Administratief Akkoord voor de toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, ondertekend te 's-Gravenhage op 11 augustus 1954

Administratief Akkoord voor de toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, ondertekend te 's-Gravenhage op 11 augustus 1954

In overeenstemming met de bepalingen van artikel 38 van het Verdrag inzake sociale zekerheid en van artikel 3 van het Protocol betreffende verstrekkingen in natura tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, ondertekend te 's-Gravenhage op 11 augustus 1954, zijn de bevoegde autoriteiten van de beide Verdragsluitende Partijen, te weten:

voor het Verenigd Koninkrijk: de „Minister of Pensions and National Insurance”, het „Ministry of Labour and National Insurance for Northern Ireland” en het „Isle of Man Board of Social Services”,

voor Nederland: de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,

de volgende bepalingen overeengekomen voor de toepassing van het Verdrag en het Protocol:

TITEL

I

Begripsbepalingen

Artikel

1

Voor de toepassing van dit Akkoord wordt verstaan onder:

  • (a)

    „Verdrag”: het op 11 augustus 1954 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en het Koninkrijk der Nederlanden;

  • (b)

    „Protocol”: het op 11 augustus 1954 te 's-Gravenhage ondertekende Protocol betreffende verstrekkingen in natura;

  • (c)

    „land”: al naar het zinsverband, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland of Nederland;

  • (d)

    „orgaan”: al naar het zinsverband, het bevoegde orgaan van het Verenigd Koninkrijk of Nederland, en

  • (e)

    hebben andere uitdrukkingen dezelfde betekenis als in het Verdrag of het Protocol.

TITEL

II

Algemene bepalingen

Artikel

2

Artikel

3

Indien een onderdaan van een van beide landen, die in het ene land verblijft, aanspraak maakt op een uitkering, of een verhoging van een uitkering, of beroep instelt tegen een beslissing, gegeven krachtens de wettelijke regeling van het andere land, zal het orgaan van eerstgenoemd land, op verzoek van het orgaan van laatstgenoemd land, de onderdaan of, indien nodig, zijn nagelaten betrekkingen of de indirect verzekerde geneeskundig doen onderzoeken dan wel zodanige inlichtingen laten inwinnen als het noodzakelijk acht en aan het orgaan van laatstgenoemd land een verslag van bedoeld onderzoek zenden en de inlichtingen verstrekken, welke dat orgaan nodig heeft, teneinde een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de aanspraken van de onderdaan op uitkering of ten aanzien van zijn beroep, al naar het geval zich voordoet. De kosten van een dergelijk onderzoek en het inwinnen van dergelijke inlichtingen worden gedragen door het orgaan, dat het onderzoek of het inwinnen van dergelijke inlichtingen op zich neemt.

TITEL

III

Ziekengeld-, moederschaps- en werkloosheidsuitkeringen

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Een werkloosheidsuitkering, waarop een persoon ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling op grond van het bepaalde bij artikel 15 van het Verdrag aanspraak kan maken, wordt uitbetaald door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging te Amsterdam.

Artikel

7

TITEL

IV

Invaliditeitsrenten

Artikel

8

Artikel

9

TITEL

V

Ouderdoms-, weduwen- en wezenrenten

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Indien een onderdaan van een van beide landen een wezenrente aanvraagt ingevolge de wettelijke regeling van beide landen op grond van het bepaalde bij Titel III van het Verdrag, zijn

  • 1.

    indien de vader van het betrokken kind slechts verzekerd was ingevolge de wettelijke regeling van het ene land en de moeder van het kind slechts verzekerd was ingevolge de wettelijke regeling van het andere land, de verzekeringstijdvakken en de gelijkgestelde tijdvakken, welke in aanmerking worden genomen voor de berekening van het bedrag van een zodanige rente, welke ingevolge de wettelijke regeling van ieder land op grond van het bepaalde bij lid 3, onder b, van artikel 19 van het Verdrag betaalbaar is, de door hen vervulde tijdvakken;

  • 2.

    indien of de vader of de moeder van het kind verzekerd was ingevolge de wettelijke regeling van beide landen, de verzekeringstijdvakken en de gelijkgestelde tijdvakken, welke in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 19 van het Verdrag, de tijdvakken, welke voor de aanvrager het voordeligst zijn.

Artikel

13

Indien een onderdaan van een van beide landen een weduwenrente aanvraagt ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling, op grond van het bepaalde bij Titel III van het Verdrag, omvat de uitkering, welke haar ingevolge het bepaalde bij lid 3 van artikel 19 van het Verdrag verschuldigd is, tevens elke aan haar ingevolge die wettelijke regeling voor een afhankelijk kind uit te betalen wezenrente.

Artikel

14

Elke aanvraag om uitkering op grond van artikel 23 van het Verdrag wordt ingediend door middel van het daarvoor bestemde formulier en wordt overgelegd aan het bevoegde orgaan van het land, waar de aanvrager woont. Dat orgaan zendt de aanvraag onverwijld door aan het bevoegde orgaan van het andere land en vermeldt op de aanvraag de datum, waarop deze van de aanvrager werd ontvangen.

Artikel

15

Voor de toepassing van deze Titel van het Akkoord is het bevoegde orgaan in Nederland de Rijksverzekeringsbank te Amsterdam.

TITEL

VI

Bedrijfsongevallen en beroepsziekten

Artikel

16

TITEL

VII

Betaling van uitkeringen

Artikel

17

Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 33 van het Verdrag vindt uitbetaling van uitkering plaats

  • 1.

    In Nederland, uit naam van de organen van het Verenigd Koninkrijk, door de Rijksverzekeringsbank.

  • 2.

    In Groot-Britannië, uit naam van de Nederlandse organen, door het „Ministry of Pensions and National Insurance”; in Noord-Ierland door het „Ministry of Labour and National Insurance” en op het eiland Man door de „Isle of Man Board of Social Services”.

Artikel

18

Artikel

19

Een orgaan van het ene land, dat in het bezit is van een verklaring, waardoor het gemachtigd is een uitkering te betalen uit naam van een orgaan van het andere land, staakt de betaling van de uitkering

  • (a)

    indien de uitkeringsgerechtigde eerstbedoeld land verlaat;

  • (b)

    bij overlijden van de uitkeringsgerechtigde of van diens (haar) echtgenote (echtgenoot);

  • (c)

    indien het van mening is, dat niet langer aan de voorwaarden voor de uitbetaling van een uitkering wordt voldaan;

en in deze gevallen licht het orgaan onverwijld het orgaan van het andere land in.

Artikel

20

TITEL

VIII

Diverse bepalingen

Artikel

21

Elke aanvraag, verklaring of ander stuk, dat door een orgaan van het ene land overeenkomstig de bepalingen van dit Akkoord aan een orgaan van het andere land moet worden gezonden, wordt opgesteld in de vorm ten aanzien waarvan tussen de bevoegde organen overeenstemming is bereikt en wordt eventueel gewaarmerkt door de ondertekening van een daartoe gemachtigd ambtenaar.

Artikel

22

Dit Akkoord treedt in werking op de datum, waarop de laatste ondertekening plaats vindt, met terugwerkende kracht te rekenen van 1 juni 1955 af en heeft dezelfde werkingsduur als het Verdrag.

Gedaan in tweevoud te Londen, de 12de juni 1956, in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

De „Minister of Pensions and National Insurance in Great Britain”,

(w.g.) JOHN BOYD-CARPENTER

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van Nederland,

(w.g.) J. G. SUURHOFF

De „Minister of Labour and National Insurance for Northern Ireland”,

(w.g.) IVAN NEILL

De „Chairman, Isle of Man Board of Social Services”,

(w.g.) J. C. NIVISON