De Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd,
alsmede
Het Koninkrijk België,
De Republiek Bulgarije,
De Tsjechische Republiek,
Het Koninkrijk Denemarken,
De Bondsrepubliek Duitsland,
De Republiek Estland,
Ierland,
De Helleense Republiek,
Het Koninkrijk Spanje,
De Franse Republiek,
De Republiek Kroatië,
De Italiaanse Republiek,
De Republiek Cyprus,
De Republiek Letland,
De Republiek Litouwen,
Het Groothertogdom Luxemburg,
Hongarije,
De Republiek Malta,
Het Koninkrijk der Nederlanden,
De Republiek Oostenrijk,
De Republiek Polen,
De Portugese Republiek,
Roemenië,
De Republiek Slovenië,
De Slowaakse Republiek,
De Republiek Finland,
Het Koninkrijk Zweden, en
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd,
hierna „de Uniepartij” genoemd,
enerzijds,
alsmede
Japan,
anderzijds,
hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd,
Opnieuw bevestigend dat zij gehecht zijn aan de gemeenschappelijke waarden en beginselen, in het bijzonder de democratie, de rechtsstaat, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die de grondslag vormen voor hun diepgaande en langdurige samenwerking als strategische partners;
Herinnerend aan de steeds nauwere banden die tussen hen zijn gesmeed sedert het afleggen van de gemeenschappelijke verklaring inzake betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Japan, anderzijds, in 1991;
Geleid door de wens voort te bouwen op de waardevolle bijdrage tot hun betrekkingen die de bestaande overeen komsten tussen beide partijen op talrijke terreinen tot stand hebben gebracht en deze te versterken;
Erkennende dat de toenemende onderlinge afhankelijkheid wereldwijd ertoe heeft geleid dat de internationale samenwerking moet worden verdiept;
Zich bewust, in dit verband, als gelijkgestemde mondiale partners, van hun gedeelde verantwoordelijkheid en hun bereidheid om een rechtvaardige en stabiele internationale orde tot stand te brengen in overeenstemming met de beginselen en de doelstellingen van het Handvest van de Verenigde Naties en om wereldwijd vrede, stabiliteit en welvaart alsook menselijke veiligheid te verwezenlijken;
Vastbesloten in dit verband om nauw samen te werken bij het aanpakken van de grote mondiale problemen waarmee de internationale gemeenschap wordt geconfronteerd, zoals de verspreiding van massavernietigingswapens, terrorisme, klimaatverandering, armoede en besmettelijke ziekten, bedreigingen van het gemeenschappelijk belang op maritiem gebied, in de cyberruimte en de kosmische ruimte;
Vastbesloten eveneens in dit verband dat de ernstigste misdrijven die de gehele internationale gemeenschap aangaan, niet onbestraft mogen blijven;
Vastberaden in dit verband om hun algemene partnerschap op een alomvattende wijze te versterken door een uitbreiding van de politieke, economische en culturele banden en door overeenkomsten;
Vastberaden eveneens in dit verband om hun samenwerking te versterken en de algemene samenhang van de samenwerking te handhaven, onder meer door het versterken van het overleg op alle niveaus en het ondernemen van gemeenschappelijke acties met betrekking tot alle kwesties van gemeenschappelijk belang;
Wijzend op het feit dat, als de partijen in het kader van deze overeenkomst specifieke overeenkomsten sluiten op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, die door de Unie zouden worden gesloten krachtens titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de bepalingen van dergelijke toekomstige specifieke overeenkomsten niet bindend zijn voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en/of Ierland, tenzij de Unie, samen met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en/of Ierland wat betreft hun respectieve bilaterale betrekkingen, Japan ervan in kennis heeft gesteld dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en/of Ierland gebonden zijn door dergelijke toekomstige specifieke overeenkomsten als deel van de Unie, overeenkomstig Protocol (Nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht; evenzo zijn interne maatregelen die de Unie krachtens titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vaststelt met het oog op de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst, niet bindend voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en/of Ierland, tenzij zij te kennen hebben gegeven deel te willen nemen aan deze maatregelen of deze te aanvaarden overeenkomstig Protocol (Nr. 21); en tevens erop wijzend dat dergelijke toekomstige overeenkomsten of daarmee samenhangende interne maatregelen van de Unie onder Protocol (Nr. 22) betreffende de positie van Denemarken vallen, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht,