Besluit van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (2014/335/EU, Euratom)

Besluit van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (2014/335/EU, Euratom)

De Raad van de Europese Unie,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 311, derde alinea,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

  • 1.

    Het stelsel van eigen middelen van de Unie moet de zekerheid bieden dat de middelen toereikend zijn voor een geordende ontwikkeling van het beleid van de Unie, zonder dat daarbij de noodzaak van een strakke begrotingsdiscipline uit het oog wordt verloren. De ontwikkeling van het stelsel van eigen middelen kan en moet tevens bijdragen tot intensievere inspanningen met het oog op begrotingsconsolidatie in de lidstaten en in zo groot mogelijke mate bijdragen tot de ontwikkeling van beleidsinitiatieven van de Unie.

  • 2.

    Dit besluit moet pas in werking treden na door alle lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen te zijn goedgekeurd; de nationale soevereiniteit wordt hierbij derhalve ten volle in acht genomen.

  • 3.

    De Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 heeft onder andere geconcludeerd dat de algemene doelstellingen van eenvoudigheid, transparantie en billijkheid als leidraad voor de eigenmiddelenregelingen moeten dienen. Deze regelingen moeten er derhalve voor zorgen, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Fontainebleau van 1984, dat geen enkele lidstaat een begrotingslast draagt die buitensporig is in vergelijking met zijn relatieve welvaart. Er moeten dus bepalingen voor specifieke lidstaten worden opgenomen.

  • 4.

    De Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 heeft besloten dat Duitsland, Nederland en Zweden uitsluitend voor de periode 2014-2020 een lager afdrachtpercentage moeten genieten voor de eigenmiddelenbron op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw). Hij heeft tevens besloten dat Denemarken, Nederland en Zweden uitsluitend voor de periode 2014-2020 een brutovermindering van hun jaarlijkse bni-bijdrage moeten genieten, alsook dat Oostenrijk uitsluitend voor de periode 2014-2016 een brutovermindering van zijn jaarlijkse bni- bijdrage geniet. De Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 heeft besloten dat het bestaande correctiemechanisme ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk van toepassing moet blijven.

  • 5.

    De Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 heeft besloten dat er aan het systeem voor de inning van de traditionele eigen middelen niets moet veranderen. Met ingang van 1 januari 2014 moeten de lidstaten evenwel 20 % van de door hen geïnde bedragen als inningskosten inhouden.

  • 6.

    Om te zorgen voor een strakke begrotingsdiscipline en gelet op de Mededeling van de Commissie van 16 april 2010 betreffende de aanpassing van het maximumbedrag van de eigen middelen en van het maximum van de kredieten voor vastleggingen naar aanleiding van het besluit om de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) in de berekening van de eigen middelen op te nemen, moet het maximumbedrag van de eigen middelen gelijk zijn aan 1,23 % van de som van de bni’s van de lidstaten tegen marktprijzen voor betalingskredieten en moet het maximum van 1,29 % van de som van de bni’s van de lidstaten worden vastgesteld voor vastleggingskredieten. Deze maximumbedragen zijn gebaseerd op het Europees rekeningenstelsel 1995 (ESR 95), inclusief de IGDFI, omdat de gegevens op basis van het Europees rekeningenstelsel dat is opgezet bij Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad2)Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1). (hierna „het ESR 2010”), niet beschikbaar zullen zijn wanneer dit besluit wordt vastgesteld. Om de financiële middelen die ter beschikking van de Unie worden gesteld op hetzelfde peil te handhaven, moeten deze in percenten van het bni uitgedrukte maxima worden aangepast. De maxima moeten worden aangepast zodra alle lidstaten hun gegevens op basis van ESR 2010 hebben toegezonden. In het geval dat er wijzigingen in ESR 2010 zijn die een significante verandering van het bni-peil met zich brengen, moeten de maximumbedragen voor de eigen middelen en voor de vastleggingskredieten opnieuw worden aangepast.

  • 7.

    De Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 heeft een beroep gedaan op de Raad om te blijven voortwerken aan het voorstel van de Commissie voor een nieuwe eigenmiddelenbron op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) om die zo eenvoudig en transparant mogelijk te maken, het verband met het btw-beleid van de Unie en de feitelijke btw-inkomsten te versterken en een gelijke behandeling van de belastingbetalers in alle lidstaten te waarborgen. De Europese Raad heeft besloten dat de nieuwe btw-middelenbron de huidige zou kunnen vervangen. De Europese Raad heeft er tevens nota van genomen dat de Raad op 22 januari 2013 het besluit houdende machtiging om een nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van belasting op financiële transacties heeft vastgesteld3)PB L 22 van 25.1.2013, blz. 11.. Hij heeft de deelnemende lidstaten verzocht zich te beraden op de vraag of die belasting de basis voor een nieuwe eigenmiddelenbron voor de Uniebegroting kan vormen. De Europese Raad heeft besloten dat dit geen gevolgen zal hebben voor niet-deelnemende lidstaten en evenmin voor de berekening van de correctie ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk.

  • 8.

    De Europese Raad van 7 en 8 februari 2013 heeft besloten dat een verordening van de Raad tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Unie zal worden vastgesteld, zoals in artikel 311, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald. Daarom moeten bepalingen van algemene aard, die van toepassing zijn op alle soorten eigen middelen en waarvoor, zoals in de Verdragen is bepaald, adequate parlementaire controle nodig is, in die verordening worden opgenomen, zoals, in het bijzonder, de procedure voor de berekening en budgettering van het saldo van de jaarlijkse begroting en aspecten van de controle en het toezicht op de inkomsten.

  • 9.

    Om redenen van samenhang, continuïteit en rechtszekerheid dienen er bepalingen te worden ingevoerd die de transitie mogelijk maken van het bij Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad4)Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17). ingevoerde stelsel naar het uit dit besluit voortvloeiende stelsel.

  • 10.

    Besluit 2007/436/EG, Euratom moet worden ingetrokken.

  • 11.

    Voor de toepassing van dit besluit dienen alle bedragen te worden uitgedrukt in euro.

  • 12.

    De Europese Rekenkamer en het Europees Economisch en Sociaal Comité zijn geraadpleegd en hebben advies uitgebracht5)Advies nr. 2/2012 van de Europese Rekenkamer van 20 maart 2012 (PB C 112 van 18.4.2012, blz. 1) en advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2012 (PB C 181 van 21.6.2012, blz. 45)..

  • 13.

    Om de transitie naar het herziene stelsel van eigen middelen te waarborgen en om ervoor te zorgen dat deze met het begrotingsjaar samenvalt, moet dit besluit met ingang van 1 januari 2014 van toepassing zijn,

Heeft het volgende besluit vastgesteld:

Artikel

2

Categorieën eigen middelen en specifieke berekeningsmethoden

Artikel

3

Maximum van de eigen middelen

Artikel

4

Correctiemechanisme ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk

Aan het Verenigd Koninkrijk wordt een correctie voor begrotingsonevenwichtigheden toegestaan.

Deze correctie wordt bepaald:

  • a.

    door het verschil in het voorafgaande begrotingsjaar te berekenen tussen:

    • het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de som van de niet-afgetopte btw-grondslagen, en

    • het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de totale toegewezen uitgaven;

  • b.

    door het aldus verkregen verschil te vermenigvuldigen met de totale toegewezen uitgaven;

  • c.

    door de uitkomst van punt b) te vermenigvuldigen met 0,66;

  • d.

    door van de uitkomst van punt c) de effecten af te trekken die de transitie naar de afgetopte btw en de in artikel 2, lid 1, onder c), bedoelde afdrachten voor het Verenigd Koninkrijk meebrengen, dat wil zeggen het verschil tussen:

    • het bedrag dat door het Verenigd Koninkrijk zou zijn afgedragen voor de bedragen gefinancierd uit de middelen bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b) en c), indien het uniforme percentage was toegepast op de niet-afgetopte btw-grondslagen, en

    • de uit de toepassing van artikel 2, lid 1, onder b) en c), voortvloeiende afdrachten van het Verenigd Koninkrijk;

  • e.

    door van de uitkomst van punt d) de nettovoordelen voor het Verenigd Koninkrijk af te trekken die het gevolg zijn van de verhoging van het percentage van de in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde middelen dat door de lidstaten ter dekking van hun inningskosten en verwante kosten wordt ingehouden;

  • f.

    door de berekening aan te passen en op de totale toegewezen uitgaven de totale toegewezen uitgaven in de lidstaten die na 30 april 2004 tot de Unie zijn toegetreden in mindering te brengen, met uitsluiting van de rechtstreekse landbouwbetalingen en marktgerelateerde uitgaven, alsmede het gedeelte van de uitgaven voor plattelandsontwikkeling dat afkomstig is uit het EOGFL, afdeling Garantie.

Artikel

5

Financiering van het correctiemechanisme ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk

Artikel

6

Universaliteitsbeginsel

De in artikel 2 bedoelde ontvangsten worden zonder onderscheid gebruikt voor de financiering van alle uitgaven die in de begroting van de Unie zijn opgevoerd.

Artikel

7

Overdracht van het overschot

Het eventuele overschot van de ontvangsten van de Unie ten opzichte van de totale werkelijke uitgaven gedurende een begrotingsjaar wordt naar het volgende begrotingsjaar overgedragen.

Artikel

8

Inning van de eigen middelen en terbeschikkingstelling ervan aan de Commissie

Artikel

9

Uitvoeringsmaatregelen

De Raad stelt, overeenkomstig de procedure van artikel 311, vierde alinea, VWEU, de uitvoeringsmaatregelen vast ten aanzien van de volgende elementen van het stelsel van eigen middelen:

  • a.

    de procedure voor de berekening en budgettering van het saldo van de jaarlijkse begroting als bedoeld in artikel 7;

  • b.

    de voorschriften en regelingen welke noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de controle en het toezicht op de in artikel 2 genoemde ontvangsten, eventuele relevante rapportagevereisten daaronder begrepen.

Artikel

10

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

11

Inwerkingtreding

Dit besluit wordt door de secretaris-generaal van de Raad ter kennis van de lidstaten gebracht.

De lidstaten stellen de secretaris-generaal van de Raad onverwijld in kennis van de voltooiing van de volgens hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van dit besluit vereiste procedures.

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na de datum van ontvangst van de laatste van de in de tweede alinea bedoelde kennisgevingen.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Artikel

12

Publicatie

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 26 mei 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

Ch. VASILAKOS

Bijlage

Concordantietabel

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 4, lid 1, eerste alinea

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1, tweede alinea, onder a) tot en met e)

Artikel 4, tweede alinea, onder a) tot en met e)

Artikel 4, lid 1, tweede alinea, onder f)

Artikel 4, lid 1, tweede alinea, onder g)

Artikel 4, tweede alinea, onder f)

Artikel 4, lid 2

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8, lid 1, eerste en tweede alinea

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 1, derde alinea

Artikel 8, lid 2

Artikel 8, lid 2

Artikel 9

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12