Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en Zijne Majesteit de Koning der Belgen, het nut erkennende om in gemeen overleg eenige eenvormige regelen vast te stellen betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, hebben besloten te dien einde een verdrag te sluiten, en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN:

  • Mr. B. C. J. LODER, Rechter in het Permanente Hof van Internationale Justitie;

  • Mr. J. Ph. SUYLING, Hoogleeraar aan de Universiteit te Utrecht; en

  • Mr. J. KOSTERS, Raadsheer in den Hoogen Raad der Nederlanden;

ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN:

  • den Heer A. GODDYN, Voorzitter eener Kamer bij het Verbrekingshof;

  • den Heer PAUL LECLERCQ, Eerste Advocaat-Generaal bij het Verbrekingshof;

  • den Heer V. KINON, Directeur-Generaal aan het Departement van Justitie; en

  • den Heer M. COSTERMANS, Directeur-Generaal aan het Departement van Buitenlandsche Zaken,

die, na wederzijdsche mededeeling van hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

TITEL

I

Van de territoriale bevoegdheid.

Artikel

1

Artikel

2

Onder voorbehoud voor elken Staat van het recht om hunne bevoegdheid te beoordeelen om voor zijne gerechten op te treden, zullen rechtspersonen, welke opgericht zijn overeenkomstig de wetgeving van een van beide Staten en er hunnen zetel hebben, alsmede lichamen, vereenigingen of gemeenschappen, die volgens de wetgeving van de eene of van de andere der contracteerende partijen bevoegd zijn in rechte op te treden, beschouwd worden, wat betreft de toepassing van de voorschriften nopens de territoriale bevoegdheid, als onderdanen van genoemden Staat en als hebbende aldaar hunne woonplaats.

Artikel

3

Artikel

4

In persoonlijke, hetzij burgerlijke, hetzij handelszaken, kan de eischer het geschil brengen voor den rechter van de plaats waar de verbintenis is ontstaan, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Indien, in geval van beslag onder derden of onder den schuldeischer zelven de partij, te wier laste het beslag wordt gelegd, noch woonplaats, noch verblijfplaats heeft in een der beide landen, is het gerecht van de plaats van het beslag bevoegd om kennis te nemen van het bestaan der vordering, tenzij het onbevoegd is wegens derzelver onderwerp en behoudens het geval van litispendentie. Het gerecht is eveneens bevoegd om te beslissen op den eisch tot van waarde verklaring of tot opheffing van het beslag.

Artikel

8

De voorloopige of conservatoire maatregelen, voorzien in de Nederlandsche of Belgische wetgeving, kunnen in dringende gevallen aangevraagd worden bij de autoriteiten van elk der twee landen, onverschillig welke rechter bevoegd is om van de zaak zelve kennis te nemen.

Artikel

9

Artikel

10

In alle gevallen, waarvoor de voorgaande artikelen noch regels van gemeenschappelijke bevoegdheid, noch eene afwijking van de nationale wetten inhouden, wordt de bevoegdheid in elken Staat geregeld door zijne eigen wetgeving.

TITEL

II

Van het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten.

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Bij het verleenen van het exequatur beveelt de rechter, indien daartoe aanleiding bestaat, het nemen van de maatregelen, noodig opdat de vreemde beslissing dezelfde bekendheid verkrijge, als ware zij uitgesproken in het ressort, waar zij uitvoerbaar is verklaard.

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

De bepalingen van dezen titel zijn van toepassing, welke ook de nationaliteit van partijen zij, behoudens de uitzonderingen, voortspruitend uit de internationale verdragen.

TITEL

III

Van het faillissement.

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

De gevolgen van surséance van betaling of van akkoorden ter voorkoming van faillissement, bewerkstelligd door de gerechten van de woonplaats of van het handelskantoor van den schuldenaar in een der beide Staten, strekken zich, in de mate en onder de voorwaarden hierboven aangeduid, uit tot het gebied van den anderen Staat.

Artikel

25

Elke Staat is bevoegd, om afzonderlijk de bevoegdheid te regelen ten aanzien van den koopman, die noch eene woonplaats noch een handelskantoor heeft in een der beide Staten. In dat geval zullen de artikelen 21 en volgende niet toepasselijk zijn.

TITEL

IV

Slotbepalingen.

Artikel

26

De beide verdragsluitende Staten zullen alle wijzigingen, welke in de wetten en de regels nopens de territoriale bevoegdheid zullen worden gebracht, onverwijld aan elkander mededeelen.

Artikel

27

Artikel

28

Ter oorkonde waarvan de Gevolmachtigden dit verdrag in de Nederlandsche en Fransche talen hebben onderteekend en van hun zegel voorzien.

Gedaan in dubbel te Brussel, den achtentwintigsten Maart 1900 vijfentwintig.

(L. S.) LODER.

(L. S.) J. PH. SUYLING.

(L. S.) J. KOSTERS.

ADDITIONEEL PROTOCOL.

In geval België het faillissement van niet-kooplieden instelt, zal titel III van dit verdrag toepasselijk zijn op het faillissement van niet-kooplieden der beide landen.

Gedaan in dubbel te Brussel, den achtentwintigsten Maart 1900 vijfentwintig.

LODER.

J. PH. SUYLING.

J. KOSTERS.