Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lid-Staten der Europese Gemeenschappen) en de Helleense Republiek betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lid-Staten der Europese Gemeenschappen) en de Helleense Republiek betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

de President van de Helleense Republiek,

de President van de Franse Republiek,

de President van Ierland,

de President van de Italiaanse Republiek,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voort te zetten,

Vastbesloten, in de geest van deze Verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen,

Overwegende dat artikel 237 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap alsmede artikel 205 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, aan de Europese Staten de mogelijkheid bieden lid van deze Gemeenschappen te worden,

Overwegende dat de Helleense Republiek heeft verzocht lid te worden van deze Gemeenschappen,

Overwegende dat de Raad der Europese Gemeenschappen, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen, zich heeft uitgesproken voor toelating van deze Staat,

Hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de voorwaarden voor deze toelating en de in de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie aan te brengen aanpassingen vast te stellen, en hebben daartoe als gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

de heer Wilfried Martens, Eerste Minister;

de heer Henri Simonet, Minister van Buitenlandse Zaken;

de heer Joseph van der Meulen, Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

de heer Niels Anker Kofoed, Minister van Landbouw;

de heer Gunnar Riberholdt, Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

de heer Hans-Dietrich Genscher, Bondsminister van Buitenlandse Zaken;

de heer Helmut Sigrist, Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

de President van de Helleense Republiek,

de heer Constantinos Karamanlis, Eerste Minister;

de heer Georgios Rallis, Minister van Buitenlandse Zaken;

de heer Georgios Kontogeorgis, Minister zonder portefeuille, belast met de betrekkingen met de Europese Gemeenschappen;

de President van de Franse Republiek,

de heer Jean François-Poncet, Minister van Buitenlandse Zaken;

de heer Pierre Bernard-Reymond, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

de heer Luc de La Barre de Nanteuil, Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

de President van Ierland,

de heer John Lynch, Eerste Minister;

de heer Michael O'Kennedy, Minister van Buitenlandse Zaken;

de heer Brendan Dillon, Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

de President van de Italiaanse Republiek,

de heer Giulio Andreotti, Voorzitter van de Ministerraad;

de heer Adolfo Battaglia, Adjunct-Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken;

de heer Eugenio Plaja, Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

de heer Gaston Thorn, President van de Regering,

Minister van Buitenlandse Zaken;

de heer Jean Dondelinger, Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

de heer Ch. A. van der Klaauw, Minister van Buitenlandse Zaken;

de heer J. H. Lubbers, Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Lord Carrington, Minister van Buitenlandse en Gemenebest-Zaken;

Sir Donald Maitland, Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen;

die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

Artikel

1

Artikel

2

Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De Akten van bekrachtiging zullen uiterlijk 31 december 1980 worden neergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

Dit Verdrag treedt in werking op 1 januari 1981, mits alle Akten van bekrachtiging voor dit tijdstip zijn neergelegd en mits de Akte van toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op dit tijdstip is neergelegd.

Artikel

3

Dit Verdrag, opgesteld in één enkel exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de acht teksten gelijkelijk authentiek, zal worden neergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

GEDAAN te Athene, de achtentwintigste mei negentienhonderdnegenenzeventig.

Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek en de aanpassingen van de Verdragen

EERSTE

DEEL

BEGINSELEN

Artikel

1

In de zin van deze Akte:

  • -

    worden met de uitdrukking „oorspronkelijke Verdragen” bedoeld het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, zoals deze Verdragen zijn aangevuld of gewijzigd bij Verdragen of andere rechtshandelingen die vóór de toetreding van de Helleense Republiek in werking zijn getreden; worden met de uitdrukkingen „EGKS-Verdrag”, „EEG-Verdrag” en „EGA-Verdrag” bedoeld de desbetreffende aldus aangevulde of gewijzigde oorspronkelijke Verdragen;

  • -

    worden met de uitdrukking „huidige Lid-Staten” bedoeld het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse republiek, Ierland, de Italiaanse republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Artikel

2

Vanaf de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen van de Gemeenschappen genomen besluiten verbindend voor de Helleense Republiek en in deze Staat toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

6

De bepalingen van deze Akte kunnen, tenzij anders is bepaald, uitsluitend worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de procedures voorzien in de oorspronkelijke Verdragen die het mogelijk maken tot een herziening van die Verdragen te komen.

Artikel

7

De door de Instellingen van de Gemeenschappen genomen besluiten waarop de in deze Akte vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze besluiten geldende wijzigingsprocedures van toepassing.

Artikel

8

De bepalingen van deze Akte waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de Instellingen van de Gemeenschappen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, verkrijgen hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn onderworpen aan dezelfde regels als laatstgenoemde bepalingen.

Artikel

9

TWEEDE

DEEL

AANPASSING DER VERDRAGEN

Titel

I

Institutionele bepalingen

HOOFDSTUK

1

De Vergadering

Artikel

10

Wijzigt de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen; Brussel, 20 september 1976.

HOOFDSTUK

2

De Raad

Artikel

11

Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.

Artikel

12

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

Artikel

13

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951.

Artikel

14

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK

3

De Commissie

Artikel

15

Wijzigt het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; Brussel, 8 april 1965.

HOOFDSTUK

4

Het Hof van Justitie

Artikel

16

Zodra de Helleense Republiek is toegetreden, stelt de Raad van de Europese Gemeenschappen met eenparigheid van stemmen de aanpassingen vast die onderscheidenlijk in artikel 32, eerste alinea, van het EGKS-Verdrag, artikel 165, eerste alinea, van het EEG-Verdrag en artikel 137, eerste alinea, van het EGA-Verdrag dienen te worden aangebracht ten einde het aantal rechters bij het Hof van Justitie met één te vermeerderen. De Raad stelt eveneens de aanpassingen vast die dientengevolge dienen te worden aangebracht in artikel 32 ter, tweede alinea, van het EGKS-Verdrag, artikel 167, tweede alinea, van het EEG-Verdrag en artikel 139, tweede alinea, van het EG A-Verdrag, alsmede in artikel 18, tweede alinea, van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, in artikel 15 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap en in artikel 15 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

HOOFDSTUK

5

Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel

17

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK

6

De Rekenkamer

Artikel

18

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; Parijs, 18 april 1951, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

HOOFDSTUK

7

Het Wetenschappelijk en Technisch Comité

Artikel

19

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

Titel

II

Andere aanpassingen

Artikel

20

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.

DERDE

DEEL

AANPASSING VAN DE BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel

21

Ten aanzien van de besluiten genoemd in de lijst die voorkomt in bijlage I van deze Akte vinden de aanpassingen plaats die in die bijlage worden omschreven.

Artikel

22

De ingevolge de toetreding noodzakelijke aanpassingen van de in de lijst die voorkomt in bijlage II van deze Akte genoemde besluiten, worden verricht overeenkomstig de in die bijlage vervatte richtsnoeren en volgens de procedure en op de wijze bepaald in artikel 146.

VIERDE

DEEL

OVERGANGSMAATREGELEN

Titel

I

Institutionele bepalingen

Artikel

23

Titel

II

Vrij verkeer van goederen

HOOFDSTUK

1

Tariefbepalingen

Artikel

24

Artikel

25

Artikel

26

In geen geval worden binnen de Gemeenschap douanerechten toegepast die hoger zijn dan die welke gelden ten opzichte van derde landen waarvoor de meestbegunstigingsclausule geldt.

Ingeval de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden gewijzigd of geschorst of ingeval de Helleense Republiek artikel 34 toepast, kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de nodige maatregelen nemen ter handhaving van de communautaire preferentie.

Artikel

27

De Helleense Republiek kan de heffing van de rechten die worden toegepast op de uit de Gemeenschap in haar huidige samenstelling ingevoerde produkten geheel of gedeeltelijk schorsen. Zij stelt de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan in kennis.

De Raad kan, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de heffing van de rechten die worden toegepast op de uit Griekenland ingevoerde produkten geheel of gedeeltelijk schorsen.

Artikel

28

Elke heffing van gelijke werking als een invoerrecht, die met ingang van 1 januari 1979 wordt ingevoerd in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar huidige samenstelling en Griekenland, wordt op 1 januari 1981 afgeschaft.

Artikel

29

De heffingen van gelijke werking als invoerrechten worden tussen de Gemeenschap in haar huidige samenstelling en Griekenland geleidelijk afgeschaft volgens het onderstaande ritme:

  • -

    op 1 januari 1981 wordt iedere heffing verlaagd tot op 90% van het op 31 december 1980 geldende heffingsbedrag;

  • -

    op 1 januari 1982 wordt iedere heffing verlaagd tot op 80% van het op 31 december 1980 geldende heffingsbedrag;

  • -

    de vier overige verlagingen van 20% elk vinden plaats op:

    • 1 januari 1983

    • 1 januari 1984

    • 1 januari 1985

    • 1 januari 1986.

Artikel

30

De uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking worden tussen de Gemeenschap in haar huidige samenstelling en Griekenland op 1 januari 1981 afgeschaft.

Artikel

31

Ten behoeve van de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijk douanetarief wijzigt de Helleense Republiek haar ten opzichte van derde landen van toepassing zijnde tarief als volgt:

  • -

    vanaf 1 januari 1981 past de Helleense Republiek een recht toe waarbij het verschil tussen het basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief met 10% wordt verminderd;

  • -

    vanaf 1 januari 1982:

    • a)

      worden voor de tariefposten waarbij de basisrechten niet meer dan 15% naar boven of naar beneden afwijken van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief laatstgenoemde rechten toegepast;

    • b)

      past de Helleense Republiek in de overige gevallen een recht toe waarbij het verschil tussen het basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief opnieuw met 10% wordt verminderd.

    Dit verschil wordt opnieuw met telkens 20% verminderd op 1 januari 1983, op 1 januari 1984 en op 1 januari 1985.

Met ingang van 1 januari 1986 past de Helleense Republiek het gemeenschappelijk douanetarief volledig toe.

Artikel

32

Artikel

33

Artikel

34

Bij de aanpassing van haar tarief aan het gemeenschappelijk douanetarief en aan het ééngemaakte EGKS-tarief, staat het de Helleense Republiek vrij om haar douanerechten in een sneller ritme te wijzigen dan is bepaald in de artikelen 31, 32 en 64. Zij geeft de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan kennis.

HOOFDSTUK

2

Afschaffing van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking

Artikel

35

De kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen alsmede alle tussen de Gemeenschap in haar huidige samenstelling en Griekenland bestaande maatregelen van gelijke werking worden onmiddellijk bij de toetreding afgeschaft.

Artikel

36

Artikel

37

In afwijking van artikel 35 kunnen de huidige Lid-Staten en de Helleense Republiek in het handelsverkeer tussen de huidige Lid-Staten en Griekenland de uitvoerbeperkingen inzake schroot, resten en afvallen van werken van gietijzer, van ijzer of van staal van post 73.03 van het gemeenschappelijk douanetarief gedurende een periode van twee jaar te rekenen vanaf 1 januari 1981 handhaven, mits deze regeling niet beperkender is dan de regeling die geldt voor de uitvoer naar derde landen.

Artikel

38

In afwijking van artikel 35 worden de per 31 december 1980 in Griekenland voor de invoer uit de huidige Lid-Staten geldende zekerheidsstellingen en contant te betalen bedragen in de loop van een periode van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari 1981 geleidelijk afgeschaft.

De zekerheidsstellingen en de contant te betalen bedragen worden verlaagd volgens het onderstaande ritme:

  • 1 januari 1981: 25%

  • 1 januari 1982: 25%

  • 1 januari 1983: 25%

  • 1 januari 1984: 25%.

Artikel

39

Artikel

40

HOOFDSTUK

3

Overige bepalingen

Artikel

41

Artikel

42

Artikel

43

Titel

III

Vrij verkeer van personen, diensten en kapitaal

HOOFDSTUK

1

Werknemers

Artikel

44

Het bepaalde in artikel 48 van het EEG-Verdrag is, voor wat betreft het vrije verkeer van werknemers tussen de huidige Lid-Staten en Griekenland, slechts van toepassing onder voorbehoud van de overgangsbepalingen neergelegd in de artikelen 45, 46 en 47 van deze Akte.

Artikel

45

Artikel

46

Voor zover bepaalde voorschriften van Richtlijn 68/360/EEG inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap onlosmakelijk zijn verbonden met die voorschriften van Verordening (EEG) nr. 1612/68 waarvan de toepassing krachtens artikel 45 wordt uitgesteld, zijn de huidige Lid-Staten en de Helleense Republiek bevoegd van deze voorschriften af te wijken voor zover zulks noodzakelijk is voor de toepassing van de afwijkende bepalingen die in artikel 45 omtrent voornoemde verordening zijn neergelegd.

Artikel

47

De huidige Lid-Staten en de Helleense Republiek treffen, daarin bijgestaan door de Commissie, de nodige maatregelen opdat uiterlijk op 1 januari 1988 de toepassing van het besluit van de Commissie van 8 december 1972 betreffende het uniforme systeem dat krachtens artikel 15 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad is ingesteld, het zogenaamde „SEDOC”-systeem, en van het besluit van de Commissie van 14 december 1972 betreffende het „communautaire schema” voor het inwinnen en verspreiden van de inlichtingen bedoeld in artikel 14, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad tot Griekenland kan worden uitgebreid.

Artikel

48

Tot en met 31 december 1983 is het bepaalde in artikel 73, leden 1 en 3, artikel 74, lid 1, en artikel 75, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, alsmede in de artikelen 86 en 88 van Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, niet van toepassing op Griekse werknemers die werkzaam zijn in een andere Lid-Staat dan Griekenland en wier gezinsleden in Griekenland verblijven.

Het bepaalde in artikel 73, lid 2, artikel 74, lid 2, en artikel 75, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, alsmede in de artikelen 87, 89 en 98 van Verordening (EEG) nr. 574/72 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van deze werknemers.

Er wordt evenwel geen afbreuk gedaan aan de wettelijke voorschriften van een Lid-Staat waarin wordt bepaald dat de gezinsbijslagen aan de werknemer verschuldigd zijn ongeacht het land waar de gezinsleden verblijven.

HOOFDSTUK

2

Kapitaalverkeer en onzichtbare transacties

Afdeling

I

Kapitaalverkeer

Artikel

49

Artikel

50

Artikel

51

Artikel

52

De in Griekenland geblokkeerde fondsen toebehorende aan ingezetenen van de huidige Lid-Staten worden vanaf de toetreding tot en met 31 december 1985 geleidelijk vrijgemaakt in gelijke jaarlijkse tranches, in zes etappen, waarvan de eerste begint op 1 januari 1981.

De kapitalen gedeponeerd op elk geblokkeerd fonds op 1 januari 1981 of in aanmerking komende voor storting in geblokkeerde fondsen tussen deze datum en 31 december 1985 worden aan het begin van elke etappe vrijgemaakt, achtereenvolgens met een zesde, een vijfde, een kwart, een derde en de helft van het aan het begin van elk van deze etappen in deze fondsen in deposito zijnde bedrag.

Op 1 januari 1986 worden de geblokkeerde fondsen toebehorende aan ingezetenen van de huidige Lid-Staten opgeheven.

Artikel

53

De Helleense Republiek kan de vrijmaking van de in lijst B bij de in artikel 49 bedoelde richtlijnen genoemde transacties die worden verricht door ingezetenen van Griekenland tot en met 31 december 1985 uitstellen.

De door ingezetenen van Griekenland verrichte transacties in door de Gemeenschappen en de Europese Investeringsbank uitgegeven effecten vormen echter het voorwerp van een geleidelijke vrijmaking in de loop van deze periode op de hierna volgende wijze:

  • a)

    voor 1981 kunnen deze transacties worden beperkt tot een bedrag van 20 miljoen Europese rekeneenheden;

  • b)

    dit plafond wordt vervolgens aan het begin van elk jaar verhoogd met 20% ten opzichte van het voor 1981 vastgestelde plafond.

Afdeling

II

Onzichtbare transacties

Artikel

54

Afdeling

III

Algemene bepalingen

Artikel

55

De Helleense Republiek zal indien de omstandigheden zulks toelaten de vrijmaking van het kapitaalverkeer en van de onzichtbare transacties bedoeld in de artikelen 50 tot en met 54 verwezenlijken vóór het verstrijken van de in die artikelen voorziene termijnen.

Artikel

56

Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk kan de Commissie overgaan tot raadpleging van het Monetair Comité en elk dienstig voorstel bij de Raad indienen.

Titel

IV

Landbouw

HOOFDSTUK

1

Algemene bepalingen

Artikel

57

Voor zover in deze Titel niet anders is bepaald, zijn de bepalingen van deze Akte van toepassing op landbouwprodukten.

Artikel

58

Artikel

59

Artikel

60

De Raad kan volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het EEG-Verdrag besluiten dat voor een bepaald produkt in Griekenland de gemeenschappelijke prijs wordt toegepast:

  • a)

    indien wordt geconstateerd dat het verschil tussen het prijspeil voor het betrokken produkt in deze Lid-Staat en het peil van de gemeenschappelijke prijs van geringe betekenis is;

  • b)

    indien de prijs in Griekenland of de prijs op de wereldmarkt voor het betrokken produkt hoger is dan de gemeenschappelijke prijs.

Artikel

61

De verschillen in het peil van de prijzen waarvoor in hoofdstuk 2 naar dit artikel wordt verwezen, worden gecompenseerd volgens onderstaande regels:

  • 1.

    Voor de produkten waarvoor prijzen worden vastgesteld volgens het bepaalde in de artikelen 58 en 59 zijn de in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar huidige samenstelling en Griekenland en tussen Griekenland en derde landen toepasselijke compenserende bedragen gelijk aan het verschil tussen de prijzen die voor Griekenland zijn vastgesteld, en de gemeenschappelijke prijzen.

  • 2.

    Er wordt evenwel geen compenserend bedrag vastgesteld indien de toepassing van lid 1 leidt tot een bedrag dat van geringe betekenis is.

  • 3.
    • a)

      In het handelsverkeer tussen Griekenland en de Gemeenschap in haar huidige samenstelling worden de compenserende bedragen geheven door de invoerende Staat of toegekend door de uitvoerende Staat;

    • b)

      in het handelsverkeer tussen Griekenland en derde landen worden de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toegepaste heffingen of andere belastingen bij invoer, alsmede de restituties bij uitvoer, naar gelang van het geval, verlaagd of verhoogd met de compenserende bedragen die gelden in het handelsverkeer met de Gemeenschap in haar huidige samenstelling. De douanerechten kunnen evenwel niet met het compenserende bedrag worden verlaagd.

  • 4.

    Ten aanzien van produkten waarvoor het recht van het gemeenschappelijk douanetarief is geconsolideerd in het kader van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, wordt rekening gehouden met de consolidering.

  • 5.

    Het door een Lid-Staat overeenkomstig lid 1 geheven of toegekende compenserende bedrag mag niet hoger zijn dan het totale bedrag dat door dezelfde Lid-Staat bij invoer uit derde landen die in aanmerking komen voor de meestbegunstigingsclausule wordt geheven.

    De Raad kan, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen van deze regel afwijken, met name om verlegging van het handelsverkeer en distorsies van de mededinging te voorkomen.

  • 6.

    De Raad kan, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, voor zover zulks nodig is voor de goede werking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, afwijken van het bepaalde in artikel 42, lid 1, eerste alinea, voor de produkten waarvoor compenserende bedragen van toepassing zijn.

Artikel

62

Indien de prijs op de wereldmarkt voor een bepaald produkt hoger is dan de prijs aangehouden voor de berekening van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingestelde belasting bij invoer, verminderd met het compenserende bedrag, dat wordt afgetrokken van de belasting bij invoer krachtens artikel 61, of wanneer de restitutie bij uitvoer naar derde landen lager is dan het compenserende bedrag of wanneer er geen restitutie wordt verleend, kunnen passende maatregelen worden getroffen om de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten te waarborgen.

Artikel

63

De toegekende compenserende bedragen worden door de Gemeenschap gefinancierd ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie.

Artikel

64

Ten aanzien van de produkten uit derde landen waarvan de invoer in de Gemeenschap in haar huidige samenstelling is onderworpen aan douanerechten, gelden de volgende bepalingen:

  • 1.

    De douanerechten bij invoer worden tussen de Gemeenschap in haar huidige samenstelling en Griekenland geleidelijk afgeschaft op de data en volgens het ritme als bepaald in artikel 25.

    Voor de produkten die vallen onder Verordening (EEG) nr. 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees worden de basisrechten evenwel geleidelijk afgeschaft in vijf etappen van 20% bij het begin van elk van de vijf verkoopseizoenen die volgen op de toetreding.

    Wanneer de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor de in lid 2, sub b), bedoelde produkten lager zijn dan de basisrechten worden deze, voor de toepassing van het onderhavige lid, vervangen door de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.

  • 2.
    • a)

      Met het oog op de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijk douanetarief, vermindert de Helleense Republiek het verschil tussen het basisrecht en het recht van het gemeenschappelijk douanetarief onder de voorwaarden, op de data en volgens het ritme als bepaald in artikel 31;

    • b)

      In afwijking van het bepaalde onder a) wordt het recht van het gemeenschappelijk douanetarief door de Helleense Republiek vanaf 1 januari 1981 volledig toegepast voor onderstaande produkten:

      • -

        produkten die vallen onder Verordening (EEG) nr. 805/68;

      • -

        produkten die vallen onder Verordening (EEG) nr. 1035/72 en waarvoor voor het gehele verkoopseizoen of een gedeelte daarvan een referentieprijs wordt vastgesteld;

      • -

        produkten die vallen onder Verordening (EEG) nr. 100/76 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten en waarvoor een referentieprijs wordt vastgesteld;

      • -

        produkten die vallen onder Verordening (EEG) nr. 337/79 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt en waarvoor een referentieprijs wordt vastgesteld.

  • 3.

    In de zin van de leden 1 en 2 is het basisrecht het recht dat wordt omschreven in artikel 24.

    Voor de produkten die vallen onder Verordening nr. 136/66/EEG houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten worden de basisrechten vastgesteld als volgt:

    Nr. van het gemeenschappelijk douanetarief

    Omschrijving

    Percentage van het basisrecht dat dient te worden beschouwd als het door de Helleense Republiek op 1 juli 1980 werkelijk toegepaste percentage

    ten aanzien van derde landen

    ten aanzien van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling

    12.01

    Oliehoudende zaden en vruchten, ook indien gebroken:

    ex B. andere, met uitzondering van lijnzaad en ricinusbonen

    }

    40%

    36%

    12.02

    Meel van oliehoudende zaden en vruchten, waaruit de olie niet is afgescheiden, met uitzondering van mosterdmeel:

    ex B. andere, met uitzondering van lijnzaad en ricinusbonen

    15.07

    Plantaardige vette oliën, vloeibaar of vast, gezuiverd of geraffineerd:

    ex D andere oliën, met uitzondering van

    - Lijnolie

    - Kopra-olie en palmolie, voor ander technisch of industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van produkten voor menselijke concumptie

    }

    130%

    104%

    15.12

    Dierlijke en plantaardige oliën en vetten, geheel of gedeeltelijk gehydrogeneerd of op andere wijze gehard of in vaste toestand gebracht, ook indien gezuiverd, doch niet verder bereid:

    A. in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van 1 kg of minder

    B. andere

  • 4.

    Ten aanzien van de produkten die onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, kan volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG of, naar gelang van het geval, van de overeenkomstige artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten worden besloten dat:

    • a)

      de Helleense Republiek wordt gemachtigd tot:

      • -

        de afschaffing van de in lid 1 bedoelde douanerechten of tot de in lid 2 bedoelde aanpassing in een sneller ritme dan aldaar is voorzien,

      • -

        de volledige of gedeeltelijke schorsing van de douanerechten die van toepassing zijn op de uit de huidige Lid-Staten ingevoerde produkten;

      • -

        de volledige of gedeeltelijke schorsing van de douanerechten die van toepassing zijn op de uit derde landen ingevoerde produkten;

    • b)

      de Gemeenschap in haar huidige samenstelling overgaat tot:

      • -

        de afschaffing van de in lid 1 bedoelde douanerechten in een sneller ritme dan aldaar is voorzien,

      • -

        de volledige of gedeeltelijke schorsing van de douanerechten die van toepassing zijn op de uit Griekenland ingevoerde produkten.

Voor de andere produkten behoeft de Helleense Republiek geen machtiging voor de toepassing van de in de eerste alinea onder a), eerste en tweede streepje, bedoelde maatregelen. De Helleense Republiek stelt de overige Lid-Staten en de Commissie in kennis van de getroffen maatregelen.

De douanerechten die voortvloeien uit een versnelde aanpassing mogen niet lager zijn dan die welke worden toegepast bij invoer van dezelfde produkten uit de andere Lid-Staten.

Artikel

65

Artikel

66

Artikel

67

Bij het vaststellen van het peil van de verschillende bedragen waarin in het kader van een gemeenschappelijk landbouwbeleid is voorzien, andere dan de prijzen bedoeld in artikel 58, wordt, voor zover zulks noodzakelijk is voor de goede werking voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid, ten aanzien van Griekenland rekening gehouden met het toegepaste compenserende bedrag, of, bij gebreke daarvan, het geconstateerde prijsverschil en, in voorkomend geval, met de invloed van de douanerechten.

Artikel

68

Artikel

69

Artikel

70

Artikel

71

Alle voorraden van produkten die zich op 1 januari 1981 op het grondgebied van Griekenland in het vrije verkeer bevinden en die de normale overdrachtshoeveelheid overschrijden, moeten door de Helleense Republiek ten harer laste worden afgebouwd in het kader van nader te omschrijven communautaire procedures en binnen nader te bepalen termijnen.

Artikel

72

Artikel

73

HOOFDSTUK

2

Bepalingen betreffende bepaalde gemeenschappelijke marktordeningen

Afdeling

1

Groenten en fruit

Artikel

74

In de sector groenten en fruit is het bepaalde in artikel 59 van toepassing op de basisprijzen.

Bij de toetreding wordt de basisprijs in Griekenland vastgesteld met inachtneming van het verschil tussen het gemiddelde van de produktieprijzen in Griekenland en in de Gemeenschap in haar huidige samenstelling, dat is geconstateerd tijdens een nader te bepalen referentieperiode.

Artikel

75

Artikel

76

Het bepaalde in artikel 68 is van toepassing op de financiële compensatie bedoeld in artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2511/69 houdende bijzondere maatregelen voor de verbetering van de produktie en de afzet van citrusvruchten in de Gemeenschap.

Deze financiële compensatie dient te worden beschouwd als steun die in Griekenland onder het voordien geldende nationale stelsel niet wordt verleend.

Artikel

77

De minimumprijs en de financiële compensatie die in Griekenland van toepassing zijn, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Verordening (EEG) nr. 2601/69 betreffende bijzondere maatregelen ten einde het verwerken van bepaalde variëteiten sinaasappelen te stimuleren en in de artikelen 1 en 2 van Verordening (EEG) nr. 1035/77 houdende bijzondere maatregelen voor de verbetering van de afzet van op basis van citroenen verwerkte produkten, worden als volgt vastgesteld:

  • 1.

    Tot aan de eerste prijsaanpassing als bedoeld in artikel 59 wordt de van toepassing zijnde minimumprijs vastgesteld op de grondslag van de prijzen die in Griekenland worden betaald aan producenten van voor verwerking bestemde citrusvruchten, die zijn geconstateerd gedurende een nader te bepalen representatieve periode onder het voordien geldende nationale stelsel. De financiële compensatie is die van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling, in voorkomend geval, verminderd met het verschil tussen enerzijds de gemeenschappelijke minimumprijs en anderzijds de in Griekenland geldende minimumprijs.

  • 2.

    Voor de volgende vaststellingen wordt de in Griekenland geldende minimumprijs aangepast aan de gemeenschappelijke minimumprijs volgens het bepaalde in artikel 59. De in Griekenland bij elke etappe van de aanpassing van toepassing zijnde financiële compensatie is die van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling, in voorkomend geval, verminderd met het verschil tussen enerzijds de gemeenschappelijke minimumprijs en anderzijds de in Griekenland geldende minimumprijs.

  • 3.

    Wanneer de minimumprijs die voortvloeit uit de toepassing van lid 1 of lid 2, hoger is dan de gemeenschappelijke minimumprijs kan deze laatste prijs evenwel voor Griekenland definitief worden aanvaard.

Artikel

78

Tot en met 31 december 1987 is de Helleense Republiek gemachtigd voor alle producenten van groenten en fruit te voorzien in de verplichting om hun totale produktie van groenten en fruit waarvoor gemeenschappelijke kwaliteitsnormen gelden in de handel te brengen via plaatselijke markten.

Afdeling

2

Oliën en vetten

Artikel

79

Artikel

80

In afwijking van artikel 67 wordt bij de vaststelling van het peil van de verschillende bedragen in de sector oliehoudende zaden andere dan de prijzen bedoeld in artikel 79, lid 2, voor Griekenland, voor zover zulks noodzakelijk is voor de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten voor deze produkten, rekening gehouden met het verschil dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 79, lid 2.

Artikel

81

Artikel

82

De Helleense Republiek kan volgens nader te bepalen regels tot en met 31 december 1983 de controleregeling bij de invoer van oliehoudende zaden en van plantaardige oliën en vetten toepassen die zij op 1 januari 1979 toepaste.

Afdeling

3

Melk en zuivelprodukten

Artikel

83

Het bepaalde in de artikelen 58, 59 en 61 is van toepassing op de interventieprijzen voor boter en magere-melkpoeder.

Artikel

84

Het compenserende bedrag voor andere zuivelprodukten dan boter en magere-melkpoeder wordt vastgesteld met behulp van nader te bepalen coëfficiënten.

Afdeling

4

Rundvlees

Artikel

85

De artikelen 58, 59 en 61 zijn van toepassing op de prijzen voor volwassen runderen in Griekenland en in de Gemeenschap in haar huidige samenstelling.

Artikel

86

Het compenserende bedrag voor de produkten bedoeld in de bijlage van Verordening (EEG) nr. 805/68 wordt vastgesteld met behulp van nader te bepalen coëfficiënten.

Afdeling

5

Tabak

Artikel

87

Artikel

88

In afwijking van het bepaalde in artikel 71 moeten alle in Griekenland bestaande voorraden tabak die afkomstig zijn uit oogsten van vóór de toetreding geheel en al door en ten laste van de Helleense Republiek worden weggewerkt in het kader van nader te omschrijven communautaire procedures en binnen nader te bepalen termijnen.

Afdeling

6

Vlas en hennep

Artikel

89

Het bepaalde in artikel 68 is van toepassing op de steun voor vezelvlas en hennep.

Afdeling

7

Hop

Artikel

90

Het bepaalde in artikel 68 is van toepassing op de steun voor hop.

Afdeling

8

Zaaigoed

Artikel

91

Het bepaalde in artikel 68 is van toepassing op de steun voor zaaigoed.

Afdeling

9

Zijderupsen

Artikel

92

Het bepaalde in artikel 68 is van toepassing op de steun voor zijderupsen.

Afdeling

10

Suiker

Artikel

93

Het bepaalde in de artikelen 58, 59 en 61 is van toepassing op de interventieprijs voor witte suiker en op de minimumprijs voor suikerbieten.

Artikel

94

De compenserende bedragen worden voor de produkten, andere dan verse suikerbieten, genoemd in artikel 1, lid 1, sub b), en voor de produkten genoemd in artikel 1, lid 1, sub d), van Verordening (EEG) nr. 3330/74 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker met behulp van nader te bepalen coëfficiënten afgeleid van het compenserende bedrag voor het desbetreffende basisprodukt.

Artikel

95

Het in artikel 26, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 3330/74 bedoelde bedrag dat in Griekenland van toepassing is, wordt met het compenserende bedrag gecorrigeerd.

Afdeling

11

Granen

Artikel

96

In de sector granen is het bepaalde in de artikelen 58, 59 en 61 van toepassing op de interventieprijzen en, voor zachte tarwe, op de referentieprijs.

Artikel

97

De compenserende bedragen worden als volgt vastgesteld:

  • 1.

    Wat betreft granen waarvoor geen afgeleide interventieprijs wordt vastgesteld, wordt het tot de eerste aanpassing toepasselijke compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag dat geldt voor de concurrerende graansoort waarvoor een interventieprijs is vastgesteld, met inachtneming van:

    • -

      de prijsverhouding op de Griekse markt of

    • -

      de verhouding tussen de drempelprijzen van de desbetreffende granen.

    Vervolgens worden de bedragen vastgesteld uitgaande van de in de eerste alinea bedoelde bedragen en volgens de in artikel 59 voor de aanpassing van prijzen neergelegde regels.

    In het in de eerste alinea, eerste streepje, bedoelde geval moet de aangehouden verhouding evenwel volgens de in artikel 59 neergelegde regels worden aangepast aan de verhouding die bestaat tussen de drempelprijzen.

  • 2.

    Voor de produkten genoemd in artikel 1, sub c) en d), van Verordening (EEG) nr. 2727/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, wordt het compenserende bedrag afgeleid van het compenserende bedrag toepasselijk op de graansoorten waarmede deze produkten zijn verbonden, met behulp van nader te bepalen coëfficiënten.

  • 3.

    Onverminderd de toepassing van lid 2, wordt in het geval van produkten verwerkt op basis van zachte tarwe en durum tarwe het compenserende bedrag vastgesteld op een peil dat eveneens rekening houdt met de eventuele nationale steun die de Helleense Republiek krachtens artikel 69 handhaaft voor voor de meelindustrie bestemde tarwe.

Artikel

98

Het bepaalde in artikel 68 is van toepassing op de steun voor durum tarwe als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 2727/75.

Afdeling

12

Varkensvlees

Artikel

99

Afdeling

13

Eieren

Artikel

100

Afdeling

14

Slachtpluimvee

Artikel

101

Afdeling

15

Rijst

Artikel

102

Afdeling

16

Verwerkte groenten en fruit

Artikel

103

Voor de produkten die in aanmerking komen voor de steunregeling bedoeld in artikel 3 bis van Verordening (EEG) nr. 516/77 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten zijn in Griekenland de volgende bepalingen van toepassing:

  • 1.

    Tot aan de eerste aanpassing van de prijzen, als bedoeld in artikel 59 wordt de in artikel 3 bis, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 516/77 bedoelde minimumprijs vastgesteld op de grondslag van de prijzen die in Griekenland werden betaald aan de producenten voor het voor verwerking bestemde produkt en die zijn geconstateerd gedurende een nader te bepalen representatieve periode onder het voordien geldende nationale stelsel.

  • 2.

    Indien de in lid 1 bedoelde minimumprijs afwijkt van de gemeenschappelijke prijs wordt de prijs in Griekenland aan het begin van elk verkoopseizoen dat volgt op de toetreding gewijzigd volgens de regels neergelegd in artikel 59.

  • 3.

    Het bedrag van de in Griekenland toegekende communautaire steun wordt zodanig vastgesteld dat het verschil tussen het peil van de prijzen van de produkten uit derde landen, vastgesteld uit hoofde van artikel 3 ter, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 516/77 en het peil van de prijzen van Griekse produkten dat is vastgesteld met inachtneming van de in lid 2 bedoelde minimumprijs en de in Griekenland geldende verwerkingskosten zonder dat de ondernemingen met de hoogste kosten in aanmerking worden genomen, wordt gecompenseerd. Deze steun mag evenwel niet hoger zijn dan de steun die in de Gemeenschap in haar huidige samenstelling wordt toegekend.

  • 4.

    Vanaf het begin van het zevende verkoopseizoen dat volgt op de toetreding wordt de communautaire steun in Griekenland volledig toegepast voor tomatenpasta, tomaten zonder schil, tomatensap, perzikenconserven en vanaf het begin van het vijfde verkoopseizoen dat volgt op de toetreding voor geënte pruimen („Prunes d'Ente”).

  • 5.

    Wanneer de minimumprijs die voortvloeit uit de toepassing van lid 1 of lid 2, hoger is dan de gemeenschappelijke minimumprijs kan deze laatste prijs voor Griekenland definitief worden aanvaard.

Afdeling

17

Gedroogde voedergewassen

Artikel

104

Afdeling

18

Erwten, tuin- en veldbonen

Artikel

105

Artikel

106

In afwijking van artikel 67 wordt bij de vaststelling van het peil van de verschillende bedragen in de sector erwten, tuin- en veldbonen andere dan dé prijzen bedoeld in artikel 105, lid 1, ten aanzien van Griekenland, voor zover zulks noodzakelijk is voor de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten voor deze produkten, rekening gehouden met het prijsverschil dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 105, lid 1.

Afdeling

19

Wijn

Artikel

107

Artikel

108

In afwijking van artikel 67 wordt de in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 337/79 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt bedoelde interventietoepassingsprijs die in Griekenland van toepassing is, niet gecorrigeerd met het compenserende bedrag. Dit bedrag wordt evenwel toegevoegd aan de gemiddelde prijs die voor elke representatieve markt in Griekenland is vastgesteld.

Artikel

109

Zolang de Helleense Republiek het bepaalde in artikel 70 ten aanzien van krenten en rozijnen toepast, wordt het alcoholvolume van krenten en rozijnen dat in Griekenland aan bepaalde wijnen kan worden toegevoegd krachtens Verordening (EEG) nr. 351/79 betreffende de toevoeging van alcohol aan tot de wijnsector behorende produkten beperkt tot een jaarvolume dat het jaarlijkse gemiddelde van het volume van deze alcohol dat hiertoe in Griekenland in de jaren 1978, 1979 en 1980 werd gebruikt niet overschrijdt.

HOOFDSTUK

3

Bepalingen inzake de visserij

Artikel

110

Artikel

111

De zones bedoeld in artikel 110, lid 1, zijn als volgt afgebakend:

  • 1.

    Griekenland

    Wateren binnen een grens van 6 zeemijlen berekend vanaf de basislijnen.

  • 2.

    Italië

    Wateren binnen een grens van 6 zeemijlen berekend vanaf de basislijnen. Deze grens wordt voor de volgende zones op 12 zeemijlen gebracht:

    • a)

      Adriatische Zee ten zuiden van de monding van de Po di Goro,

    • b)

      Ionische Zee,

    • c)

      Zee en Kanaal van Sicilië, met inbegrip van de eilanden,

    • d)

      Wateren van Sardinië.

HOOFDSTUK

4

Andere bepalingen

Afdeling

1

Veterinaire maatregelen

Artikel

112

Afdeling

2

Maatregelen inzake de wetgeving op het gebied van teeltmateriaal

Artikel

113

Afdeling

3

Diverse bepalingen

Artikel

114

De besluiten die zijn opgenomen in de lijst van bijlage IV van deze Akte zijn van toepassing ten aanzien van Griekenland onder de voorwaarden neergelegd in deze bijlage.

Titel

V

Buitenlandse betrekkingen

HOOFDSTUK

1

Gemeenschappelijke handelspolitiek

Artikel

115

Artikel

116

De Helleense Republiek schaft ten aanzien van derde landen het op het tijdstip van toetreding bestaande stelsel van zekerheidsstelling bij invoer en van contante betaling af volgens hetzelfde tijdschema en op dezelfde voorwaarden als vastgelegd in artikel 38 voor wat de huidige Lid-Staten betreft.

Artikel

117

HOOFDSTUK

2

Overeenkomsten van de Gemeenschappen met bepaalde derde landen

Artikel

118

Artikel

119

Indien de in artikel 118, lid 1, genoemde protocollen, om redenen buiten de wil van de Gemeenschap of van de Helleense Republiek, op 1 januari 1981 niet zijn gesloten, treft de Gemeenschap de nodige maatregelen om vanaf het tijdstip van toetreding aan deze situatie het hoofd te bieden.

In ieder geval wordt door de Helleense Republiek vanaf 1 januari 1981 op de in artikel 120 genoemde landen de meestbegunstigingsclausule toegepast.

Artikel

120

Het bepaalde in de artikelen 118 en 119 is van toepassing op de met Algerije, Cyprus, Egypte, Finland, IJsland, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Syrië, Tunesië, Turkije, Zweden en Zwitserland gesloten overeenkomsten.

Het bepaalde in de artikelen 118 en 119 is eveneens van toepassing op de overeenkomsten die de Gemeenschap voor de inwerkingtreding van deze Akte met andere derde landen die tot het Middellandse-Zeegebied behoren, sluit.

HOOFDSTUK

3

Betrekkingen met Staten in Afrika, het Caribische gebied en het gebied van de Stille Oceaan

Artikel

121

De regelingen die voortvloeien uit de op 28 februari 1975 ondertekende ACS-EEG-Overeenkomst van Lomé en uit het op dezelfde datum ondertekende Akkoord betreffende de produkten die onder de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallen, zijn niet van toepassing in de betrekkingen tussen de Helleense Republiek en de Staten in Afrika, het Caribische gebied en het gebied van de Stille Oceaan, met uitzondering van Protocol nr. 3 inzake suiker.

Artikel

122

Het bepaalde in de artikelen 118 en 119 is van toepassing op iedere nieuwe overeenkomst die de Gemeenschap voor de inwerkingtreding van deze Akte sluit met de landen in Afrika, het Caribische gebied en het gebied van de Stille Oceaan.

HOOFDSTUK

4

Textiel

Artikel

123

Titel

VI

Financiële bepalingen

Artikel

124

Het Besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen, hierna „Besluit van 21 april 1970” genoemd, wordt toegepast overeenkomstig de artikelen 125, 126 en 127.

Artikel

125

De ontvangsten „landbouwheffingen” genoemd, als bedoeld in artikel 2, sub a), van het Besluit van 21 april 1970 omvatten eveneens de ontvangsten afkomstig van alle compenserende bedragen die bij invoer worden geheven uit hoofde van de artikelen 43, 61 en 75 en van de vaste elementen die worden toegepast in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar huidige samenstelling en Griekenland en in het handelsverkeer tussen Griekenland en derde landen uit hoofde van artikel 66.

Artikel

126

De ontvangsten „douanerechten” genoemd, als bedoeld in artikel 2, sub b), van het Besluit van 21 april 1970 omvatten tot en met 31 december 1985 de douanerechten die worden berekend alsof de Helleense Republiek in het handelsverkeer met derde landen vanaf de toetreding de rechten toepaste die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en de verlaagde rechten die voortvloeien uit door de Gemeenschap toegepaste tariefpreferenties.

De Helleense Republiek berekent deze douanerechten maandelijks op de grondslag van de douaneaangiften van een zelfde maand en zij worden ter beschikking van de Commissie gesteld uiterlijk de 20ste van de tweede maand die op de verklaringen volgt.

Vanaf 1 januari 1986 is het totaal van de geheven douanerechten volledig verschuldigd.

Artikel

127

Het bedrag van de rechten vastgesteld uit hoofde van de eigen middelen afkomstig uit de belasting over de toegevoegde waarde of de financiële bijdragen die berusten op het bruto nationaal produkt krachtens artikel 4, leden 1 tot en met 5, van het Besluit van 21 april 1970 is volledig verschuldigd vanaf 1 januari 1981.

De Gemeenschap zal de Helleense Republiek evenwel in de loop van de maand die volgt op het ter beschikking stellen aan de Commissie een evenredig gedeelte van het in de eerste alinea genoemde bedrag restitueren volgens onderstaande regels:

  • -

    70% in 1981

  • -

    50% in 1982

  • -

    30% in 1983

  • -

    20% in 1984

  • -

    10% in 1985.

Titel

VII

Andere bepalingen

Artikel

128

De in de lijst in bijlage VIII van deze Akte genoemde besluiten zijn ten aanzien van de Helleense Republiek van toepassing, op de wijze als bepaald in die bijlage.

Artikel

129

Artikel

130

Artikel

131

VIJFDE

DEEL

BEPALINGEN BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN DEZE AKTE

Titel

I

Het in werking stellen van de instellingen

Artikel

132

De Vergadering komt uiterlijk één maand na de toetreding van de Helleense Republiek bijeen. Zij brengt in haar reglement van orde de door deze toetreding noodzakelijk geworden aanpassingen aan.

Artikel

133

Artikel

134

Artikel

135

Artikel

136

Onmiddellijk na de toetreding van de Helleense Republiek wordt het Economisch en Sociaal Comité aangevuld door de benoeming van twaalf leden die alle sectoren van het economische en sociale leven van Griekenland vertegenwoordigen. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel

137

Onmiddellijk na de toetreding van de Helleense Republiek wordt de Rekenkamer aangevuld door de benoeming van een nieuw lid. Het mandaat van dit aldus benoemde lid eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel

138

Onmiddellijk na de toetreding van de Helleense Republiek wordt het Raadgevend Comité van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal aangevuld door de benoeming van drie nieuwe leden. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel

139

Onmiddellijk na de toetreding van de Helleense Republiek wordt het Wetenschappelijk en Technisch Comité aangevuld door de benoeming van een nieuw lid. Het mandaat van dit aldus benoemde lid eindigt op hetzelfde tijdstip als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel

140

Onmiddellijk na de toetreding van de Helleense Republiek wordt het Monetair Comité aangevuld door de benoeming van de leden die deze nieuwe Lid-Staat vertegenwoordigen. Hun mandaat verstrijkt terzelfder tijd als het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel

141

De door de toetreding van de Helleense Republiek noodzakelijk geworden aanpassingen van de Statuten en van de Reglementen van Orde van de bij de oorspronkelijke Verdragen ingestelde Comités, geschieden zo spoedig mogelijk na de toetreding.

Artikel

142

Titel

II

Toepassing van de besluiten der Instellingen

Artikel

143

Vanaf het tijdstip der toetreding wordt ervan uitgegaan dat de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het EEG-Verdrag en van artikel 161 van het EGA-Verdrag, alsmede de aanbevelingen en beschikkingen in de zin van artikel 14 van het EGKS-Verdrag, eveneens tot de Helleense Republiek zijn gericht, en dat haar daarvan kennis is gegeven, voor zover van deze richtlijnen, aanbevelingen en beschikkingen aan alle huidige Lid-Staten kennis is gegeven.

Artikel

144

De toepassing in Griekenland van de in de lijst die is opgenomen in bijlage XI van deze Akte voorkomende besluiten wordt uitgesteld tot de in die lijst vermelde data.

Artikel

145

De Helleense Republiek stelt de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van haar toetreding uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 189 van het EEG-Verdrag en van artikel 161 van het EGA-Verdrag, alsmede aan de beschikkingen en aanbevelingen in de zin van artikel 14 van het EGKS-Verdrag, tenzij in de lijst die is opgenomen in bijlage XII of in andere bepalingen van de onderhavige Akte een bepaalde termijn is vastgesteld.

Artikel

146

Artikel

147

De vóór de toetreding van de Helleense Republiek aanvaarde teksten van de besluiten van de Instellingen der Gemeenschappen en die door de Raad of de Commissie in de Griekse taal zijn vastgesteld, zijn vanaf het tijdstip van die toetreding op gelijke wijze authentiek als de in de zes huidige talen vastgestelde teksten. Zij worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt, wanneer de teksten in de huidige talen aldus zijn bekendgemaakt.

Artikel

148

Van de op het tijdstip van toetreding van de Helleense Republiek bestaande overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen die ingevolge genoemde toetreding onder de werkingssfeer van artikel 65 van het EGKS-Verdrag vallen, moet aan de Commissie kennis worden gegeven binnen een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding. Alleen overeenkomsten en besluiten waarvan kennis is gegeven, blijven voorlopig van kracht totdat de Commissie heeft beslist.

Artikel

149

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de bescherming van de gezondheid van de bevolking en van de werknemers op het grondgebied van de Helleense Republiek tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, worden, overeenkomstig artikel 33 van het EGA-Verdrag, door deze Staat aan de Commissie medegedeeld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding.

Titel

III

Slotbepalingen

Artikel

151

De Regering van de Franse Republiek zendt aan de Regering van de Helleense Republiek een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van de verdragen waarbij dit Verdrag is gewijzigd toe.

Artikel

152

De Regering van de Italiaanse Republiek zendt aan de Regering van de Helleense Republiek een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse en de Nederlandse taal toe van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan, met inbegrip van het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

De teksten van deze Verdragen die zijn opgesteld in de Griekse taal worden aan de onderhavige Akte gehecht. Deze teksten zijn op gelijke wijze authentiek als de teksten van de in de eerste alinea genoemde Verdragen die zijn opgesteld in de huidige talen.

Artikel

153

De Secretaris-Generaal van de Raad der Europese Gemeenschappen zal een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de internationale overeenkomsten die zijn nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal, aan de Regering van de Helleense Republiek toezenden.

BIJLAGE

I

Lijst bedoeld in artikel 21 van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

II

Lijst bedoeld in artikel 22 van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

III

Lijst bedoel in artikel 36, leden 1 en 2, van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

IV

Lijst bedoeld in artikel 114 van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

V

Lijst bedoeld in artikel 115, lid 1, van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

VI

Lijst bedoeld in artikel 115, lid 3, van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

VII

Lijst bedoeld in artikel 117, lid 1, van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

VIII

Lijst in artikel 128 van de Toetreding

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

IX

Lijst bedoeld in artikel 142, lid 1, van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

X

Lijst bedoeld in artikel 142, lid 2, van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

XI

Lijst bedoeld in artikel 144 van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

BIJLAGE

XII

Lijst bedoeld in artikel 145 van de Toetredingsakte

De bijlage is gepubliceerd op: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:1979:291:FULL&from=EN.

Protocol Nr.

1

betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank

Eerste

deel

Aanpassing van de Statuten van de Europese Investeringsbank

Artikel

1

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 07-02-1992.

Artikel

2

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 07-02-1992.

Artikel

3

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 07-02-1992.

Artikel

4

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 07-02-1992.

Artikel

5

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 07-02-1992.

Artikel

6

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 07-02-1992.

Tweede

deel

Andere bepalingen

Artikel

7

Artikel

8

De Helleense Republiek draagt bij tot de statutaire reserve, de aanvullende reserve, de met reserves gelijk te stellen voorzieningen, alsmede het nog naar de reserves en voorzieningen over te boeken saldo van de verlies- en winstrekening, zoals deze zijn vastgesteld op 31 december van het jaar voorafgaande aan de toetreding en zoals deze in rekeneenheden voorkomen in de goedgekeurde balans van de Bank, een en ander voor een bedrag tot een percentage van 1,56% van deze posten en op de in artikel 7, lid 1, genoemde data.

Artikel

9

De in artikel 7 en 8 van dit protocol bedoelde stortingen worden door de Helleense Republiek verricht in haar vrij converteerbare nationale valuta. Voor de berekening van de te storten bedragen wordt de koers voor de omrekening van de rekeneenheid in de drachme gebruikt, die geldt op de laatste werkdag van de maand voorafgaande aan de betrokken stortingen.

Artikel

10

Artikel

11

De Raad van Gouverneurs benoemt op voorstel van de Raad van Bewind de in artikel 6 van dit protocol bedoelde vijfde vice-president uiterlijk ter gelegenheid van de jaarvergadering tijdens welke het jaarverslag over het boekjaar 1981 wordt behandeld.

Protocol Nr.

2

betreffende de vaststelling van het basisrecht voor lucifers van post 36.06 van het gemeenschappelijk douanetarief

Het basisrecht waarop de Helleense Republiek de geleidelijke verlagingen als bedoeld in artikel 25 voor lucifers van post 36.06 van het gemeenschappelijk douanetarief toepast, bedraagt 9,6%.

Voor dezelfde produkten bedraagt het basisrecht dat als grondslag dient voor de overeenkomstig artikel 31 uit te voeren aanpassingen aan het gemeenschappelijk douanetarief, 17,2%.

Protocol Nr.

3

betreffende de toekenning van vrijstelling van invoerrechten voor bepaalde goederen door de Helleense Republiek

De bepalingen betreffende de aanpassing van de rechten van het Griekse douanetarief aan die van het gemeenschappelijk douanetarief vormen geen beletsel voor de Helleense Republiek de vrijstellingen te handhaven die voor 1 januari 1979 waren toegekend krachtens

  • -

    wet nr. 4171/61 - Algemene maatregelen ter stimulering van de ontwikkeling van de economie,

  • -

    wetsbesluit nr. 2687/53 - Investering en bescherming van buitenlands kapitaal,

  • -

    wet nr. 289/76 - Stimuleringsmaatregelen voor de ontwikkeling van grensgebieden en daarmede verband houdende vraagstukken

tot het verstrijken van de geldigheidsduur van de overeenkomsten die de Griekse Regering met degenen die voor deze maatregelen in aanmerking kwamen, heeft gesloten.

Protocol Nr.

4

betreffende katoen

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

erkennend dat de katoenproduktie voor de economie van Griekenland van groot belang is,

erkennend dat deze produktie een specifiek landbouwkarakter heeft,

erkennend dat gezien de betekenis van katoen als grondstof de regeling van het handelsverkeer met derde landen niet nadelig zal mogen worden beïnvloed,

van oordeel dat ten einde iedere discriminatie tussen producenten van de Gemeenschap te vermijden de krachtens dit protocol vastgestelde regeling op het hele grondgebied van de Gemeenschap van toepassing dient te zijn,

hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

1

Dit protocol heeft betrekking op niet gekaarde en niet gekamde katoen die valt onder post 55.01 van het gemeenschappelijk douanetarief.

2

In de Gemeenschap wordt een regeling ingevoerd die met name ten doel heeft:

  • -

    de katoenproduktie te ondersteunen in de gebieden van de Gemeenschap waar zij van belang is voor de landbouweconomie;

  • -

    de betrokken producenten in staat te stellen een redelijk inkomen te verwerven;

  • -

    de markt te stabiliseren door structuurverbetering inzake het aanbod en het op de markt brengen.

3

De in lid 2 bedoelde regeling omvat de toekenning van steun bij de produktie.

Ten einde het beheer en de controle te vergemakkelijken, wordt de steun bij de produktie verleend via de egreneringsondernemingen. In dit opzicht dient ervoor te worden gezorgd dat er geen intracommunautaire distorsies van de mededinging plaatsvinden in de volgende stadia van verwerking.

Het bedrag van deze steun wordt op gezette tijden vastgesteld op de grondslag van het verschil tussen:

  • -

    een streefprijs die wordt vastgesteld voor niet egreneerde katoen overeenkomstig de in lid 2 bedoelde criteria,

  • -

    de wereldmarktprijs bepaald op de grondslag van de aanbiedingen en noteringen op de wereldmarkt.

De toekenning van de steun bij de produktie is beperkt tot een hoeveelheid katoen die jaarlijks voor de Gemeenschap wordt bepaald.

Deze hoeveelheid is gelegen binnen een vork die bestaat uit:

  • -

    de hoeveelheid die overeenkomt met de communautaire produktie tijdens de jaren 1978 tot en met 1980 of de produktie van één van deze jaren en

  • -

    de hoeveelheid die krachtens het vorige streepje is vastgesteld, verhoogd met 25%.

Wanneer de werkelijke produktie van een verkoopseizoen de voor het desbetreffende seizoen vastgestelde hoeveelheid overschrijdt, wordt op het bedrag van de steun een coëfficiënt toegepast die wordt verkregen door de vastgestelde hoeveelheid te delen door de werkelijk geproduceerde hoeveelheid.

4

Ten einde de katoenproducenten in staat te stellen het aanbod te concentreren en de produktie aan de eisen van de markt aan te passen, wordt een regeling ingesteld ten einde de vorming van producentengroeperingen en de verenigingen daarvan te stimuleren.

Deze regeling voorziet in de toekenning van steun ten einde de oprichting van producentengroeperingen te stimuleren en de werking daarvan te vergemakkelijken.

Deze regeling geldt uitsluitend voor groeperingen:

  • -

    die zijn opgericht op initiatief van de producenten zelf,

  • -

    die voldoende garantie bieden inzake de duur en de doelmatigheid van hun optreden en

  • -

    die zijn erkend door de betrokken Lid-Staat.

5

De regeling voor de handel van de Gemeenschap met derde landen mag niet nadelig worden beïnvloed. In dit verband mogen in het bijzonder geen restrictieve maatregelen bij invoer worden genomen.

6

De Lid-Staten en de Commissie doen elkaar de gegevens toekomen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de in dit protocol neergelegde regeling.

7

De uitgaven inzake de maatregelen voorzien bij of vast te stellen krachtens dit protocol worden door de Gemeenschap gefinancierd overeenkomstig het EEG-Verdrag.

8

Op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de Vergadering stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen elk jaar vóór 1 augustus de in lid 3 bedoelde streefprijs vast voor het verkoopseizoen dat het volgende jaar begint.

9

Op voorstel van de Commissie stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de maatregelen vast die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in dit protocol neergelegde bepalingen en met name:

  • a)

    de procedurevoorschriften voor de toepassing daarvan, alsmede de regels voor goed beheer;

  • b)

    de algemene voorschriften van de regeling voor de steun bij de produktie als bedoeld in lid 3 en de criteria voor de bepaling van de wereldmarktprijs als bedoeld in dat zelfde lid;

  • c)

    de algemene regels voor de regeling ter stimulering van de vorming van producentengroeperingen en de verenigingen daarvan;

  • d)

    de algemene regels inzake de financiering bedoeld in lid 7.

Volgens dezelfde procedure bepaalt de Raad:

  • a)

    jaarlijks en tijdig voor de aanvang van elk verkoopseizoen de in lid 3 bedoelde hoeveelheid;

  • b)

    het bedrag van de steun bedoeld in lid 4;

  • c)

    de voorwaarden waaronder de overgangsmaatregelen kunnen worden vastgesteld die nodig zijn om de overgang van de voordien geldende regeling naar de regeling die voortvloeit uit de toepassing van dit protocol te vergemakkelijken, met name indien de tenuitvoerlegging van de nieuwe regeling op de vastgestelde datum op aanzienlijke moeilijkheden stuit.

10

De Commissie bepaalt de wereldmarktprijs en het bedrag van de steun, als bedoeld in lid 3.

11

Uiterlijk vijf jaar na het begin van de toepassing van de regeling die krachtens dit protocol is ingevoerd, onderzoekt de Raad op de grondslag van een verslag van de Commissie de werking van deze regeling. Indien de resultaten van dit onderzoek de noodzaak hiervan doen blijken, besluit de Raad, op voorstel van de Commissie, na raadpleging van de Vergadering met gekwalificeerde meerderheid van stemmen inzake de eventuele aanpassingen die in de regeling dienen te worden aangebracht.

12

De krachtens dit protocol getroffen maatregelen worden uiterlijk op 1 augustus 1981 van toepassing en worden voor de eerste maal toegepast op de in 1981 geoogste produkten.

Tot de datum van deze toepassing, is de Helleense Republiek bevoegd bij wijze van uitzondering de vóór de toetreding op haar grondgebied geldende steunregeling te handhaven.

Protocol Nr.

5

betreffende de deelneming van de Helleense Republiek aan het vermogen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

De bijdrage van de Helleense Republiek aan het vermogen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal wordt vastgesteld op 3 miljoen Europese rekeneenheden.

De storting van deze bijdrage vindt plaats in drie gelijke jaarlijkse gedeelten, zonder rente, met ingang van 1 januari 1981.

Elk gedeelte wordt gestort in vrij convertibele nationale munt van de Helleense Republiek.

Protocol Nr.

6

betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met de Helleense Republiek

Artikel

1

Artikel

2

Protocol nr.

7

betreffende de economische en industriële ontwikkeling van Griekenland

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

verlangende bepaalde bijzondere vraagstukken die voor Griekenland van belang zijn te regelen,

tot overeenstemming geraakt omtrent de volgende bepalingen,

brengen in herinnering dat de fundamentele doelstellingen van de Europese Economische Gemeenschap de voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder de volkieren van de Lid-Staten leven en werken, omvatten, alsmede de harmonische ontwikkeling van hun economie door het verschil in niveau tussen de onderscheiden gebieden en de achterstand van de minder begunstigde gebieden te verminderen;

nemen kennis van de omstandigheid! dat de Griekse Regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling die ten doel heeft de levensstandaard in Griekenland nader te brengen tot die in de andere Europese landen en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, waarbij de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk worden opgeheven;

erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt;

komen overeen te dien einde tot de Instellingen van de Gemeenschap de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin het EEG-Verdrag voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de communautaire middelen die dienen ter verwezenlijking van bovengenoemde doelstellingen van de Gemeenschap;

erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen 92 en 93 van het EEG-Verdrag, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

Slotakte

De gevolmachtigden van

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

de President van de Helleense Republiek,

de President van de Franse Republiek,

de President van Ierland,

de President van de Italiaanse Republiek,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

en de Raad der Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn Voorzitter,

bijeengekomen te Athene, de achtentwintigste mei negentienhonderdnegenenzeventig, ter gelegenheid van de ondertekening van het Verdrag betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

hebben vastgesteld, dat de volgende teksten zijn opgesteld en aangenomen in het kader van de Conferentie tussen de Europese Gemeenschappen en de Helleense Republiek:

De gevolmachtigden hebben akte genomen van het besluit van de Raad der Europese Gemeenschappen van 24 mei 1979 inzake de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.

Voorts hebben de gevolmachtigden en de Raad de hierna genoemde en aan deze Slotakte gehechte verklaringen aangenomen:

De gevolmachtigden en de Raad hebben eveneens kennis genomen van de volgende verklaringen die aan deze Slotakte zijn gehecht:

De gevolmachtigden en de Raad hebben tevens kennis genomen van de overeenstemming betreffende de procedure voor de aanvaarding van bepaalde besluiten en andere maatregelen die moeten worden genomen tijdens de periode die aan de toetreding voorafgaat, die tot stand is gekomen in het kader van de Conferentie tussen de Europese Gemeenschappen en de Helleense Republieken die aan deze Slotakte is gehecht.

Tenslotte zijn de volgende verklaringen afgelegd en aan deze Slotakte gehecht:

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze slotakte hebben gesteld.

GEDAAN te Athene, de achtentwintigste mei negentienhonderd negenenzeventig.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende het vrije verkeer van werknemers

De uitbreiding van de Gemeenschap zou bepaalde moeilijkheden kunnen meebrengen voor de sociale toestand in één of meer Lid-Staten ten aanzien van de toepassing van de bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers.

De Lid-Staten verklaren zich het recht voor te behouden om zich, indien moeilijkheden van deze aard rijzen, tot de Instellingen van de Gemeenschap te wenden voor een oplossing van dit vraagstuk overeenkomstig de bepalingen der Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en de bepalingen ter uitvoering daarvan.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende bijzondere overgangsmaatregelen die nodig kunnen zijn in de betrekkingen tussen Griekenland en Spanje en Portugal na de toetreding van deze twee landen

De toetreding van Spanje en Portugal tot de Gemeenschappen vóór het einde van de overgangsmaatregelen neergelegd in artikel 9 van de Akte zou bijzondere overgangsmaatregelen in de betrekkingen tussen deze landen en Griekenland noodzakelijk kunnen maken.

Deze overgangsmaatregelen zullen eventueel worden opgenomen in de instrumenten aangaande de toetreding van Spanje en Portugal.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende de overeenkomstig artikel 118 met bepaalde derde landen te sluiten Protocollen

Bij de onderhandelingen over de met de in artikel 118 bedoelde landen waarmee overeenkomsten zijn aangegaan te sluiten Protocollen zal de Gemeenschap uitgaan van de regels die ter zake tijdens de Conferentie tussen de Europese Gemeenschappen en de Helleense Republiek zijn overeengekomen.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende de Berg Athos

Erkennende dat het aan de berg Athos verleende bijzondere statuut zoals dit is gewaarborgd bij artikel 105 van de Griekse grondwet uitsluitend wordt gerechtvaardigd door motieven van geestelijke en religieuze aard, draagt de Gemeenschap er zorg voor hiermee rekening te houden bij de toepassing en latere uitwerking van de bepalingen van het communautaire recht, met name voor wat betreft de vrijdom op douane- en belastinggebied en het recht van vestiging.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende de procedure van gemeenschappelijk onderzoek van de door de Helleense Republiek tijdens de periode die voorafgaat aan de toetreding toegekende nationale steun op landbouwgebied

  • 1.

    De lijst van de in artikel 69, lid 2, van de Toetredingsakte bedoelde steunmaatregelen alsmede het bedrag daarvan zijn die waarover in de Conferentie overeenstemming is bereikt. Deze bedragen kunnen, in voorkomend geval, worden bijgesteld na toepassing van de in punt 2 bedoelde procedure.

  • 2.

    De door de Griekse autoriteiten overwogen wijzigingen zowel op het gebied van de wijze van toekenning als op dat van de bijstelling van het bedrag van alle in Griekenland gedurende de periode die voorafgaat aan de toetreding toegekende nationale steun vormen het onderwerp van een procedure van gemeenschappelijk onderzoek door deze autoriteiten en de communautaire instanties.

    Hiertoe verrichten de Helleense Republiek en de Commissie op gezette tijden gemeenschappelijk een analyse van de wijzigingen die in overweging worden genomen zowel voor de structuur als voor het peil van de in Griekenland toegekende steun. De Commissie brengt de Raad verslag uit over de resultaten van deze analyse.

  • 3.

    Indien naar aanleiding van de behandeling van bovengenoemd verslag de Gemeenschap in haar huidige samenstelling hierom verzoekt, deelt de Helleense Republiek haar de besluiten mede die zij op het gebied van nationale steunmaatregelen in de landbouw overweegt te treffen, met het oog op de toepassing van de elders omschreven procedure voor de aanvaarding van bepaalde besluiten en andere maatregelen die moeten worden genomen tijdens de periode die aan de toetreding voorafgaat.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende de procedure van gemeenschappelijk onderzoek van de jaarlijkse wijzigingen van de prijzen van de landbouwprodukten in Griekenland gedurende de periode die voorafgaat aan de toetreding

  • 1.

    Voor de toepassing van de bepalingen van de Toetredingsakte waarin het peil wordt bepaald van de Griekse prijzen dat, in voorkomend geval, moet worden aangepast aan het peil van de gemeenschappelijke prijzen, wordt overeengekomen dat de prijzen die in overweging zullen worden genomen uit hoofde van de referentieperiode waarvan de duur voor elk produkt tijdens de interimperiode dient te worden bepaald, de prijzen zijn die voortvloeien uit de verrichte prijsconstateringen die zijn neergelegd in de handelingen van de Conferentie, bijgesteld aan de hand van de prijsaanpassingen die sindsdien hebben plaatsgevonden of die voor de toetreding zullen plaatsvinden.

  • 2.

    De prijsaanpassingen waartoe door de Griekse autoriteiten dient te worden besloten of die voortvloeien uit in Griekenland verrichte prijsconstateringen zullen worden onderworpen aan een procedure van gemeenschappelijk onderzoek door de Griekse autoriteiten en de communautaire instanties.

    Hiertoe verrichten de Helleense Republiek en de Commissie op gezette tijden gemeenschappelijk een analyse van de gegevens inzake de prijsaanpassingen waartoe dient te worden besloten of die zijn geconstateerd voor de Griekse markt. De Commissie brengt de Raad verslag uit over de resultaten van deze analyse.

  • 3.

    Indien naar aanleiding van de behandeling van bovengenoemd verslag de Gemeenschap in haar huidige samenstelling hierom verzoekt, deelt de Helleense Republiek haar de besluiten mede die zij inzake de wijziging van landbouwprijzen overweegt te treffen, met het oog op de toepassing van de elders omschreven procedure voor de aanvaarding van bepaalde besluiten en andere maatregelen die moeten worden genomen tijdens de periode die aan de toetreding voorafgaat.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende suiker, melk- en zuivelprodukten, olijfolie en verwerkte groenten en fruit

  • 1.

    Voor zover een regeling voor produktiequota die gelijk is aan of gelijksoortig is met die welke thans in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker is voorzien, bij de toetreding van de Helleense Republiek van toepassing zal zijn, zal deze laatste volgens dezelfde criteria worden behandeld als de andere Lid-Staten.

    Te dien einde zal het maximumquotum voor de suikerproduktie in Griekenland op een peil worden vastgesteld dat dicht is gelegen bij het peil dat overeenkomt met de hoeveelheden die in Griekenland zijn geproduceerd gedurende een recente referentieperiode waarvan de duur tijdens de interimperiode dient te worden bepaald zonder dat deze duur het verkoopseizoen voor suiker 1978/1979 mag overschrijden. Binnen dit maximumquotum wordt het onderscheid tussen A- en B-quota verricht volgens de in de Gemeenschap in haar huidige samenstelling voor de bepaling van het maximumquota geldende regels.

  • 2.

    Voor zover de regeling inzake de medeverantwoordelijkheidsheffing in de sector melk- of zuivelprodukten of een soortgelijke regeling van toepassing is op de datum van toetreding zullen de geldende communautaire bepalingen inzake de vrijstelling van deze heffing onder bepaalde voorwaarden voor de Helleense Republiek van toepassing zijn op dezelfde wijze als voor de andere Lid-Staten.

  • 3.

    De steun bij de produktie voor olijfolie zal in Griekenland worden toegekend voor de oppervlakten die op de datum van toetreding met olijfbomen zijn beplant. De Helleense Republiek neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn om te vermijden dat deze oppervlakten in de periode die voorafgaat aan de toetreding op zodanige wijze wordt uitgebreid dat het aantal olijfbomen hoger is dan hetwelk bestond aan het einde van het jaar 1978.

  • 4.

    Artikel 103 van de Toetredingsakte is van toepassing met inachtneming van de communautaire wetgeving die op de datum van ondertekening van het Verdrag geldt voor verwerkte groenten en fruit. Indien naar aanleiding van het onderzoek dat door de Raad vóór 1 oktober 1982 wordt verricht met betrekking tot de werking van de gemeenschapsregeling voor steun aan de produktie van bepaalde produkten in de betrokken sector, de geldende regeling wordt gewijzigd, wordt het bepaalde in artikel 103 dienovereenkomstig aangepast.

Gemeenschappelijke Verklaring betreffende de Eerste richtlijn van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen

Bij de wijziging die in artikel 2, lid 2, van deze richtlijn wordt aangebracht, wordt verklaard dat de Raad ertoe zal besluiten de „Tαχνδρoμικο Tαμιεντηρίο” (Postspaarkas) buiten de opsomming van in deze bepaling bedoelde instellingen te houden

  • -

    indien het Statuut van de Postspaarkas wordt gewijzigd;

  • -

    indien het marktaandeel van deze instelling in Griekenland voor wat het totaal van haar deposito's, haar kredieten dan wel haar activa betreft met meer dan 1,5 % toeneemt ten opzichte van de situatie per 30 november 1978.

Verklaring van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de toepassing op Berlijn van het besluit inzake de toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag inzake de toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland behoudt zich het recht voor, bij het van kracht worden van de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en bij het nederleggen van haar Akte van bekrachtiging van het Verdrag inzake de toetreding van vorengenoemd land tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, te verklaren, dat het besluit van de Raad van 24 mei 1979 inzake de toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en bovengenoemd Verdrag eveneens van toepassing zijn op het „Land Berlijn”.

Verklaring van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de omschrijving van de uitdrukking „onderdanen”

Wanneer in de Toetredingsakte en in de bijlagen daarvan sprake is van onderdanen van de Lid-Staten, wordt met die uitdrukking, voor wat de Bondsrepubliek Duitsland betreft, bedoeld de “Duitsers in de zin van de Grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland”.

Voorlichtings- en overlegprocedure met het oog op de aanvaarding van bepaalde besluiten

I

  • 1.

    Ten einde te waarborgen dat de Helleense Republiek voldoende wordt ingelicht, worden alle voorstellen of mededelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen die kunnen leiden tot besluiten van de Raad van deze Gemeenschappen, na toezending aan de Raad ter kennis van de Helleense Republiek gebracht.

  • 2.

    Er wordt overleg gepleegd op een met reden omkleed verzoek van de Helleense Republiek, die daarin haar belangen als toekomstig lid van de Gemeenschappen dient uiteen te zetten en haar opmerkingen daarin neerlegt.

  • 3.

    Besluiten inzake beheer vormen in het algemeen geen aanleiding tot overleg.

  • 4.

    Het overleg vindt plaats in een Interimcomité, samengesteld uit Vertegenwoordigers van de Gemeenschappen en van de Helleense Republiek.

  • 5.

    Aan Gemeenschapszijde zijp de leden van het Interimcomité de leden van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers of diegenen die deze laatsten daarvoor aanwijzen. De Commissie wordt uitgenodigd, zich bij deze werkzaamheden te doen vertegenwoordigen.

  • 6.

    Het Interimcomité wordt bijgestaan door een Secretariaat, dat het Secretariaat van de Conferentie is; dat tot dat doel in functie blijft.

  • 7.

    Het overleg vindt normaliter; plaats zodra de voorbereidende werkzaamheden op communautair niveau met het oog op de aanvaarding van besluiten door de Raad zover zijn gevorderd, dat de gemeenschappelijke strekking ervan het mogelijk maakt, een dergelijk overleg met vrucht te organiseren.

  • 8.

    Mochten er na het overleg nog ernstige moeilijkheden bestaan, dan kan het probleem op verzoek van de Helleense Republiek op ministerieel niveau worden besproken.

  • 9.

    De in de voorafgaande paragrafen omschreven procedure is eveneens van toepassing op alle door de Helleense Republiek te nemen besluiten die van invloed kunnen zijn op de verbintenissen die voortvloeien uit haar hoedanigheid van toekomstig lid van de Gemeenschappen.

II

De Helleense Republiek neemt de nodige maatregelen om haar toetreding tot de in artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 2, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen bedoelde overeenkomsten of akkoorden, voor zover mogelijk en overeenkomstig het in die Akte bepaalde, te doen samenvallen met de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding.

Voor zover de in artikel 3, lid 1, tweede zin, en lid 2, bedoelde overeenkomsten en akkoorden tussen de Lid-Staten slechts in de vorm van een ontwerp bestaan, nog niet zijn; ondertekend en waarschijnlijk in het tijdvak dat aan de toetreding voorafgaat niet meer kunnen worden ondertekend, zal de Helleense Republiek worden uitgenodigd om na de ondertekening van het Verdrag betreffende de toetreding volgens passende procedures deel te nemen aan de uitwerking, in positieve zin en zodanig dat de sluiting daarvan wordt bevorderd, van die ontwerpen.

III

Ten aanzien van de onderhandelingen over overgangs- en aanpassingsprotocollen met de in artikel 118 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden genoemde landen worden de Vertegenwoordigers van de Helleense Republiek als waarnemers bij de werkzaamheden betrokken, naast de Vertegenwoordigers van de huidige Lid-Staten.

Bepaalde door de Gemeenschap gesloten niet-preferentiële akkoorden die ook na 1 januari 1981 blijven gelden kunnen worden aangepast om rekening te houden met de uitbreiding van de Gemeenschap. De Gemeenschap zal de Vertegenwoordigers van de Helleense Republiek overeenkomstig de in de vorige alinea omschreven procedure bij de onderhandelingen over deze aanpassingen betrekken.

IV

Het in artikel 49, lid 2, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing van de Verdragen bedoelde overleg tussen de Helleense Republiek en de Commissie vindt reeds plaats vóór het tijdstip van toetreding.

V

De Helleense Republiek verbindt zich ertoe te bewerkstelligen dat de verlening van de in artikel 2 van Protocol nr. 6 betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met de Helleense Republiek bedoelde licenties vóór de toetreding niet opzettelijk wordt versneld ten einde de draagwijdte van de in dit Protocol vervatte verbintenissen te verminderen.

VI

De Instellingen van de Gemeenschappen stellen tijdig de in artikel 147 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek en de aanpassing der Verdragen bedoelde bepalingen vast.

Verklaring van de Europese Economische Gemeenschap inzake de toegang van Griekse werknemers tot arbeid in loondienst in de huidige Lid-Staten

In het kader van de overgangsbepalingen betreffende de uitoefening van het recht op vrij verkeer, zullen de huidige Lid-Staten, indien er een beroep wordt gedaan op werknemers uit derde landen die geen deel uitmaken van hun normale arbeidsmarkt om aan hun behoefte aan arbeidskrachten te voldoen, Griekse onderdanen dezelfde prioriteit toekennen als onderdanen van de andere Lid-Staten.

Verklaring van de Europese Economische Gemeenschap inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling

Indien, in het kader van het nieuwe onderzoek als bedoeld in artikel 22 van Verordening (EEG) nr. 724/75, gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 214/79, de Raad niet tijdig tot de wijzigingen mocht geraken waarin de voorwaarden worden omschreven voor de deelneming van de Helleense Republiek in de middelen van het Fonds vanaf 1 januari 1981, wordt het bepaalde in artikel 2, lid 3, sub a), onmiddellijk na de toetreding gewijzigd volgens de procedure die is gebezigd voor de aanvaarding van deze verordening ten einde de deelneming van de Helleense Republiek in de uit deze bepalingen voortvloeiende voordelen zeker te stellen.

Verklaring van de Helleense Republiek inzake monetaire vraagstukken

Ten einde het mogelijk te maken op de wisselmarkten de ontwikkeling van de reële koers van de Griekse drachme met name ten opzichte van de valuta van de huidige Lid-Staten te volgen, zal de Helleense Republiek voor de toetreding tot de Gemeenschap:

  • -

    te Athene een wisselmarkt in het leven roepen,

  • -

    de nodige maatregelen treffen ten einde te waarborgen dat de drachme op ten minste één van de wisselmarkten van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling het voorwerp vormt van een officiële notering, daar waar die bestaat, of van een soortgelijke notering.

Besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 mei 1979 betreffende de toelating van de Helleense Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

De Raad van de Europese Gemeenschappen,

gelet op artikel 237 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 205 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

overwegende dat de Helleense Republiek heeft verzocht om lid te worden van de Europese Economische Gemeenschap en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

na het advies van de Commissie te hebben ingewonnen, besluit:

dit verzoek om toelating in te willigen, en in te stemmen met de voorwaarden van deze toelating, alsmede met de aanpassingen van de Verdragen welke deze toelating meebrengt, waaromtrent tussen de Lid-Staten en de Helleense Republiek overeenstemming is bereikt.

Gedaan te Brussel, 24 mei 1979

Voor de Raad

De Voorzitter

(w.g.) J. François-Poncet

Besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 mei 1979 inzake de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

De Raad van de Europese Gemeenschappen,

gelet op artikel 98 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,

gezien het advies van de Commissie,

overwegende dat de Helleense Republiek heeft verzocht om toetreding tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal;

overwegende dat over de door de Raad vast te stellen toetredingsvoorwaarden is onderhandeld met de Helleense Republiek,

besluit:

Artikel

1

Artikel

2

De Akte van toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal zal op 1 januari 1981 worden neergelegd bij de Regering van de Franse Republiek.

De toetreding wordt van kracht op 1 januari 1981, mits de Helleense Republiek haar Akte van toetreding op dit tijdstip heeft neergelegd en mits alle Staten die het Verdrag betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en tot de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie hebben ondertekend hun Akten van bekrachtiging vóór dit tijdstip hebben neergelegd.

De Regering van de Franse Republiek zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de Akte van toetreding van de Helleense Republiek toe aan de Regeringen van de Lid-Staten.

Artikel

3

Dit besluit, opgesteld in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de acht teksten gelijkelijk authentiek, wordt medegedeeld aan de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en aan de Helleense Republiek.

Gedaan te Brussel, 24 mei 1979

Voor de Raad

De Voorzitter

(w.g.) J. François-Poncet