Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse Rijk houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor de aan beide zijden van de grens langs de Worm gelegen steenkolenmijnen

VERDRAG tusschen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitsche Rijk houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor de aan beide zijden van de grens langs de Worm gelegen steenkolenmijnen

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

en

de Duitsche Rijkskanselier,

door den wensch geleid, de winning van steenkolen in de aan beide zijden van de Nederlandsch-Duitsche grens langs de Worm gelegen steenkolenmijnen te vergemakkelijken, hebben ten einde een daartoe strekkend verdrag te sluiten, tot Hunne Gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

Mr. NESTORIUS CHRISTIAAN COUVÉE,

Raadadviseur bij het Ministerie van Waterstaat;

de Duitsche Rijkskanselier

Dr. CONRAD ROEDIGER,

„Vortragende Legationsrat” bij het Ministerie van Buitenlandsche Zaken,

die, na elkander hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben medegedeeld, het navolgende zijn overeengekomen:

Artikel

1

Ten behoeve van de steenkolenmijnen, welke volgens de bij dit verdrag gevoegde kaart (bijlage1[Red: Niet opgenomen.]), tusschen de punten 1 en 11 aan de Worm grenzen, wordt onafhankelijk van de Rijksgrens, voor het ondergrondsch bedrijf een ontginningsgrens overeengekomen. Zij is op de kaart door een gebroken roode lijn aangeduid.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Voor de tusschen de Rijksgrenzen en de ontginningsgrenzen liggende gedeelten geldt het navolgende:

  • 1)

    Ten aanzien van het politietoezicht in het ondergrondsche mijnbedrijf zijn de wetten, verordeningen en andere bepalingen van dien Staat van toepassing, in wiens gebied de kolen aan de oppervlakte worden gebracht.

  • 2)

    Eveneens is het Toezicht op de mijnen van dien Staat bevoegd tot het uitoefenen van toezicht op de ondergrondsche werken.

  • 3)

    De rechtstoestand van de ondergrondsche mijnarbeiders en beambten wordt door gelijke regels beheerscht.

  • 4)

    Handelingen en nalatigheden in de ondergrondsche werken, ook die van straf- en burgerrechtelijken aard, worden geacht te hebben plaats gehad in dien Staat, waarin de kolen aan de oppervlakte worden gebracht.

  • 5)

    De rechtsgevolgen, welke uit de verhouding van den eigendom van de mijn tot den eigendom van den grond en tot de hierop rustende zakelijke rechten voortvloeien, in het bijzonder de aanspraken wegens mijnschade, worden beoordeeld naar de wetten van den Staat, waarin het perceel is gelegen.

  • 6)

    Met betrekking tot in- en uitvoerrechten en tot in- en uitvoerverboden of beperkingen worden de kolen geacht te zijn gewonnen in den Staat, waarin zij aan de oppervlakte worden gebracht. Overigens wordt zoowel van de kolen als van de onderneming belasting geheven volgens de wetten en ten behoeve van den Staat, waarin de schacht voor het kolenvervoer ligt.

  • 7)

    Voor bovengrondsche werken is de toestemming vereischt van den Staat, waarin zij zullen worden aangelegd.

Artikel

5

Indien in een der beide verdragsluitende Staten aan het Toezicht op de mijnen van den anderen Staat een aanspraak op schadevergoeding aannemelijk gemaakt wordt, die aan de ontginning van een in dien Staat aan de ontginningsgrens gelegen en aan het toezicht onderworpen mijn wordt toegeschreven, zal deze dienst den verzoeker ongeacht zijne nationaliteit of zijn woonplaats inzage verleenen van de mijnplannen, met in achtneming van de volgende regels:

  • (1)

    Behalve de eigenaar kan een ieder daartoe een verzoek doen, die krachtens zakelijk of persoonlijk recht aanspraak kan maken op eenig gebruik of genot van het perceel.

  • (2)

    Om het verzoek aannemelijk te maken is het voldoende, dat de verzoeker de ligging van het perceel op een kaart aangeeft, door een ambtelijke verklaring aantoont eigenaar van het perceel of gerechtigde tot het gebruik of genot daarvan te zijn en zijn aangifte nopens het ontstaan van schade ondersteunt door een ambtsbericht van het gemeentebestuur, of van de plaatselijke politie, of door een rapport van een deskundige.

  • (3)

    Het Staatstoezicht op de mijnen noodigt hierna den bestuurder der mijn uit zoo spoedig mogelijk zijn standpunt kenbaar te maken.

  • (4)

    Ingeval deze ontkent en het aan het Staatstoezicht op de mijnen, reeds na summier onderzoek op grond van zijn algemeene ondervinding voorkomt, dat iedere mogelijkheid uitgesloten is, dat de mijn invloed had op den toestand van het perceel, wordt het verzoek zonder meer afgewezen.

  • (5)

    Ingeval de bestuurder der mijn niet ontkent, of wel het Staatstoezicht op de mijnen een oorzakelijk verband met de mijnontginning, ondanks tegenspraak van den mijnbestuurder, mogelijk acht, stelt het een dag vast voor de inzage en noodigt den verzoeker en den bestuurder der mijn daartoe uit. Slechts die gedeelten der mijnplannen worden getoond, die in verband met de schade aan het perceel in aanmerking komen. Nateekenen is verboden. Het is den verzoeker intusschen toegestaan zich door een deskundige te laten bijstaan of zich door een gemachtigde te doen vertegenwoordigen.

  • (6)

    Het recht van den aanvrager zijn aanspraken aan den bevoegden rechter ter beslissing voor te leggen, blijft onverkort.

Artikel

6

Artikel

7

Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden dit verdrag hebben onderteekend in de Nederlandsche en in de Duitsche taal, welke beide gelijkelijk rechtskracht hebben, en van hunne zegels voorzien.

Gedaan te 's-Gravenhage, den 17den Mei 1939.

(L. S.) N. C. COUVEE

(L. S.) Dr. CONRAD ROEDIGER

Slotprotocol

Bij de onderteekening van het Verdrag houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor de aan beide zijden van de grens langs de Worm gelegen steenkolenmijnen, hebben de Gevolmachtigden van beide Staten nog over de volgende punten overeenstemming bereikt:

I

Ad artikel 5.

Ten behoeve van de transfer van schadevergoedingen voor mijnschade van een Duitschen schuldenaar aan een Nederlandschen schuldeischer of van een Nederlandschen schuldenaar aan een Duitschen schuldeischer, zullen voor elk geval afzonderlijke regelingen worden getroffen.

II

Ad artikel 6.

Dit artikel is op deze wijze te verstaan, dat met betrekking tot het mijnbedrijf, dat door de N.V. Domaniale Mijn-Maatschappij te Kerkrade wordt uitgeoefend, ondergronds uitsluitend het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd is, de wetgeving, de rechtspraak alsmede alle rechten van politie en van den fiscus uit te oefenen.

Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden dit Protocol in de Nederlandsche en in de Duitsche taal, welke beide gelijkelijk rechtskracht hebben, hebben onderteekend.

Gedaan te 's-Gravenhage, den 17den Mei 1939.

N. C. COUVEE

Dr. CONRAD ROEDIGER