Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor de aan beide zijden van de grens langs de Maas gelegen steenkolenmijnen

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor de aan beide zijden van de grens langs de Maas gelegen steenkolenmijnen

Hare majesteit de Koningin der Nederlanden, enerzijds,

en

Zijne Koninklijke Hoogheid de Koninklijke Prins, anderzijds,

Geleid door de wens, de winning van steenkolen in de aan beide zijden van de Nederlands-Belgische grens langs de Maas gelegen steenkolenmijnen te vergemakkelijken en daardoor het verlies van ontginbare steenkolen tot een minimum te beperken, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd te weten:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie Baron B. Ph. van Harinxma thoe Slooten, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur der Nederlanden te Brussel,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Koninklijke Prins:

De Heer Paul van Zeeland, Minister van Buitenlandse Zaken,

Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Voor de tussen de Rijksgrens en de ontginningsgrens liggende gedeelten geldt het navolgende:

  • a.

    Ten aanzien van het politietoezicht in het ondergronds mijnbedrijf zijn de wetten, verordeningen en andere bepalingen van die Staat van toepassing, in wiens gebied de kolen aan de oppervlakte worden gebracht.

  • b.

    Eveneens is het Toezicht op de Mijnen van die Staat bevoegd tot het uitoefenen van toezicht op de ondergrondse werken.

  • c.

    De rechtstoestand van de ondergrondse mijnarbeiders en beambten wordt beheerst door de wetten, verordeningen en andere bebepalingen, bedoeld onder a, van dit artikel.

  • d.

    Handelingen en nalatigheden in de ondergrondse werken, ook die van straf- en burgerrechtelijke aard, worden geacht te hebben plaats gehad in die Staat, waarin de kolen aan de oppervlakte worden gebracht.

  • e.

    De rechtsgevolgen, welke uit de verhouding van de eigendom van de mijn tot de eigendom van de grond en tot de hierop rustende zakelijke rechten voortvloeien, in het bijzonder de aanspraken wegens mijnschade, worden beoordeeld naar de wetten van de Staat, waarin het perceel is gelegen. Voor deze rechtsgevolgen zal uitsluitend aansprakelijk zijn de mijn, welke behoort tot de Staat, waarin het beschadigde perceel is gelegen, ongeacht door welke mijn in werkelijkheid de schade veroorzaakt is of zou kunnen zijn. In beide Staten blijven onverlet de bedingen en voorwaarden ten voordele van de eigenaars van de bovengrondse percelen, aan de concessiehouder bij de akte van concessie opgelegd.

  • f.

    Met betrekking tot in- en uitvoerrechten en tot in- en uitvoerverboden of -beperkingen worden de kolen geacht te zijn gewonnen in de Staat, waarin zij aan de oppervlakte worden gebracht. Overigens wordt zowel van de kolen als van de onderneming belasting geheven volgens de wetten en ten behoeve van de Staat, waarin de schacht voor het kolenvervoer ligt.

  • g.

    Voor bovengrondse werken is de toestemming vereist van de Staat, waarin zij zullen worden aangelegd.

Artikel

6

Artikel

7

Ter oorkonde waarvan de bovengenoemde Gevolmachtigden dit verdrag hebben ondertekend en van hun zegel hebben voorzien.

Gedaan te Brussel, de 23ste October 1950, in tweevoud, in de Nederlandse en in de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor Nederland

Pour les Pays-Bas:

(L.S.) VAN HARINXMA THOE SLOOTEN.