Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de winning van steenkolen in het Nederlands-Duitse grensgebied ten westen van Wegberg - Brüggen

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de winning van steenkolen in het Nederlands-Duitse grensgebied ten westen van Wegberg-Brüggen

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

geleid door de wens, de in bijlage C van het verdrag tussen de Nederlandse en Duitse regering van 11 mei 1920 nopens crediet en steenkolen bedoelde bijzondere regeling tot stand te doen komen en een rationele ontwikkeling der steenkolenproductie in het Nederlands-Duitse grensgebied mogelijk te maken, zijn overeengekomen tot dit doel een verdrag te sluiten en hebben daartoe tot hun gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

De Heer Arnold Theodor Lamping,

Harer Majesteits Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te Bonn,

De President van de Bondsrepubliek Duitsland

De Heer Dr. Heinrich von Brentano,

Bondsminister van Buitenlandse Zaken,

die, na hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen als volgt:

Artikel

1

Artikel

2

Voor de in artikel 1, lid (2), onder b) genoemde steenkolenvelden en het onder c) genoemde concessievrije gebied wordt het verdrag van toepassing met de ingevolge het „Preussische Gesetz über den Bergwerksbetrieb ausländischer juristischer Personen und den Geschäftsbetrieb ausserpreussischer Gewerkschaften” van 23 juni 1909 („Gesetzsammlung” bladzijde 619) vereiste vergunningen.

Artikel

3

De steenkolenmijnbouw in het verdragsgebied dient te worden uitgeoefend door een mijnonderneming naar Nederlands recht, die in Nederland is gevestigd en in het aangrenzende Nederlandse gebied in eigen concessie steenkolenmijnbouw uitoefent (Nederlandse mijnonderneming).

Artikel

4

Artikel

5

In het in artikel 1, lid (2), onder a) genoemde steenkolenveld mogen schachten en daarbij behorende bovengrondse werken worden opgericht, daarentegen niet in het overige verdragsgebied.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Het Nederlandse Toezicht op de mijnen stelt het Duitse Toezicht op de mijnen de volgens de Nederlandse mijnpolitionele bepalingen voorgeschreven werkplannen betreffende de geprojecteerde ontginning in het verdragsgebied telkenmale ter beschikking.

Artikel

10

Artikel

11

Voor springstoffen, die ten behoeve van de ondergrondse werken in het verdragsgebied uit Nederland naar het bovengrondse verdragsgebied gebracht of daar doorgevoerd worden, gelden de Duitse veiligheidsvoorschriften.

Artikel

12

Handelingen en nalatigheden in de binnen het verdragsgebied gelegen ondergrondse werken worden strafrechtelijk en burgerrechtelijk behandeld als waren deze in Nederland geschied.

Artikel

13

Artikel

14

Op het gebied van het arbeidsrecht en van de sociale zekerheid wordt de positie der werknemers, die in het mijnbedrijf in het verdragsgebied werkzaam zijn, door Nederlands recht beheerst. Op het gebied der sociale zekerheid gelden overigens de te eniger tijd tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland van kracht zijnde internationale overeenkomsten.

Artikel

15

Artikel

16

De niet-zelfstandige arbeid van werknemers, die door de Nederlandse mijnonderneming te werk zijn gesteld in de mijnwerken, welke in het verdragsgebied zijn aangelegd, geldt voor wat betreft de belastingheffing van de werknemers als in Nederland uitgeoefend. Voor zover deze bepaling betrekking heeft op de belastingheffing van werknemers, die hun woonplaats in de Bondsrepubliek Duitsland hebben en in het verdragsgebied bovengronds werkzaam zijn of geregeld via een in het verdragsgebied gelegen schacht afdalen, kan deze, met inachtneming van een termijn van 6 maanden, met ingang van 1 januari worden opgezegd.

Artikel

17

Artikel

18

Het „Gesetz zur Förderung des Bergarbeiterwohnungsbaues im Kohlenbergbau” van 23 oktober 1951 („Bundesgesetzblatt” I, bladzijde 865) en het „Gesetz über Bergmannsprämien” van 20 december 1956 („Bundesgesetzblatt” I, bladzijde 927), zoals zij te eniger tijd luiden, zijn niet van toepassing op de mijnbouw in het verdragsgebied.

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

De bevoegde Nederlandse en Duitse Ministers zullen de overeenkomsten aangaan, die tot uitvoering van dit verdrag of in verband daarmede noodzakelijk zijn. Deze overeenkomsten worden door notawisseling langs diplomatieke weg bevestigd en treden daarmede in werking.

Artikel

22

TEN BLIJKE WAARVAN de wederzijdse gevolmachtigden dit verdrag hebben ondertekend en van hun zegels voorzien.

GEDAAN te Bonn, de 28ste januari 1958, in twee originele exemplaren, elk in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) LAMPING

Voor de Bondsrepubliek Duitsland

(w.g.) v. BRENTANO

Bijlage

van het verdrag

I

DER BUNDESMINISTER

DES AUSWÄRTIGEN

Bonn, den 28. Januar 1958.

Herr Botschafter,

Ich beehre mich, Ihnen unter Bezugnahme auf den heute unterzeichneten Vertrag zwischen der Bundesrepublik Deutschland und dem Königreich der Niederlande über den Abbau von Steinkohlen im deutsch-niederländischen Grenzgebiet westlich Wegberg-Brüggen folgendes mitzuteilen:

Die Regierung der Bundesrepublik Deutschland hat in Übereinstimmung mit dem Senat von Berlin den Wunsch, das Land Berlin in den Vertrag zwischen der Bundesrepublik Deutschland und dem Königreich der Niederlande über den Abbau von Steinkohlen im deutsch-niederländischen Grenzgebiet westlich Wegberg-Brüggen einzubeziehen und schlägt daher der Regierung des Königreichs der Niederlande den Abschluss folgender Vereinbarung vor:

'Der Vertrag gilt auch für das Land Berlin, sofern nicht die Regierung der Bundesrepublik Deutschland gegenüber der Regierung des Königreichs der Niederlande innerhalb von drei Monaten nach Inkrafttreten des Vertrages eine gegenteilige Erklärung abgibt.'

Falls die Regierung des Königreichs der Niederlande mit dem Vorstehenden einverstanden ist, darf ich vorschlagen dass diese Note und Ihre Antwort als eine Vereinbarung zwischen unseren beiden Regierungen betrachtet werden, die einen wesentlichen Bestandteil des heute unterzeichneten Vertrages zwischen der Bundesrepublik Deutschland und dem Königreich der Niederlande über den Abbau von Steinkohlen im deutsch-niederländischen Grenzgebiet westlich Wegberg-Brüggen bildet.

Genehmigen Sie, Herr Botschafter, den Ausdruck meiner ausgezeichnetsten Hochachtung.

(gez.) v. BRENTANO

Seiner Exzellenz

Herrn Arnold Theodor Lamping

Ihrer Majestät ausserordentlicher und

bevollmächtiger Botschafter

Bonn

II

AMBASSADE

DER

NEDERLANDEN

Bonn, de 28ste januari 1958.

Mijnheer de Bondsminister,

Hierbij heb ik de eer, de ontvangst te bevestigen van Uw nota van heden van de volgende inhoud:

„Onder verwijzing naar het heden ondertekende Verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de winning van steenkolen in het Duits-Nederlandse grensgebied ten westen van Wegberg-Brüggen, heb ik de eer U het volgende mede te delen:

De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland koestert, in overeenstemming met de Senaat van Berlijn, de wens het Land Berlijn te betrekken bij het Verdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de winning van steenkolen in het Duits-Nederlandse grensgebied ten westen van Wegberg- Brüggen, en stelt daarom aan de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden voor de volgende overeenkomst aan te gaan:

'Het Verdrag geldt ook voor het Land Berlijn, voorzover de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland niet tegenover de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden binnen 3 maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag het tegendeel verklaart.'

Ingeval de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden met het vorenstaande instemt, moge ik voorstellen, dat deze nota en Uw antwoord beschouwd worden als een overeenkomst tussen onze beide Regeringen, welke een integrerend onderdeel vormt van het heden ondertekende Verdrag betreffende de winning van steenkolen in het Duits-Nederlandse grensgebied ten westen van Wegberg-Brüggen.”

Ik heb de eer Uwer Excellentie mede te delen, dat de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden bereid is aan de wens van de Regering der Bondsrepubliek Duitsland te voldoen, en dat zij Uw nota en mijn antwoord beschouwt als een overeenkomst tussen onze beide Regeringen, welke een integrerend onderdeel vormt van het heden ondertekende Verdrag betreffende de winning van steenkolen in het Duits-Nederlandse grensgebied ten westen van Wegberg-Brüggen.

Gelief, Mijnheer de Bondsminister, de verzekering mijner zeer bijzondere hoogachting te aanvaarden.

(w.g.) LAMPING

Zijner Excellentie

Dr. Heinrich von Brentano

Bondsminister van Buitenlandse

Zaken in de Bondsrepubliek

Duitsland

Bonn