van de in dit schrijven behandelde vragen met betrekking tot de Duitse schulden. Deze brieven zijn in de Engelse, Franse en Duitse taal geredigeerd; deze teksten zijn gelijkelijk authentiek.
Met de meeste hoogachting enz.
(w.g.) A. Francois PONCET
(Voor de Regering van de
Franse Republiek)
(w.g.) Ivone KIRKPATRICK
(Voor de Regering van het
Verenigd Koninkrijk)
(w.g.) John J. McCLOY
(Voor de Regering van de
Verenigde Staten van Amerika)