De overeenkomstsluitende partijen, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en de Republiek Finland;
Vastbesloten om in de Europese Unie een geïntegreerd financieel kader tot stand te brengen waarvan de bankenunie een fundamenteel onderdeel uitmaakt;
Herinnerend aan het Besluit van de vertegenwoordigers van de lidstaten van de eurozone, in het kader van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2013 bijeen, met betrekking tot het voeren van onderhandelingen over en het sluiten van een intergouvernementele overeenkomst betreffende het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds ( het „Fonds”) ingesteld bij Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds1)Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad. („GAM-verordening”), alsook aan de aan dat besluit gehechte beschrijving van hetgeen bij die overeenkomst dient te worden geregeld (de „Terms of Reference”);
-
1.
De afgelopen jaren heeft de Europese Unie een aantal rechtshandelingen aangenomen die cruciaal zijn voor het verwezenlijken van de interne markt voor financiële diensten en voor het waarborgen van de financiële stabiliteit van de eurozone en van de Unie als geheel, alsmede voor het proces dat moet leiden tot een hechtere economische en monetaire unie.
-
2.
In juni 2009 heeft de Europese Raad gepleit voor het opstellen van „één enkel Europees „rulebook” dat toepasselijk is voor alle financiële instellingen van de interne markt”. De Unie heeft aldus een gemeenschappelijk pakket geharmoniseerde prudentiële voorschriften opgesteld die de kredietinstellingen in de hele Unie in acht moeten nemen, namelijk bij Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad2)Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1). en bij Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad3) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338)..
-
3.
Voorts heeft de Unie de Europese toezichthoudende autoriteiten opgericht, waaraan een aantal taken op het gebied van microprudentieel toezicht wordt toevertrouwd. Het betreft de Europese Bankautoriteit (EBA), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad4)Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12)., de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EAVB), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad5)Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48). en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad6)Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).. Dat is gepaard gegaan met de oprichting van het Europees Comité voor systeemrisico's bij Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad7)Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1)., waaraan een aantal taken op het gebied van macroprudentieel toezicht is toevertrouwd.
-
4.
De Unie heeft een gemeenschappelijk toezichtsmechanisme ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad8)Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63). waarbij aan de Europese Centrale Bank (ECB) specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, en waarbij aan de ECB, die handelt in samenwerking met de nationale bevoegde autoriteiten, toezichtsbevoegdheden worden verleend ten aanzien van de kredietinstellingen welke zijn gevestigd in de lidstaten die de euro als munt hebben en in de lidstaten die de euro niet als munt hebben en welke voor toezichtdoeleinden een nauwe samenwerking zijn aangegaan met de ECB (de „deelnemende lidstaten”).
-
5.
Door de Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen9)Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EG van de Raad en Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad. („BHA-richtlijn”), harmoniseert de Unie de nationale wet- en regelgeving inzake de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen, waarbij hij onder meer voorziet in de instelling van nationale financieringsregelingen voor de afwikkeling.
-
6.
De Europese Raad van 13 en 14 december 2012 heeft verklaard: „Als het bankentoezicht daadwerkelijk bij een gemeenschappelijk toezichtsmechanisme komt te berusten, is er een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme nodig, met de nodige bevoegdheden om ervoor te zorgen dat banken in deelnemende lidstaten met passende instrumenten kunnen worden afgewikkeld”. De Europese Raad van 13 en 14 december 2012 heeft voorts verklaard dat „het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme moet berusten op bijdragen van de financiële sector zelf en passende, effectieve achtervangregelingen moet omvatten. Deze achtervang moet op de middellange termijn begrotingsneutraal zijn, door ervoor te zorgen dat de overheidssteun achteraf wordt gecompenseerd door middel van ex-post-heffingen op de financiële sector”. Tegen deze achtergrond heeft de Unie de GAM-verordening vastgesteld die voorziet in een gecentraliseerd besluitvormingssysteem voor afwikkeling, dat door middel van de instelling van het Fonds over afdoende financieringsmiddelen beschikt. De GAM-verordening is van toepassing op de in de deelnemende lidstaten gelegen entiteiten.
-
7.
De GAM-verordening voorziet met name in het Fonds en in de modaliteiten voor het gebruik ervan. De BHA-richtlijn en de GAM-verordening bevatten de algemene criteria om te bepalen hoe de vooraf en achteraf te betalen bijdragen van instellingen die noodzakelijk zijn voor de financiering van het Fonds worden vastgesteld en berekend, alsook een verplichting voor de lidstaten om deze bijdragen op nationaal niveau te innen. De deelnemende lidstaten die op grond van de BHA-richtlijn en GAM-verordening de bijdragen van de op hun grondgebied gelegen instellingen innen, blijven evenwel bevoegd wat het overdragen van die bijdragen aan het Fonds betreft. De verplichting om de op nationaal niveau geïnde bijdragen aan het fonds over te dragen, vloeit niet voort uit het recht van de Unie. Deze verplichting zal worden ingesteld bij de onderhavige overeenkomst, die de voorwaarden bepaalt waaronder de overeenkomstsluitende partijen, conform hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen, gezamenlijk overeenkomen de door hen op nationaal niveau geïnde bijdragen aan het Fonds over te dragen.
-
8.
De bevoegdheid van elk van de deelnemende lidstaten om de op nationaal niveau geïnde bijdragen over te dragen, dient zodanig te worden uitgeoefend dat zij in overeenstemming is met het in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verankerde beginsel van loyale samenwerking, op grond waarvan de lidstaten, onder meer, de vervulling van de taken van de Unie faciliteren en zich onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen. Met het oog op de goede werking van het Fonds dienen de deelnemende lidstaten er daarom voor te zorgen dat de nodige financiële middelen op uniforme wijze naar het Fonds worden geleid.
-
9.
Bijgevolg hebben de overeenkomstsluitende partijen deze overeenkomst gesloten, waarbij zij zich er onder meer toe verbinden om de op nationaal niveau geïnde bijdragen aan het Fonds over te dragen, op grond van eenvormige criteria, modaliteiten en voorwaarden, met name de toewijzing, gedurende een overgangsperiode, van de op nationaal niveau geïnde bijdragen aan onderscheiden, met elk van de overeenkomstsluitende partijen overeenstemmende compartimenten, alsook de geleidelijk toenemende mutualisatie van de compartimenten op zodanige wijze dat de compartimenten aan het einde van de overgangsperiode ophouden te bestaan.
-
10.
De overeenkomstsluitende partijen herinneren eraan dat zij beogen een gelijk speelveld te behouden en de totale kosten van de afwikkeling voor de belastingbetaler te beperken, en zij zullen bij het bepalen van de bijdragen aan het Fonds en de fiscale behandeling daarvan rekening houden met de algehele last voor de respectieve banksectoren.
-
11.
De inhoud van deze overeenkomst is beperkt tot de specifieke aspecten inzake het Fonds die tot de bevoegdheid van de lidstaten blijven behoren. Deze overeenkomst heeft geen gevolgen voor op grond van het recht van de Unie vastgestelde gemeenschappelijke regels, noch voor hun toepassingsgebied. De overeenkomst is veeleer bedoeld ter aanvulling van de Uniewetgeving inzake de afwikkeling van banken, alsook ter ondersteuning van de verwezenlijking van het beleid van de Unie waarmee zij van nature verband houdt, met name de totstandbrenging van de interne markt voor financiële diensten.
-
12.
De nationale wet- en regelgeving die uitvoering geeft aan de BHA-richtlijn, waaronder de bepalingen betreffende de instelling van nationale financieringsregelingen, worden met ingang van 1 januari 2015 van toepassing. De bepalingen van de GAM-verordening die betrekking hebben op de instelling van het Fonds zullen in beginsel met ingang van 1 januari 2016 van toepassing zijn. Bij gevolg zullen de overeenkomstsluitende partijen tot de datum van toepassing van de GAM-verordening bijdragen innen die zij oormerken voor de nationale financieringsregeling voor de afwikkeling tot instelling waarvan zij gehouden zijn, en zullen zij met ingang van die datum de voor het Fonds te oormerken bijdragen innen. Opdat het Fonds vanaf het begin aan financiële slagkracht wint, verbinden de overeenkomstsluitende partijen zich ertoe de door hen krachtens de BHA-richtlijn geïnde bijdragen tot de datum van toepassing van de GAM-verordening aan het Fonds over te dragen.
-
13.
Onderkend wordt dat er situaties kunnen bestaan waarin de in het Fonds beschikbare middelen niet volstaan om een specifieke afwikkelingsmaatregel uit te voeren, en waarin de achteraf te betalen bijdragen die ter aanvulling van de ontbrekende bedragen moeten worden geïnd, niet onmiddellijk toegankelijk zijn. Ingevolge de verklaring van de Eurogroep en de Raad van 18 december 2013 en om ervoor te zorgen dat er gedurende de overgangsperiode doorlopend afdoende financiering beschikbaar is, dienen de overeenkomstsluitende partijen die bij een specifieke afwikkelingsmaatregel betrokken zijn, overbruggingsfinanciering te verstrekken uit nationale bronnen of uit het Europees stabiliteitsmechanisme („ESM”), volgens overeengekomen procedures, met inbegrip van instelling van mogelijkheden tot tijdelijke overdrachten tussen nationale compartimenten. De overeenkomstsluitende partijen dienen te voorzien in procedures waardoor verzoeken om overbruggingsfinanciering vlot kunnen worden behandeld. Gedurende de overgangsperiode zal een gemeenschappelijke achtervang worden ontwikkeld. Door die achtervang zal het Fonds gemakkelijker leningen kunnen aangaan. De banksector zal uiteindelijk worden aangesproken voor de terugbetaling, in de vorm van bijdragen in alle deelnemende lidstaten, met inbegrip van achteraf te betalen bijdragen. Die regelingen zullen ervoor zorgen dat alle aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemende overeenkomstsluitende partijen, ook die welke in een later stadium toetreden, wat rechten en plichten betreft op gelijke voet worden behandeld, zowel in de overgangsfase als in stabiele toestand. Die regelingen zullen een gelijk speelveld respecteren jegens de niet aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemende lidstaten.
-
14.
Deze overeenkomst moet worden bekrachtigd door alle lidstaten die de euro als munt hebben en door de lidstaten die de euro niet als munt hebben maar aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemen.
-
15.
De lidstaten die niet de euro als munt hebben en die geen overeenkomstsluitende partij zijn, moeten met ingang van de datum waarop zij de euro als munt aannemen dan wel met ingang van de datum van de inwerkingtreding van het in artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bedoelde besluit van de ECB tot het aangaan van nauwe samenwerking, tot deze overeenkomst toetreden, met alle rechten en verplichtingen, conform die van de overeenkomstsluitende partijen.
-
16.
Op 21 mei 2014 hebben de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten de overeenkomstsluitende partijen gemachtigd om de Europese Commissie en de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (de „afwikkelingsraad”) te verzoeken de in deze overeenkomst bedoelde taken uit te voeren.
-
17.
Artikel 15 van de GAM-verordening als op de datum van initiële vaststelling ervan voorziet in algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling op grond waarvan de aandeelhouders van de instelling in afwikkeling de eerste verliezen dragen en de crediteuren van de instelling in afwikkeling na de aandeelhouders verliezen dragen, volgens de rangorde van hun vorderingen. Artikel 27 van de GAM-verordening voorziet dienovereenkomstig in een instrument van bail-in dat vereist dat door de aandeelhouders, de houders van relevante kapitaalinstrumenten en andere in aanmerking komende passiva middels afschrijving, omzetting of anderszins een bijdrage is geleverd aan het opvangen van verliezen en aan de herkapitalisatie voor een bedrag van ten minste 8% van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen van de instelling in afwikkeling, gemeten volgens de in artikel 20 van de GAM-verordening bedoelde waardering op het tijdstip waarop de afwikkelingsmaatregel is genomen; en vereist ook dat de bijdrage van het Fonds niet hoger is dan 5% van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de instelling in afwikkeling, gemeten volgens de in artikel 20 van de GAM-verordening bedoelde waardering op het tijdstip waarop de afwikkelingsmaatregel is genomen, tenzij alle ongedekte, niet-preferente passiva, met uitzondering van in aanmerking komende deposito's, volledig zijn afgeschreven of omgezet. Bovendien voorzien de artikelen 18, 52 en 55 van de GAM-verordening als op de datum van initiële vaststelling ervan in een aantal procedureregels inzake de besluitvorming van de afwikkelingsraad en van de instellingen van de Unie. Die onderdelen van de GAM-verordening vormen een wezenlijke grond voor de instemming van de overeenkomstsluitende partijen om door deze overeenkomst gebonden te worden.
-
18.
De overeenkomstsluitende partijen erkennen dat de toepasselijke bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht alsook het internationaal gewoonterecht van toepassing zijn met betrekking tot een tegen de wil van de partijen ingetreden wezenlijke verandering van omstandigheden, en waarvan het bestaan een wezenlijke grond vormde voor de instemming van de partijen om door de bepalingen van deze overeenkomst gebonden te worden, als bedoeld in overweging 17. De overeenkomstsluitende partijen kunnen zich dienovereenkomstig beroepen op de gevolgen van een tegen hun wil ingetreden wezenlijke verandering van omstandigheden, conform het internationaal publiekrecht. Indien een overeenkomstsluitende partij zich op die gevolgen beroept, kan elke andere overeenkomstsluitende partij de zaak voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het „Hof van Justitie”). Het Hof van Justitie dient bevoegd te zijn om na te gaan of er een wezenlijke verandering van omstandigheden is ingetreden en welke de uit die verandering voortvloeiende gevolgen zijn. De overeenkomstsluitende partijen erkennen dat het aanvoeren van die gevolgen na de herroeping of wijziging van eender welk van de in overweging 17 bedoelde onderdelen van de GAM-verordening, tegen de wil van eender welke van de overeenkomstsluitende partijen en waarvan het bestaan een wezenlijke grond vormde voor de instemming van de partijen om door de bepalingen van deze overeenkomst gebonden te worden, zal neerkomen op een geschil betreffende de toepassing van deze overeenkomst waarop artikel 273 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) van toepassing is en dat derhalve op grond van dat artikel aan het Hof van Justitie kan worden voorgelegd. Elke overeenkomstsluitende partij kan tevens, overeenkomstig artikel 278 VWEU en de artikelen 160 tot en met 162 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie10)Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van 25 september 2012 (PB L 265 van 29.9.2012, blz. 1), met inbegrip van de latere wijzigingen daarvan., het Hof van Justitie om voorlopige maatregelen verzoeken. Bij de beslissing over het geschil en over het toekennen van voorlopige maatregelen dient het Hof van Justitie rekening te houden met de verplichtingen die de overeenkomstsluitende partijen uit hoofde van het VEU en het VWEU hebben, waaronder die met betrekking tot het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en de integriteit daarvan.
-
19.
Het valt binnen de bevoegdheid van het Hof van Justitie om te bepalen of de instellingen van de Unie, de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten het instrument van bail-in toepassen op een wijze die verenigbaar is met het recht van de Unie, conform de door het VEU en het VWEU geboden rechtsmiddelen, met name de artikelen 258, 259, 260, 263, 265 en 266 VWEU.
-
20.
Deze overeenkomst is een internationaal publiekrechtelijk instrument en bevat als zodanig rechten en verplichtingen waarop het wederkerigheidsbeginsel van toepassing is. De instemming van elk van de overeenkomstsluitende partijen om door de bepalingen van deze overeenkomst gebonden te worden, is derhalve afhankelijk van de gelijkwaardige vervulling van de rechten en verplichtingen door elk van de overeenkomstsluitende partijen. Bijgevolg dient de niet-naleving door een overeenkomstsluitende partij van de verplichting tot overdracht van de bijdragen aan het Fonds tot gevolg te hebben dat de entiteiten waaraan op het grondgebied van die partij vergunning is verleend, van de toegang tot het Fonds worden uitgesloten. De afwikkelingsraad en het Hof van Justitie dienen bevoegd te zijn te bepalen of, casu quo te constateren dat een overeenkomstsluitende partij zijn verplichting tot overdracht van de bijdragen volgens de in deze overeenkomst vastgestelde procedures niet heeft nageleefd. De overeenkomstsluitende partijen erkennen dat het enige rechtsgevolg van niet-naleving door een overeenkomstsluitende partij van de verplichting tot overdracht van de bijdragen is dat die partij van financiering krachtens het Fonds wordt uitgesloten, en dat de verplichtingen die krachtens de overeenkomst op de andere overeenkomstsluitende partijen rusten, onverlet blijven.
-
21.
Deze overeenkomst voorziet in een mechanisme waardoor de deelnemende lidstaten zich ertoe verbinden gezamenlijk, onverwijld en met rente elke lidstaat die niet aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelneemt te vergoeden voor het bedrag dat de niet-deelnemende lidstaat heeft betaald in de vorm van eigen middelen en dat overeenkomt met het gebruik van de algemene begroting van de Unie in gevallen van niet-contractuele aansprakelijkheid en daarmee verbonden kosten, met betrekking tot de uitoefening van bevoegdheden door de instellingen van de Unie krachtens de GAM-verordening. Elke deelnemende lidstaat dient uit hoofde van deze regeling afzonderlijk en individueel, en dus niet hoofdelijk en gezamenlijk, aansprakelijk te zijn en derhalve dient elk van de deelnemende lidstaten slechts te worden aangesproken voor hun deel van de verplichting tot terugbetaling als bepaald conform deze overeenkomst.
-
22.
Geschillen tussen de overeenkomstsluitende partijen omtrent de uitlegging en toepassing van deze overeenkomst, waaronder geschillen die de naleving van de hierin neergelegde verplichtingen betreffen, dienen te worden voorgelegd aan het Hof van Justitie conform artikel 273 VWEU. Lidstaten die niet de euro als munt hebben en die geen partij bij deze overeenkomst zijn, moeten geschillen omtrent de uitlegging en de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze overeenkomst betreffende vergoeding wegens niet-contractuele aansprakelijkheid en daarmee verbonden kosten aan het Hof van Justitie kunnen voorleggen.
-
23.
De overdracht van bijdragen door overeenkomstsluitende partijen die aan het gemeenschappelijk toezichtmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme gaan deelnemen op een latere datum dan de datum van toepassing van deze overeenkomst, dient te geschieden conform het beginsel van gelijke behandeling met de op de datum van toepassing van deze overeenkomst aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en aan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemende overeenkomstsluitende partijen. De op de datum van toepassing van deze overeenkomst aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemende overeenkomstsluitende partijen worden niet geacht de lasten te dragen van afwikkelingen waarvoor de nationale financieringsregelingen van de overeenkomstsluitende partijen die pas op een latere datum gaan deelnemen, geacht werden bij te dragen. Evenzo worden de laatstgenoemden niet geacht de kosten te dragen van afwikkelingen die zich voordoen vóór de datum waarop zij deelnemende lidstaten worden, waarvoor het Fonds dient te worden aangesproken.
-
24.
Indien de nauwe samenwerking die is aangegaan tussen de ECB en een overeenkomstsluitende partij die niet de euro als munt heeft, conform artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 wordt beëindigd, dient een besluit tot eerlijke verdeling van de gecumuleerde bijdragen van de betrokken overeenkomstsluitende partij te worden genomen, waarbij zowel de belangen van de betrokken overeenkomstsluitende partij als de belangen van het Fonds in aanmerking moeten worden genomen. Dienovereenkomstig bevat artikel 4, lid 3, van de GAM-verordening de modaliteiten, de criteria en de procedure volgens dewelke de afwikkelingsraad met de bij de beëindiging van de nauwe samenwerking betrokken lidstaat overeenstemming dient te bereiken over de recuperatie van de door die lidstaat overgedragen bijdragen.
-
25.
Onverminderd de procedures en vereisten van de Verdragen waarop de Europese Unie gegrondvest is, bestaat het doel van de overeenkomstsluitende partijen erin de materiële bepalingen van deze overeenkomst zo snel mogelijk in het rechtskader van de Unie te doen opnemen, conform het VEU en het VWEU,