Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag)

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Eems-Dollardverdrag)

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen:

HOOFDSTUK

1

Algemeen

Artikel

1

De Verdragsluitende Partijen zullen in de Eemsmonding in het besef van hun gemeenschappelijke belangen en met inachtneming van de bijzondere belangen van de andere Verdragsluitende Partij overeenkomstig de hiernavolgende artikelen in een geest van goede nabuurschap samenwerken, teneinde een verbinding van hun havens met de zee te waarborgen die aan de zich wijzigende eisen voldoet. Dit doel behoort - onder handhaving van de wederzijdse rechtsstandpunten ten aanzien van het verloop van de staatsgrens - door middel van een praktische regeling van de vraagstukken die beide staten betreffen, te worden bereikt.

Artikel

2

De Verdragsluitende Partijen nemen het bestaande hoofdvaarwater alsmede het Emder Vaarwater en de zuidelijke toegang van het hoofdvaarwater tot de Bocht van Watum tot uitgangspunt en verplichten zich - overeenkomstig hoofdstuk 2 - alle maatregelen te nemen die nodig zijn om deze vaarwateren open te houden en eventueel te verbeteren, alsmede zodanige maatregelen die door de andere Verdragsluitende Partij worden genomen, te steunen. Zij verplichten zich, alles na te laten wat aan het hierboven vermelde doel afbreuk doet. Aan deze verplichting wordt eventueel ook geacht te zijn voldaan, indien een Verdragsluitende Partij bij de uitvoering van werkzaamheden voorzieningen treft, waardoor nadelige gevolgen voor de vaarwateren naar de havens van de andere Partij worden voorkomen.

Artikel

3

Ter bevordering van hun samenwerking stellen de Verdragsluitende Partijen een „Gemeenschappelijk Plan” op. In het Gemeenschappelijke Plan dient het resultaat van het overleg en de onderzoekingen betreffende verbetering op grote schaal van de bestaande en eventuele nieuwe vaarwateren in de Eemsmonding tot uitdrukking te worden gebracht. Het Gemeenschappelijke Plan dient voortdurend te worden aangepast aan de wetenschappelijke inzichten, alsmede aan de behoeften van de havens en aan de economische behoeften van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Bij de tenuitvoerlegging van dit Verdrag zullen de Verdragsluitende Partijen niet alleen naar behoren rekening houden met de belangen van de zee- en binnenscheepvaart en van de havens, doch ook met de functie van de Eemsmonding met betrekking tot de afwatering en als vloedkom, alsmede met de belangen van de kustverdediging.

Artikel

7

HOOFDSTUK

2

Waterbouwkundige werkzaamheden

Artikel

8

De Bondsrepubliek Duitsland voert alle waterbouwkundige werkzaamheden uit tot onderhoud en verbetering van het hoofdvaarwater, het Emder Vaarwater en de Boven Eems. Zij voert bovendien in het hoofdvaarwater andere waterbouwkundige werkzaamheden uit, die in het belang zijn van de Duitse havens.

Artikel

9

Het Koninkrijk der Nederlanden voert alle waterbouwkundige werkzaamheden uit tot onderhoud en verbetering der verbindingen tussen de Nederlandse havens en het hoofdvaarwater, met inbegrip van de daarmee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden in het aangrenzende deel van het hoofdvaarwater. Het voert bovendien in het hoofdvaarwater andere waterbouwkundige werkzaamheden uit, die in het belang zijn van de Nederlandse havens.

Artikel

10

Waterbouwkundige werkzaamheden die zowel onder artikel 8 als onder artikel 9 vallen worden door de Bondsrepubliek Duitsland uitgevoerd.

Artikel

12

Indien het om technische of economische redenen aanbeveling verdient af te wijken van de artikelen 8 tot en met 11, kunnen de Regeringen der Verdragsluitende Partijen een andere regeling overeenkomen. De Regeringen vragen daartoe een aanbeveling van de Eemscommissie.

HOOFDSTUK

3

Bebakening

Artikel

13

Artikel

14

Benedenstrooms van de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten verzorgt en onderhoudt iedere Verdragsluitende Partij de bebakening die zich op het tot haar grondgebied behorende vasteland bevindt. Het Koninkrijk der Nederlanden verzorgt en onderhoudt de bebakening in of aan de Bocht van Watum en in of aan de noordelijke en de zuidelijke toegang van het hoofdvaarwater tot de Bocht van Watum; de Bondsrepubliek Duitsland verzorgt en onderhoudt de bebakening in of aan het hoofdvaarwater.

Artikel

15

De bebakening bovenstrooms van de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten, die in het gebied ten zuiden van de Geisedam door het Koninkrijk der Nederlanden, en voor het overige door de Bondsrepubliek Duitsland wordt verzorgd en onderhouden, alsmede de radioinstallaties waarvan de actieradius verder reikt dan de in artikel 14 aangegeven vaarwateren, vallen niet onder dit Verdrag. Hiervoor geldt de bij notawisseling van 3 en 20 september 1956 te 's-Gravenhage tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland gesloten overeenkomst inzake de wederzijdse verstrekking van inlichtingen nopens oprichting en wijziging van kustverlichtingsobjecten.

HOOFDSTUK

4

Regeling der kosten

Artikel

16

Iedere Verdragsluitende Partij draagt de kosten voor die werkzaamheden en maatregelen die zij volgens dit Verdrag gerechtigd of verplicht is uit te voeren of te treffen.

Artikel

17

De Regeringen der Verdragsluitende Partijen kunnen - in het bijzonder in het geval van artikel 12 - een verdeling der kosten overeenkomen die afwijkt van artikel 16.

Artikel

18

Indien bij de werkzaamheden volgens artikel 4 de Bondsrepubliek Duitsland ten behoeve van het vaarwater naar Emden een oplossing verlangt, die verder gaat dan hetgeen voor het afwenden van nadelige gevolgen voor het vaarwater naar Emden noodzakelijk is, dient zij een bijdrage te leveren ter grootte van de daaruit voortvloeiende extra kosten.

HOOFDSTUK

5

Waterstaatszorg

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Bij de behartiging van de waterstaatszorg past iedere Verdragsluitende Partij haar eigen wettelijke voorschriften toe. Deze wettelijke voorschriften dienen ter kennis van de Eemscommissie te worden gebracht.

HOOFDSTUK

6

Mededelingen en bezwaren

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

De verplichtingen uit hoofde van artikel 22 en de rechten uit hoofde van de artikelen 23 en 24 hebben geen betrekking op de Boven Eems.

Artikel

26

HOOFDSTUK

7

Opmetingen, peilingen en hydrologische onderzoekingen

Artikel

27

Artikel

28

De resultaten van de opmetingen, peilingen en hydrologische onderzoekingen dienen te worden uitgewisseld.

HOOFDSTUK

8

De Eemscommissie

Artikel

29

Artikel

30

De taak van de Eemscommissie omvat:

  • a)

    beraadslagingen over vraagstukken op het gebied van de waterbouw, de bebakening, de waterstaatszorg, de opmetingen, peilingen en hydrologische onderzoekingen, de landaanwinning, de indijking, de kustverdediging en de winning van zand, grint en schelpen,

  • b)

    de inspectie van de vaarwateren en de bebakening,

  • c)

    het uitbrengen van verslag over de resultaten van de inspecties aan de Regeringen,

  • d)

    het voorleggen van aanbevelingen aan de Regeringen,

  • e)

    het geven van advies over alle vraagstukken die de Regeringen haar voorleggen,

  • f)

    het in ontvangst nemen van mededelingen uit hoofde van artikel 22,

  • g)

    het onderzoek van de uit hoofde van artikel 23 ingediende bezwaren en de uit hoofde van artikel 24 geldend gemaakte aanspraken.

Artikel

31

HOOFDSTUK

9

Bijzondere bepalingen

Artikel

32

Artikel

33

Artikel

34

Artikel

35

Artikel

36

Artikel

37

Voor het nemen van maatregelen op het gebied van het gezondheidstoezicht zijn de autoriteiten van de Verdragsluitende Partij bevoegd, wier havens worden aangedaan.

Artikel

38

De bij notawisseling van 25 en 30 januari 1958 te 's-Gravenhage tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland gesloten overeenkomst inzake de samenwerking bij de redding van mensenlevens op de Noordzee tussen de 6e en 7e meridiaan oosterlengte geldt in de Eemsmonding eveneens ten oosten van de 7e meridiaan oosterlengte.

Artikel

39

Artikel

40

Artikel

41

Artikel

42

Artikel

43

Indien voorwerpen in de buurt van de Nederlandse kust, in het gebied ten zuiden van de Geisedam of op de tot de Bocht van Watum gerekende delen van de zandbanken aanspoelen, dient het Nederlandse recht te worden toegepast; in het overige deel van de Eemsmonding wordt op strandgoed het Duitse recht toegepast.

Artikel

44

De douanebehandeling en de personencontrole vinden uitsluitend plaats in de havens.

Artikel

45

De Verdragsluitende Partijen zullen de scheepvaart van en naar de havens van de andere Partij aan de Eemsmonding niet hinderen. Er worden geen scheepvaartrechten geheven.

HOOFDSTUK

10

Staatsgrens

Artikel

46

Artikel

47

HOOFDSTUK

11

Overige vraagstukken en herziening

Artikel

48

De beide Verdragsluitende Partijen zullen ook bij de vraagstukken die niet uitdrukkelijk in dit Verdrag zijn geregeld, die zich in de Eemsmonding voordoen en die gemeenschappelijke belangen raken, in een geest van goede nabuurschap samenwerken.

Artikel

49

HOOFDSTUK

12

Scheidsgerecht

Artikel

50

Voor het beslissen van alle geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, met inbegrip van de in lid 2 van artikel 49 genoemde geschillen, wordt, met uitsluiting van andere verdragsregelingen inzake de beslechting van geschillen, een Scheidsgerecht ingesteld.

Artikel

51

Artikel

52

Artikel

53

Artikel

54

De kosten voor de voorzitter van het Scheidsgerecht, voor diens plaatsvervanger en voor de twee assessoren die de nationaliteit bezitten van een derde staat, worden door de Verdragsluitende Partijen ieder voor de helft gedragen. Iedere Verdragsluitende Partij draagt de kosten voor de door haar benoemde tweede assessor, voor de door haar benoemde secretaris, alsmede voor haar vertegenwoordiging bij de procedure voor het Scheidsgerecht. De overige kosten van het Scheidsgerecht worden door de Verdragsluitende Partijen ieder voor de helft gedragen.

TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden der Verdragsluitende Partijen dit Verdrag, dat deel uitmaakt van het heden ondertekende Algemene Verdrag, hebben ondertekend.

Gedaan te 's-Gravenhage, 8 april 1960, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) H. R. VAN HOUTEN

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) VON BRENTANO

(w.g) LAHR

Bijlage

A

Bijlage

B

Definities bij artikel 7

§ 1

Onder „Eemsmonding” wordt verstaan het gebied binnen de volgende lijnen:

  • in zee

    • de buitengrens van de territoriale zee;

  • van het snijpunt van de buitengrens van de territoriale zee met de 6 m dieptelijn langs die noordoostzijde van de Wester Eems

    • de 6 m dieptelijn langs de noordoostzijde van de Wester Eems en van het Ranselgat volgende in zuidoostelijke richting tot voor het kustlicht Binnen Ransel, van daar overspringend naar de 6 m dieptelijn langs de noordoostzijde van het Vaarwater door de Eemshorn en deze 6 m dieptelijn volgende tot het snijpunt met de breedtegraad 53° 26' 34” N;

  • van het snijpunt van de 6 m dieptelijn met de breedtegraad 53° 26' 34” N

    • deze breedtegraad in oostelijke richting volgende tot het snijpunt met de buitenteen van de dijk, deze dijksteen volgende in ongeveer zuidelijke richting tot de vooruitspringende hoek van de dijk ten westen van Rysum, ongeveer gelegen 53° 22' 50” N en 7° 00' 54” E, verder de buitenteen van de in aanleg zijnde afsluitdam en de daaraan aansluitende leidam volgende tot Knock;

  • van Knock

    • volgende de buitenteen van de dijk langs het Emder Vaarwater en de Boven Eems tot de grens der gemeenten Jarssum en Widdelswehr bij km 35,785 van de Eems;

  • van de grens der gemeenten Jarssum en Widdelswehr bij km 35,785 van de Eems

    • langs een rechte lijn in ongeveer zuidelijke richting tot triangulatiepunt Pogum I (Messtischblatt 2609 Emden) op de hoek van de dijk ten westen van Pogum, ongeveer gelegen 53° 19' 11” N en 7° 14' 58” E;

  • van triangulatiepunt Pogum I (Messtischblatt 2609 Emden) op de hoek van de dijk ten westen van Pogum, ongeveer gelegen 53° 19' 11” N en 7° 14' 58 ” E,

    • de buitenteen van de dijk langs de Dollard volgende, de oeverlijn van de Hoek van Reide en de buitenteen van de dijk langs de Bocht van Watum volgende tot de noordoostelijke hoek van de dijk bij Het Oude Schip, ongeveer gelegen 53° 26' 05” N en 6° 52' 04” E;

  • van de noordoostelijke hoek van de dijk bij Het Oude Schip, ongeveer gelegen 53° 26' 05” N en 6° 52' 04” E,

    • in ongeveer noordoostelijke richting tot het snijpunt van de 6 m dieptelijn langs de zuidwestzijde van het Doekegat met de breedtegraad 53° 26' 34” N;

  • van het snijpunt van de 6 m dieptelijn aan de zuidwestzijde van het Doekegat met de breedtegraad 53° 26' 34” N

    • de 6 m dieptelijn langs de zuidwestzijde van het Doekegat en de Oude Wester Eems volgende in ongeveer noordwestelijke richting; vandaar overspringend naar de 6 m dieptelijn langs de zuidwestzijde van het Horsborngat (zodanig dat de uitspringende tong van de Horsbornplaat binnen de Eemsmonding ligt); verder de 6 m dieptelijn volgende langs de zuidwestzijde van het Horsborngat en langs de zuidzijde van het Huibertgat in ongeveer westelijke richting tot het noordelijkste punt van de 6 m dieptelijn, ongeveer gelegen 53° 34' 24” N en 6° 2l' 54” E;

  • van het noordelijkste punt van de 6 m dieptelijn, ongeveer gelegen 53° 34' 24” N en 6° 2l' 54” E,

    • de breedtegraad 53° 34' 24” N volgend in westelijke richting tot het snijpunt van de breedtegraad met de buitengrens van de territoriale zee; vervolgens de buitengrens van de territoriale zee volgend.

Tot de Eemsmonding behoren niet de aanwezige havens, aanlegplaatsen en afvoerkanalen der uitwateringssluizen; de begrenzing van de Eemsmonding volgt bij de havens, aanlegplaatsen en afvoerkanalen der uitwateringssluizen de buitenzijde van de havenhoofden en van de andere bouwwerken alsmede de verbindingslijnen van de koppen der havenhoofden of de buitenkoppen van de overige bouwwerken.

§ 2

Onder „Bocht van Watum” wordt verstaan het gebied binnen de volgende lijnen:

  • van de noordoostelijke hoek van de dijk bij Het Oude Schip, ongeveer gelegen 53° 26' 05” N en 6° 52' 04” E,

    • in ongeveer noordoostelijke richting tot het snijpunt van de 6 m dieptelijn langs de zuidwestzijde van het Doekegat met de breedtegraad 53° 26' 34” N; van dit snijpunt in ongeveer zuidoostelijke richting tot het punt 53° 25' 42” N en 6° 55' 00” E;

  • van het punt 53° 25' 42” N en 6° 55' 00” E

    • in ongeveer zuidelijke richting over de drempel tussen de Hond en de Paap tot het punt 53° 22' 00” N en 6° 55' 39” E;

  • van het punt 53° 22' 00” N en 6° 55' 39” E

    • in ongeveer zuidoostelijke richting tot het punt 53° 19' 36” N en 6° 59' 40” E, van dit punt in ongeveer oostelijke richting over de drempel tussen de Paap en de Geise tot het punt ongeveer gelegen 53° 19' 18” N en 7° 02' 44” E;

  • van het punt ongeveer gelegen 53° 19' 18” N en 7° 02' 44” E

    • in ongeveer zuidelijke richting langs de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten tot het snijpunt van deze verbindingslijn met de buitenteen van de dijk;

  • van het snijpunt van de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten met de buitenteen van de dijk

    • de buitenteen van de dijk volgende tot het uitgangspunt aan de noordoostelijke hoek van de dijk bij Het Oude Schip, ongeveer gelegen 53° 26' 05” N en 6° 52' 04” E.

§ 3

Onder „gebied ten zuiden van de Geisedam” wordt verstaan het gebied binnen de volgende lijnen:

  • van het snijpunt van de buitenteen van de dijk op de Nederlandse oever met de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten

    • deze verbindingslijn in ongeveer noordelijke richting volgende tot het punt ongeveer gelegen 53° 19' 18” N en 7° 02' 44” E;

  • van het punt ongeveer gelegen 53° 19' 18” N en 7° 02' 44” E

    • in ongeveer oostelijke richting tot het punt 53° 19' 13” N en 7° 1l' 35” E;

  • van het punt 53° 19' 13” N en 7° 1l' 35” E

    • in ongeveer zuidelijke richting tot het snijpunt van de buitenteen van de dijk aan de zuidzijde Van de Dollard met de Nederlands-Duitse grens zoals vastgesteld bij het op 2 juli 1824 te Meppen ondertekende grensverdrag tussen Nederland en Hannover;

  • van het snijpunt van de buitenteen van de dijk aan de zuidzijde van de Dollard met de Nederlands-Duitse grens

    • de buitenteen van de dijk langs de Dollard volgende, de oeverlijn van de Hoek van Reide en de buitenteen van de dijk op de Nederlandse oever volgende tot het uitgangspunt, het snijpunt van de buitenteen van de dijk op de Nederlandse oever met de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten.

§ 4

Onder de „verbindingslijn tussen de grote lichttoren van Borkum en de Grote Kaap van Rottumeroog” wordt verstaan de lijn

van de grote lichttoren van Borkum,

  • ongeveer gelegen 53° 35' 25” N en 6° 39' 46” E

tot de Grote Kaap van Rottumeroog,

  • ongeveer gelegen 53° 32' 42” N en 6° 34' 37” E.

§ 5

Onder de „verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten” wordt verstaan de lijn

van de lichttoren van Knock,

  • ongeveer gelegen 53° 20' 25” N en 7° 02' 39” E

tot de kerktoren van Termunten,

  • ongeveer gelegen 53° 17' 58” N en 7° 02' 50” E.

§ 6

Onder „hoofdvaarwater” wordt verstaan de door de Verdragsluitende Partijen hoofdzakelijk gemeenschappelijk gebruikte vaarweg beginnend bij

  • de buitengrens van de territoriale zee;

verder volgende

  • het Huibertgat en de Wester Eems, de Oude Wester Eems en het Ranselgat;

verder volgende

  • het Doekegat;

verder volgende

  • het Oost-Friesche Gaatje

tot

  • de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten.

§ 7

Onder „noordelijke toegang van het hoofdvaarwater tot de Bocht van Watum” wordt verstaan:

  • de vaarweg van het hoofdvaarwater over de drempel tussen de zandbanken Robbenplaat en Hond.

§ 8

Onder „zuidelijke toegang van het hoofdvaarwater tot de Bocht van Watum” wordt verstaan:

  • de vaarweg van het hoofdvaarwater over de drempel tussen de zandbanken Paap en Geise.

§ 9

Onder het „Emder vaarwater” wordt verstaan het gebied binnen de volgende lijnen:

van het snijpunt van de buitenteen van de dijk op de Duitse oever met de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten

  • de buitenteen van de dijk in ongeveer oostelijke richting volgende tot het punt 53° 20' 12” N en 7° 09' 38” E;

van het punt 53° 20' 12” N en 7° 09 '38” E

  • in zuidelijke richting tot het punt ongeveer gelegen 53° 19' 14” N en 7° 09' 38” E;

van het punt ongeveer gelegen 53° 19' 14” N en 7° 09' 38” E

  • in ongeveer westelijke richting tot het punt ongeveer gelegen 53° 19' 18” N en 7° 02' 44” E;

van het punt ongeveer gelegen 53° 19' 18” N en 7° 02' 44” E

  • de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten in ongeveer noordelijke richting volgende tot het uitgangspunt, het snijpunt van de buitenteen van de dijk op de Duitse oever met de verbindingslijn tussen de lichttoren van Knock en de kerktoren van Termunten.

§ 10

Onder „Boven Eems” wordt verstaan het gebied binnen de volgende lijnen:

  • van het punt 53° 20' 12” N en .7° 09' 38” E

    • de buitenteen van de dijk volgende tot de grens der gemeenten Jarssum en Widdelswehr bij km 35,785 van de Eems;

  • van de grens der gemeenten Jarssum en Widdelswehr bij km 35,785 van de Eems

    • langs een rechte lijn in ongeveer zuidelijke richting tot triangulatiepunt Pogum I (Messtischblatt 2609 Emden) op de hoek van de dijk ten westen van Pogum, ongeveer gelegen 53° 19' 11” N en 7° 14' 58” E;

  • van triangulatiepunt Pogum I (Messtischblatt 2609 Emden) op de hoek van de dijk ten westen van Pogum, ongeveer gelegen 53° 19' 11” N en 7° 14' 58” E,

    • in ongeveer westelijke richting tot het punt ongeveer gelegen 53° 19' 14” N en 7° 09' 38” E;

  • van het punt ongeveer gelegen 53° 19' 14” N en 7° 09' 38” E

    • in noordelijke richting tot het uitgangspunt, het punt 53° 20' 12” N en 7° 09' 38” E.

Slotprotocol bij het Eems-Dollardverdrag

Bij de ondertekening van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding zijn de gevolmachtigden van beide Partijen over de volgende bepalingen tot overeenstemming gekomen en hebben zij de volgende verklaringen afgelegd:

Artikel

1

Ten aanzien van artikel 2 van het Verdrag bestaat overeenstemming dat het Koninkrijk der Nederlanden met het oog op de beveiliging van het hoofdvaarwater in de noordelijke toegang van het hoofdvaarwater tot de Bocht van Watum geen grotere diepte dan 4,5 meter bij het gemiddelde laagwater-springtij tot stand brengt. Artikel 4 van het Verdrag blijft onverlet.

Artikel

2

Het is het Koninkrijk der Nederlanden bekend dat de Bondsrepubliek Duitsland in volle zee voor de Eemsmonding bebakening verzorgt en onderhoudt; het brengt hiertegen geen bezwaren in.

Artikel

3

Iedere Verdragsluitende Partij zal bij het vervullen van haar taak uit hoofde van hoofdstuk 5 van het Verdrag verzoeken van de andere Partij om toestemming tot het winnen van zand, kiezel of schelpen of tot het storten van opgebaggerde grond in welwillende overweging nemen. Particulieren die zodanige verzoeken doen worden, wat hun nationaliteit betreft, op gelijke wijze behandeld.

Artikel

4

Het is het Koninkrijk der Nederlanden bekend dat de Bondsrepubliek Duitsland het voornemen heeft het Emder Vaarwater uit te diepen tot 8 meter bij het gemiddelde laagwater-springtij en met de hiervoor noodzakelijke waterbouwkundige werkzaamheden een aanvang heeft gemaakt. Het Koninkrijk der Nederlanden dient hiertegen geen bezwaren in, doch behoudt zich het recht voor aanspraken overeenkomstig artikel 24 van het Verdrag geldend te maken indien later mocht blijken dat deze werkzaamheden nadelige gevolgen hebben.

Artikel

5

Voor de toepassing van lid 4 van artikel 33 van het Verdrag worden personen die volgens het Duitse recht wettelijk gelijkgesteld zijn met Duitse onderdanen, als Duitse onderdanen behandeld.

Artikel

6

De bepalingen van dit Slotprotocol maken deel uit van het Eems-Dollardverdrag.

GEDAAN te 's-Gravenhage, 8 april 1960, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) H. R. VAN HOUTEN

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) VON BRENTANO

(w.g) LAHR

Nr.

I

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April 1960

Herr Minister!

Im Laufe der Verhandlungen, die zur heutigen Unterzeichnung des Vertrags über die Regelung der Zusammenarbeit in der Emsmündung geführt haben, habe ich Sie darauf hingewiesen, dass die Möglichkeit, dass eine neue Verbindung von Delfzijl zum Hauptfahrwasser hergestellt wird, auf deutscher Seite, insbesondere in Emder Hafenkreisen, gewisse Besorgnis ausgelöst hat. Man hat es daher für zweckmässig gehalten, diese Sorgen zum Gegenstand einer Aussprache zwischen Vertretern des Landes Niedersachsen als Eigentümer des Hafens Emden und des Havenschap Delfzijl zu machen, die am 11. Juni 1959 zu folgender gemeinsamer Erklärung geführt hat:

  • „1.

    Die Vertreter der beiden Hafenverwaltungen werden mindestens einmal im Jahre zusammenkommen, um sich gegenseitig über die geplanten Investitionen zu unterrichten und sonstige Fragen der Hafenwirtschaft der beiden Häfen zu erörtern mit dem Ziel, die Kapazität ihrer Häfen ihrer geographischen Lage entsprechend in der bestmöglichen Weise auszunutzen und einer sinnvollen Wirtschafts- und Verkehrspolitik widersprechende Investitionen zu vermeiden.

  • 2.

    Sie nehmen hierbei die bestehenden Aufgaben Emdens als Versorgungshafen für die ortsansässige Industrie und als einen Spezialhafen für Erze und Kohle der Bundesrepublik Deutschland auf der einen und Delfzijls als Versorgungshafen für die ortsansässige Industrie, für die Provinz Groningen und die übrigen Teile der Niederlande auf der anderen Seite zum Ausgangspunkt und halten es für erforderlich, alle Massnahmen zu unterlassen, die dieser natürlichen Aufgabenteilung beider Häfen und der weiteren Erfüllung ihrer Funktionen abträglich sein könnten. Sie werden insbesondere in ihren Häfen keine Erze und Kohle umschlagen, die für das nationale Hinterland des Hafens der anderen Seite bestimmt sind oder von dort kommen.”

Unter bezugnahme auf diese Erklärung und die Artikel 1 und 4 des Ems-Dollart-Vertrags beehre ich mich, Ihnen mitzuteilen, dass meine Regierung ihrer Übereinstimmung mit dieser Erklärung Ausdruck gibt, wobei sie von folgendem ausgeht:

  • a)

    Die Erklärung betrifft ausschliesslich das Verhältnis zwischen den Häfen Emden und Delfzijl, berührt jedoch im übrigen in keiner Weise die allgemeine Hafen- und Verkehrspolitik der beiden Regierungen, insbesondere die Rolle dieser beiden Häfen im Verhältnis zu dritten Häfen.

  • b)

    Die Erklärung in Ziffer 2 gilt erst von dem Zeitpunkt an, in dem eine neue Verbindung von Delfzijl zum Hauptfahrwasser in Gebrauch genommen wird.

  • c)

    Die Erklärung kann von den Unterzeichnern in Verfolg der von ihnen beschlossenen Zusammenarbeit ergänzt und künftigen Entwicklungen durch weitere Vereinbarungen angepasst werden, soweit die beiden Unterzeichner dies für zweckmässig halten.

Ich würde Ihnen sehr dankbar sein, wenn Sie mir die Auffassung Ihrer Regierung zu dem Vorstehenden mitteilen würden.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz

den Minister für Auswärtige Angelegenheiten

des Königreichs der Niederlande

Herrn J. M. A. H. Luns

Den Haag

Nr.

II

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

Ik heb de eer U de ontvangst te bevestigen van Uw brief van heden, waarvan de tekst in Nederlandse, vertaling als volgt luidt:

„In de loop der onderhandelingen die heden hebben geleid tot de ondertekening van het Verdrag tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding, heb ik U erop gewezen dat de mogelijkheid, dat er een nieuwe verbinding van Delfzijl met het hoofdvaarwater tot stand wordt gebracht, aan Duitse zijde, met name in kringen van de haven van Emden, een zekere ongerustheid heeft gewekt. Het werd daarom nuttig geoordeeld deze ongerustheid tot onderwerp te maken van een gedachtenwisseling tussen vertegenwoordigers van het „Land” Nedersaksen als eigenaar van de haven van Emden en het Havenschap Delfzijl, welke gedachtenwisseling op 11 juni 1959 tot de hiernavolgende gemeenschappelijke verklaring heeft geleid:

  • „1.

    De vertegenwoordigers van de beide havenbesturen zullen tenminste eenmaal per jaar bijeenkomen om elkaar op de hoogte te stellen van de voorgenomen investeringen en om andere vraagstukken van het havenbedrijf der beide havens te bespreken teneinde de capaciteit van hun havens overeenkomstig hun geografische ligging zo goed mogelijk te benutten en investeringen die in strijd zouden zijn met een zinvolle bedrijfs- en verkeerspolitiek te vermijden.

  • 2.

    Zij gaan daarbij enerzijds uit van de bestaande taak van Emden als voorzieningshaven voor de plaatselijke industrie en als een speciale haven voor erts en steenkool van de Bondsrepubliek Duitsland, en anderzijds van de bestaande taak van Delfzijl als voorzieningshaven voor de plaatselijke industrie, voor de provincie Groningen en de overige delen van Nederland, en achten het noodzakelijk, alle maatregelen achterwege te laten, die afbreuk zouden kunnen doen aan deze natuurlijke taakverdeling tussen beide havens en de verdere vervulling van hun functies. Zij zullen met name in hun havens geen erts en steenkool overslaan, die voor het nationale achterland van de andere haven bestemd zijn of daarvan, afkomstig zijn.”

Onder verwijzing naar deze verklaring en naar de artikelen 1 en 4 van het Eems-Dollardverdrag heb ik de eer U mede te delen, dat mijn Regering uitdrukking geeft aan haar instemming met deze verklaring, waarbij zij van het volgende uitgaat:

  • a.

    De verklaring heeft uitsluitend betrekking op de verhouding tussen de havens Emden en Delfzijl doch raakt verder op geen enkele wijze de algemene havens- en verkeerspolitiek der beide Regeringen, in het bijzonder de rol van deze beide havens in verhouding tot derde havens.

  • b.

    Punt 2 van de verklaring geldt eerst met ingang van het tijdstip waarop een nieuwe verbinding tussen Delfzijl en het hoofdvaarwater in gebruik wordt genomen.

  • c.

    De verklaring kan door de ondertekenaars in het kader van de samenwerking waartoe zij hebben besloten worden aangevuld en door middel van verdere overeenkomsten aan de toekomstige ontwikkelingen worden aangepast, voor zover de twee ondertekenaars dit dienstig achten.”

Ik heb de eer U mede te delen, dat ook mijn Regering uitdrukking geeft aan haar instemming met de verklaring van 11 juni 1959 en dat zij met de inhoud van Uw brief instemt.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie

Dr. H. von Brentano,

Bondsminister van Buitenlandse Zaken

van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr.

III

MINISTERIE VAN

BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

's-Gravenhage, 8 april 1960

Mijnheer de Minister,

In de loop der onderhandelingen die heden hebben geleid tot de ondertekening van het Verdrag tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding, is de mogelijkheid van de aanleg van nieuwe havens aan de Eemsmonding besproken.

Onder verwijzing daarnaar verklaar ik dat mijn Regering thans niet het voornemen heeft, aan de Eemsmonding nieuwe havens aan te leggen. Voor het geval echter dat in de toekomst het voornemen tot de aanleg van dergelijke nieuwe havens mocht worden opgevat, gelden naar de mening van mijn Regering niet slechts de bepalingen van het bovengenoemde Verdrag met betrekking tot nieuwe waterbouwkundige werkzaamheden in de Eemsmonding, doch tevens de verplichting om de overige met dergelijke nieuwe werken samenhangende vraagstukken die de belangen van beide Partijen raken, in de geest van de met dit Verdrag begonnen samenwerking te behandelen.

Ik zou U zeer dankbaar zijn, indien U mij de opvatting van Uw Regering over het bovenstaande zou mededelen.

Gelief, Mijnheer de Minister, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) J. LUNS

Aan Zijne Excellentie

Dr. H. von Brentano,

Bondsminister van Buitenlandse Zaken

van de Bondsrepubliek Duitsland

Nr.

IV

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Den Haag, den 8. April 1960

Herr Minister!

Ich beehre mich, Ihnen den Empfang Ihres heutigen Schreibens zu bestätigen.

Unter Bezugnahme auf die im Laufe der Verhandlungen, die zur heutigen Unterzeichnung des Vertrags über die Regelung der Zusammenarbeit in der Emsmündung; geführt haben, erörterte Möglichkeit neuer Hafenanlagen an der Emsmündung erkläre ich, dass auch meine Regierung jetzt nicht beabsichtigt, neue Hafenanlagen an der Emsmündung herzustellen. Für den Fall aber, dass künftig der Bau solcher neuer Hafenanlagen beabsichtigt würde, gelten auch nach Auffassung meiner Regierung nicht nur die Bestimmungen des oben bezeichneten Vertrags über neue Wasserbauarbeiten in der Emsmündung, sondern auch die Verpflichtung, die sonstigen mit solchen neuen Anlagen zusammenhängenden Fragen des beiderseitigen Interesses im Geiste der mit diesem Vertrag eingeleiteten Zusammenarbeit zu behandeln.

Genehmigen Sie, Herr Minister, die Versicherung meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) VON BRENTANO

An Seine Exzellenz

den Minister für Auswärtige Angelegenheiten

des Königreichs der Niederlande

Herrn J. M. A. H. Luns

Den Haag