Verdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

en

Zijne Majesteit de Koning van Groot-Britannië, Ierland en de Britsche Overzeesche Gewesten, Keizer van Indië,

wenschende binnen hun wederzijdsch grondgebied het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken, die bij hunne rechterlijke autoriteiten aanhangig zijn of vermoedelijk zullen worden, wederzijds te vergemakkelijken;

Hebben besloten te dien einde een Verdrag te sluiten en hebben tot hunne gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

  • Jonkheer R. de Marees van Swinderen, Ridder-Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau, Commandeur in de Orde van den Nederlandschen Leeuw, Ridder-Grootkruis in de Victoria-Orde, Hoogst Derzelver Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister te Londen;

  • en

Zijne Majesteit de Koning van Groot-Britannië, Ierland en de Britsche Overzeesche Gewesten, Keizer van Indië:

  • Voor Groot-Britannië en Noord-Ierland:

  • The Right Honourable Sir John Allsebrook Simon, G.C.S.I., K.C.V.O., O.B.E., K.C., M.P., Hoogst Deszelfs Eersten Staatssecretaris voor Buitenlandsche Zaken;

die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, zijn overeengekomen als volgt:

I

Inleidende bepalingen.

Artikel

1

II

Mededeeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken.

Artikel

2

Wanneer met het oog op rechtsgedingen, die aanhangig zijn of, naar te verwachten is, in de toekomst zullen worden bij de rechterlijke autoriteiten binnen het grondgebied van een der Hooge Verdragsluitende Partijen, gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken dienen te worden medegedeeld binnen het grondgebied der andere Hooge Verdragsluitende Partij, kunnen deze stukken aan hem voor wien zij zijn bestemd, welke ook diens nationaliteit moge zijn, op de bij artikel 3 omschreven wijze, worden medegedeeld.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

III

Bewijslevering.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

De omstandigheid, dat eene poging tot bewijslevering op de bij artikel 8 omschreven wijze niet geslaagd is tengevolge van de weigering van eenigen getuige om aan het tot hem gericht verzoek gevolg te geven, verhindert niet, dat daarna eene rogatoire commissie overeenkomstig artikel 7 wordt uitgezonden.

Artikel

10

IV

Algemeene Bepalingen.

Artikel

11

Alle moeilijkheden, die met betrekking tot de werking van het onderhavige Verdrag mochten rijzen, zullen langs diplomatieken weg worden geregeld.

Artikel

12

Het onderhavige Verdrag, welks Engelsche en Nederlandsche teksten gelijkelijk verbindend zijn, is aan bekrachtiging onderworpen. De akten van bekrachtiging zullen in Londen worden uitgewisseld. Het Verdrag treedt in werking na verloop van één maand na den datum, waarop de akten van bekrachtiging zijn uitgewisseld en zal gedurende drie jaren na den datum van het in werking treden van kracht blijven. Indien geen der Hooge Verdragsluitende Partijen tenminste zes maanden vóór den afloop van den bovenvermelden termijn van drie jaren het Verdrag langs diplomatieken weg heeft opgezegd, zal hetzelve van kracht blijven tot den afloop van een termijn van zes maanden, te rekenen van den dag, waarop door een der Hooge Verdragsluitende Partijen aan de andere eene opzegging zal zijn gedaan.

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Ter oorkonde waarvan de ondergeteekenden dit Verdrag in de Nederlandsche en de Engelsche taal hebben geteekend en van hunne zegels voorzien.

Gedaan in dubbel te Londen, den 31sten Mei 1932.

(L.S.) R. DE MAREES VAN SWINDEREN.

(L.S.) JOHN SIMON.