Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering

Verdrag tussen Nederland en België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent der Belgen, in naam van zijne Majesteit de Koning der Belgen, gelijkelijk bezield door de wens elkanders onderdanen gelijk te stellen voor de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt der sociale verzekering en om de gevolgen te regelen voor elkanders onderdanen van het naast elkaar werken dier wetgevingen, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden: Willem Drees, Hoogstderzelver Minister van Sociale Zaken;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins-Regent der Belgen, in naam van Zijne Majesteit de Koning der Belgen: Léon-Eli Troclet, Hoogstdeszelfs Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg,

die, daartoe behoorlijk gemachtigd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

AFDELING

I

Beginselen

Artikel

1

Artikel

2

Ten aanzien van de toepassing van de wetten en voorschriften, bedoeld in het eerste lid van artikel 1, wordt in beide verdragsluitende landen geen onderscheid gemaakt tussen Belgische en Nederlandse onderdanen.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Ten aanzien van de onderdanen van elk der verdragsluitende landen, die achtereenvolgens of om beurten onderworpen geweest zijn aan de wetten en voorschriften der beide landen, wordt bij het berekenen van de wachttijd of van het aantal premiën, vereist om recht te hebben op de wettelijke voordelen, in aanmerking gebracht de gezamenlijke duur van de tijdvakken, gedurende welke zij in beide landen verplicht verzekerd zijn geweest of het totale aantal van de in beide landen betaalde premiën.

AFDELING

II

Bijzondere bepalingen betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

AFDELING

III

Bijzondere bepalingen betreffende de geneeskundige verzorging

Artikel

11

De geneeskundige verzorging wordt aan de verzekerde en aan de leden van zijn gezin verstrekt overeenkomstig de in de woonplaats van de verzekerde geldende wetgeving.

Artikel

12

De bevoegde autoriteiten van elk der verdragsluitende landen zullen de wijze van uitvoering van het bepaalde in artikel 11 in gemeen overleg vastleggen en met name het bedrag van de vergoedingen bepalen, die onderscheidenlijk door de Belgische en Nederlandse organen verschuldigd zijn als tegenwaarde voor de geneeskundige verzorging, verstrekt aan de onderdanen van het ene en het andere land.

AFDELING

IV

Bijzondere bepalingen betreffende de onvrijwillige werkloosheid

Artikel

13

AFDELING

V

Bijzondere bepalingen betreffende het stelsel der gezinsvergoedingen en het geboortegeld

Artikel

14

De gezinsvergoedingen en het geboortegeld worden toegekend, onverschillig in welk der beide landen de kinderen geboren zijn of worden opgevoed.

AFDELING

VI

Bijzondere bepalingen betreffende het stelsel van de pensioenen der mijnwerkers en der met dezen gelijkgestelden

Artikel

15

De uitvoeringsmaatregelen betreffende de toepassing van het pensioenstelsel der mijnwerkers en der met dezen gelijkgestelden zullen door de bevoegde autoriteiten van beide landen in gemeen overleg worden vastgesteld overeenkomstig de beginselen en de geest van dit verdrag.

AFDELING

VII

Slotbepalingen

Artikel

16

Artikel

17

Alle wijzigingen, welke later in de in artikel 1 bedoelde wetten en voorschriften van een der beide landen mochten worden aangebracht en alle uitbreidingen, welke die wetten en voorschriften mochten ondergaan, zullen van rechtswege van toepassing zijn op de onderdanen van het andere land, tenzij een der beide landen bezwaar maakt binnen een termijn van zes maanden na de inwerkingtreding van de desbetreffende wijziging of uitbreiding.

Artikel

18

Alle geschillen betreffende de toepassing van dit verdrag zullen door de bevoegde autoriteiten van elk der beide verdragsluitende landen in gemeen overleg geregeld worden. Indien langs deze weg geen oplossing bereikt kan worden, zal het geschil beslecht worden volgens een scheidsrechterlijke procedure vastgesteld door een schikking te treffen tussen beide Regeringen; het scheidsrechterlijk orgaan zal het geschil beslechten volgens de beginselen en de geest van dit verdrag.

Artikel

19

In elk der verdragsluitende landen worden als bevoegde autoriteiten in de zin van dit verdrag beschouwd de Minister of Ministers, die met de uitvoering der in artikel 1 bedoelde wetten en voorschriften belast zijn.

Artikel

20

Bezwaarschriften, die binnen de gestelde termijn moeten worden ingediend bij een orgaan van een der verdragsluitende landen, bevoegd om bezwaarschriften in zake de bij dit verdrag bedoelde aangelegenheden te onderzoeken, worden als ontvankelijk beschouwd, wanneer zij binnen die termijn bij een overeenkomstig orgaan van het andere land zijn ingediend, door een belanghebbende, die zijn woonplaats in dat andere land heeft. In dit geval zendt dit laatste orgaan het bezwaarschrift onverwijld aan het bevoegde orgaan door.

Artikel

21

Artikel

22

Dit verdrag wordt aangegaan voor de duur van één jaar; het zal van jaar tot jaar stilzwijgend worden verlengd, behoudens in geval van opzegging, waarvan drie maanden vóór het verstrijken van de termijn kennis moet worden gegeven.

Artikel

23

TER OORKONDE WAARVAN de wederzijdse gevolmachtigden dit verdrag in de Franse en de Nederlandse talen hebben ondertekend en van hun zegels voorzien.

Gedaan, in tweevoud, te 's-Gravenhage, de 29ste augustus 1947.

(w.g.) W. DREES

(w.g.) LEON-ELI TROCLET