Aanvullend Protocol bij het Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa

Protocol to the General Agreement on Privileges and Immunities of the Council of Europe

The Governments signatory to the General Agreement on Privileges and Immunities of the Council of Europe, signed at Paris on the 2nd September 1949 (hereinafter referred to as “the Agreement”),

Desirous of extending the provisions of the Agreement,

Have agreed as follows:

Article

1

Any present or future Member of the Council of Europe not a signatory of the Agreement may accede to the latter and to this Protocol by depositing its instrument of accession to them both with the Secretary-General of the Council of Europe, who shall notify the Members of the Council thereof.

Article

2

Article

3

The provisions of Article 15 of the Agreement shall apply to representatives to the Assembly, and their substitutes, at any time when they are attending or travelling to and from, meetings of Committees and Sub-Committees of the Consultative Assembly, whether or not the Assembly is itself in session at such time.

Article

4

The permanent representatives of Members of the Council of Europe shall, while exercising their functions and during their journey to and from the place of meetings, enjoy the privileges, immunities and facilities normally enjoyed by diplomatic envoys of comparable rank.

Article

5

Privileges, immunities and facilities are accorded to the representatives of Members not for the personal benefit of the individuals concerned, but in order to safeguard the independent exercise of their functions in connection with the Council of Europe. Consequently, a Member has not only the right but the duty to waive the immunity of its representative in any case where, in the opinion of the Member, the immunity would impede the course of justice and it can be waived without prejudice to the purpose for which the immunity is accorded.

Article

6

The provisions of Article 4 are not applicable in relation to the authorities of the State of which the person is a national or of the Member of which he is or has been a representative.

Article

7

In witness hereof the undersigned, being duly authorised thereto, have signed the present Protocol.

Done at Strasbourg on the 6th day of November 1952, in English and French, both texts being equally authoritative in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding Governments.

Aanvullend Protocol bij het Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa

De Regeringen, welke het Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa, ondertekend te Parijs op 2 September 1949 (hierna te noemen „het Verdrag”), hebben ondertekend,

Verlangend de bepalingen van het Verdrag aan te vullen,

Komen overeen als volgt:

Artikel

1

Elk tegenwoordig of toekomstig lid van de Raad van Europa, dat het Verdrag niet heeft ondertekend, kan toetreden tot dit Verdrag en tot dit Protocol door nederlegging van zijn akte van toetreding tot beide instrumenten bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die van deze nederlegging kennis geeft aan de Leden van de Raad.

Artikel

2

Artikel

3

De bepalingen van artikel 15 van het Verdrag zijn eveneens van toepassing — of de Raadgevende Vergadering al of niet zitting heeft — op de vertegenwoordigers in de Vergadering alsmede op hun plaatsvervangers, telkens wanneer zij deelnemen aan een vergadering van een commissie of sub-commissie, of op weg zijn naar of van de plaats van samenkomst.

Artikel

4

De permanente vertegenwoordigers der Leden bij de Raad van Europa genieten, tijdens de uitoefening van hun functie en tijdens hun reizen van en naar de plaats van samenkomst, de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten, welke diplomatieke ambtenaren van overeenkomstige rang genieten.

Artikel

5

Deze voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden toegekend aan de vertegenwoordigers der Leden, niet voor hun persoonlijk voordeel, maar teneinde de onafhankelijke uitoefening van hun functie in verband met de Raad van Europa te verzekeren. Een Lid heeft derhalve niet alleen het recht, maar tevens de plicht van de immuniteit van zijn vertegenwoordiger afstand te doen in al die gevallen, waarin naar het oordeel van het Lid de immuniteit de loop van het recht in de weg zou staan en van de immuniteit afstand kan worden gedaan zonder inbreuk te maken op het doel, waarvoor de immuniteit wordt verleend.

Artikel

6

De bepalingen van artikel 4 gelden niet voor de autoriteiten van de Staat, waarvan de vertegenwoordiger een onderdaan is, of van het Lid, waarvan hij de vertegenwoordiger is of is geweest.

Artikel

7

Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

Gedaan te Straatsburg, de zesde November 1952, in de Franse en Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar, dat bewaard blijft in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal zal hiervan een gewaarmerkt afschrift doen toekomen aan elk der ondertekenende of toetredende Regeringen.