Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en tot het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en tot het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting

Het Koninkrijk der Nederlanden

enerzijds,

en

Het Koninkrijk België,

De Vlaamse Gemeenschap,

De Franse Gemeenschap,

De Duitstalige Gemeenschap,

Het Vlaamse Gewest,

Het Waalse Gewest,

en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,

anderzijds,

Geleid door de wens hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren,

Voornemens een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen, zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting (daaronder begrepen het gebruik van treaty-shopping-structuren die als doel hebben de in dit Verdrag voorziene tegemoetkomingen te verkrijgen in het indirecte voordeel van inwoners van derde rechtsgebieden),

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK

I

WERKINGSSFEER VAN HET VERDRAG

Artikel

1

Personen op wie het Verdrag van toepassing is

Artikel

2

Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is

HOOFDSTUK

II

BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel

3

Algemene begripsbepalingen

Artikel

4

Inwoner

Artikel

5

Vaste inrichting

HOOFDSTUK

III

BELASTINGHEFFING NAAR INKOMEN

Artikel

6

Inkomsten uit onroerende goederen

Artikel

7

Ondernemingswinst

Artikel

8

Zeevaart, binnenvaart en luchtvaart

Artikel

9

Verbonden ondernemingen

Artikel

10

Dividenden

Artikel

11

Interest

Artikel

12

Royalty’s

Artikel

13

Vermogenswinsten

Artikel

14

Inkomsten uit dienstbetrekking

Artikel

15

Vennootschapsleiding

Artikel

16

Pensioenen, lijfrenten, socialezekerheidsuitkeringen en alimentatie-uitkeringen

Artikel

17

Overheidsfuncties

Artikel

18

Studenten

Bedragen die een student of een voor een beroep of bedrijf in opleiding zijnde persoon die inwoner is, of onmiddellijk vóór zijn bezoek aan een verdragsluitende Staat inwoner was, van de andere verdragsluitende Staat en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de eerstbedoelde Staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding, zijn in die Staat niet belastbaar, mits die bedragen afkomstig zijn uit bronnen buiten die Staat.

Artikel

19

Andere inkomsten

HOOFDSTUK

IV

WIJZE WAAROP DUBBELE BELASTING WORDT VERMEDEN

Artikel

20

HOOFDSTUK

V

BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel

21

Recht op voordelen

Artikel

22

Non-discriminatie

Artikel

23

Compensatieregeling voor Nederlandse grensarbeiders

Artikel

24

Regeling voor onderling overleg

Artikel

25

Uitwisseling van inlichtingen

Artikel

26

Invorderingsbijstand

Artikel

27

Diplomatieke en consulaire ambtenaren

HOOFDSTUK

VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel

28

Inwerkingtreding

Artikel

29

Beëindiging

Dit Verdrag blijft van kracht totdat het door een verdragsluitende Staat wordt opgezegd. Elke verdragsluitende Staat kan het Verdrag langs diplomatieke weg opzeggen door ten minste zes maanden voor het einde van elk kalenderjaar dat begint na het verstrijken van een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag, aan de andere verdragsluitende Staat kennis te geven van de beëindiging. In dat geval houdt het Verdrag op van toepassing te zijn:

  • a.

    op de bij de bron verschuldigde belastingen op inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld op of na 1 januari van het jaar dat onmiddellijk volgt op dat waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan;

  • b.

    op de andere belastingen geheven naar inkomsten van belastbare tijdperken die beginnen op of na 1 januari van het jaar dat onmiddellijk volgt op dat waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan;

  • c.

    op andere belastingen die verschuldigd zijn ter zake van belastbare feiten die zich voordoen op of na 1 januari van het jaar dat onmiddellijk volgt op dat waarin de kennisgeving van de beëindiging is gedaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd door hun respectieve Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Brussel, op 21 juni 2023, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde de twee teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

M.L.A. VAN RIJ

Voor het Koninkrijk België,

V. VAN PETEGHEM

Voor de Vlaamse Gemeenschap,

M. DIEPENDAELE

Voor de Franse Gemeenschap,

V. VAN PETEGHEM

Voor de Duitstalige Gemeenschap,

V. VAN PETEGHEM

Voor het Vlaamse Gewest,

M. DIEPENDAELE

Voor het Waalse Gewest,

V. VAN PETEGHEM

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,

V. VAN PETEGHEM

Protocol

I

Bij de ondertekening van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en tot het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting zijn de ondergetekenden de volgende bepalingen overeengekomen die een integrerend deel van het Verdrag vormen.

1

Algemeen

  • 1.

    Het is wel te verstaan dat alle bepalingen van dit Verdrag die gelijk of in wezen gelijksoortig zijn aan de bepalingen van het OESO-modelverdrag met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, worden geïnterpreteerd overeenkomstig het OESO-commentaar daarop op het moment van de toepassing van dit Verdrag, voor zover de verdragsluitende Staten bij het betreffende OESO-commentaar geen observatie hebben gemaakt waaruit blijkt dat de verdragsluitende Staten niet instemmen met de betreffende uitgangspunten en voor zover de verdragsluitende Staten niet een afwijkende interpretatie zijn overeengekomen op basis van de regeling voor onderling overleg op grond van artikel 24.

  • 2.

    Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag dusdanig worden uitgelegd dat zij een verdragsluitende Staat belet de bepalingen van zijn nationale wetgeving tot vermijding van belastingontwijking en belastingontduiking toe te passen.

  • 3.

    Op verzoek van een inwoner van een verdragsluitende Staat raadplegen de bevoegde autoriteiten elkaar in overeenstemming met artikel 24, paragraaf 3, indien de nationale wettelijke bepalingen als bedoeld in de voorgaande paragraaf leiden tot dubbele belastingheffing of indien die inwoner meent dat de belastingheffing niet in overeenstemming is met het voorwerp en doel van de relevante bepalingen van dit Verdrag.

  • 4.

    Niets van dit Verdrag staat de toepassing in de weg van richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie.

  • 5.

    Indien beide verdragsluitende Staten een vermogensbelasting invoeren, zullen België en Nederland onderhandelingen opstarten met het oog op de opname van een vermogensartikel in dit Verdrag.

2

Met betrekking tot de artikelen 1, 4, 10, 11, 12, 13 en 19

  • 1.

    Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 1 en 4, zijn de voordelen in de artikelen 10, 11, 12, 13 en 19 en de daarop betrekking hebbende Protocolbepalingen niet van toepassing op een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

  • 2.

    De bepalingen van artikel 10, paragraaf 2, zijn van overeenkomstige toepassing op forfaitaire voordelen uit een vrijgestelde beleggingsinstelling.

  • 3.

    De bepalingen van artikel 10, paragraaf 3, zijn niet van toepassing op dividenden betaald door of betaald aan een persoon die een fiscale beleggingsinstelling is voor de toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting.

4

Met betrekking tot artikel 3, paragraaf 2, en artikel 24, paragraaf 3

Het is wel te verstaan dat indien de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten in onderlinge overeenstemming een oplossing binnen de context van het Verdrag hebben bereikt voor gevallen waarin:

  • a.

    onder toepassing van artikel 3, paragraaf 2, de uitleg van een niet omschreven uitdrukking als gevolg zou hebben dat; dan wel

  • b.

    als gevolg van kwalificatieverschillen (bijvoorbeeld van een inkomstenbestanddeel of van een persoon),

een situatie van dubbele belasting of dubbele vrijstelling zou optreden, deze oplossing – na bekendmaking daarvan door beide bevoegde autoriteiten – voor de toepassing van het Verdrag ook in andere, gelijke gevallen bindend zal zijn.

5

Met betrekking tot artikel 4

  • 1.

    Een natuurlijke persoon die aan boord van een schip of binnenschip woont zonder een werkelijke woonplaats in een verdragsluitende Staat te hebben, wordt geacht zijn woonplaats te hebben in de Staat waarin het schip of binnenschip zijn thuishaven heeft.

  • 2.

    Voor de toepassing van dit Verdrag is de plaats van werkelijke leiding van elke andere persoon dan een natuurlijke persoon de plaats waar de bedrijfsleiding van die persoon in haar totaliteit wordt waargenomen en waar het hogere toezicht op de werkzaamheden wordt uitgeoefend. De volgende criteria worden onder andere in aanmerking genomen om te bepalen waar de plaats van werkelijke leiding zich bevindt:

    • De plaats waar de raad van bestuur of het gelijkaardige orgaan haar vergaderingen houdt;

    • De plaats waar het dagelijkse bestuur wordt uitgeoefend;

    • De plaats waar hogere kaderleden/zaakvoerders hun werkzaamheden uitoefenen;

    • De plaats waar boeken en registers worden gehouden.

6

Met betrekking tot de artikelen 5, 6, 7 en 13

Het is wel te verstaan dat rechten tot exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen worden beschouwd als onroerende goederen die zijn gelegen in de verdragsluitende Staat op wiens territoriale zee, en elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee als bedoeld in artikel 3, paragraaf 1, subparagraaf a, waarin deze Staat, in overeenstemming met het internationaal recht, rechtsmacht of soevereine rechten uitoefent, met inbegrip van de zeebodem en de ondergrond daarvan, deze rechten van toepassing zijn en dat deze rechten geacht worden te behoren tot de activa van een vaste inrichting in die Staat. Voorts is het wel te verstaan dat de hiervoor genoemde rechten ook omvatten rechten op belangen bij, of voordelen uit vermogensbestanddelen die voortvloeien uit die exploratie of exploitatie.

7

Met betrekking tot artikel 7

Het is wel te verstaan dat wanneer een natuurlijke persoon, inwoner van een verdragsluitende Staat, beloningen geniet ter zake van het verrichten van arbeid in een in de andere verdragsluitende Staat gelegen vaste inrichting van een door zijn echtgenoot gedreven onderneming van eerstgenoemde verdragsluitende Staat, die beloningen voor de toepassing van het Verdrag worden aangemerkt als winst van een onderneming van eerstgenoemde verdragsluitende Staat die in de andere verdragsluitende Staat mag worden belast, indien het bedrag van de beloningen ten laste komt van eerdergenoemde in de andere verdragsluitende Staat gelegen vaste inrichting.

8

Met betrekking tot artikel 8

Het is wel te verstaan dat de bepalingen van artikel 8 tevens van toepassing zijn op belastingen geheven op basis van bruto-ontvangsten ter zake van vervoer van passagiers en vracht in internationaal verkeer.

9

Met betrekking tot de artikelen 8, 13, 14 en 19

Voor de toepassing van de artikelen 8, 13, 14 en 19 wordt de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming van Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. (KLM N.V.) geacht in Nederland te zijn gelegen, zolang Nederland de uitsluitende heffingsbevoegdheid heeft ter zake van de onderneming van KLM N.V. uit hoofde van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, gesloten te Parijs op 16 maart 1973.

10

Met betrekking tot artikel 9, paragraaf 1

Het is echter wel te verstaan, dat de omstandigheid dat verbonden ondernemingen overeenkomsten hebben afgesloten, zoals „cost-sharing-overeenkomsten” of algemene dienstverleningsovereenkomsten, voor of gebaseerd op de toerekening van de kosten van de leiding, de algemene beheerskosten, de technische en zakelijke kosten, kosten voor onderzoek en ontwikkeling en andere soortgelijke kosten, op zichzelf geen voorwaarde is die afwijkt van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen.

11

Met betrekking tot de artikelen 10 en 13

Het is wel te verstaan dat inkomsten verkregen bij de liquidatie van een vennootschap of bij het inkopen van aandelen door een vennootschap worden behandeld als dividenden, behoudens voor zover de bepalingen van artikel 13, paragraaf 5, van toepassing zijn.

12

Met betrekking tot de artikelen 6, 10, 11, 12 en 13

  • 1.

    Inkomen en voordelen uit collectieve beleggingen via besloten fondsen voor gemene rekening (besloten FGR’s) of via gemeenschappelijke beleggingsfondsen (GBF’s) gevestigd in een van de verdragsluitende Staten alsook paraplufondsen gevestigd in een van de verdragsluitende Staten bestaande uit diverse besloten FGR’s of GBF’s worden toegewezen aan de deelnemers die via de besloten FGR’s of GBF’s investeren en wel naar rato van de omvang van hun deelneming in het fonds.

  • 2.

    Een besloten FGR, GBF of paraplufonds dat in een van de verdragsluitende Staten gevestigd is en inkomsten of voordelen ontvangt die ontstaan in de andere verdragsluitende Staat kan zelf, via vertegenwoordiging door de manager van het fonds of diens depositaris in plaats van de deelnemers in het fonds die inwoner zijn van de eerstgenoemde verdragsluitende Staat, aanspraak maken op de voordelen uit dit Verdrag, namens die deelnemers in het fonds. Een manager van het fonds of diens depositaris verstrekt relevante informatie, die een overzicht van deelnemers en de voor een vordering relevante toegewezen inkomsten of voordelen omvat. Dergelijke vorderingen kunnen het voorwerp zijn van een onderzoek.

  • 3.

    Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 2 mag een fonds geen aanspraak maken op voordelen uit het Verdrag namens een investeerder van dat fonds, indien de investeerder zelf aanspraak heeft gemaakt op voordelen ter zake van dezelfde inkomsten of voordelen.

13

Met betrekking tot artikel 14, paragrafen 1 en 2

Het is wel te verstaan dat een dienstbetrekking uitgeoefend wordt op de plaats waar de werknemer fysiek aanwezig is voor het uitoefenen van de werkzaamheden waarvoor de salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen betaald worden, en dit ongeacht de plaats waar de arbeidsovereenkomst werd opgemaakt, de woonplaats van de werkgever of van de persoon die de beloningen betaalt, de plaats van betaling van de beloningen, of de plaats waar de resultaten van het werk van de werknemer worden geëxploiteerd. Indien een werkzaamheid daadwerkelijk in een verdragsluitende Staat wordt uitgeoefend, mag slechts het gedeelte van de beloningen dat aan die werkzaamheid kan worden toegerekend in die Staat worden belast.

14

Met betrekking tot de artikelen 14, 28 en 29

Het is wel te verstaan dat de uitdrukking „belastbaar tijdperk” voor Nederland betekent „belastingjaar”.

15

Met betrekking tot artikel 15

Het is wel te verstaan dat de bepalingen van artikel 15 ook van toepassing zijn op beloningen verkregen door de bestuurder of de zaakvoerder van een vennootschap die wordt bestuurd door een enig bestuurder of zaakvoerder alsmede de vereffenaar of de commissaris die deze werkzaamheid als enig vereffenaar of commissaris uitoefent voor rekening van een vennootschap. Deze bepalingen beogen eveneens de personen die werkzaamheden uitoefenen die in het Belgisch recht worden beschouwd als zijnde gelijkaardig aan die van bestuurder, zaakvoerder, commissaris of vereffenaar.

16

Met betrekking tot artikel 16

Niettegenstaande de bepalingen van artikel 16, paragraaf 7, wordt onder de uitdrukking „lijfrente” in artikel 16, paragraaf 7, voor zover afkomstig uit Nederland, verstaan: een lijfrente als bedoeld in de Nederlandse belastingwetgeving alsmede een andere periodieke uitkering of verstrekking voor zover in Nederland ter zake van die lijfrente of andere periodieke uitkering of verstrekking aanspraak op aftrek bestond als uitgaven voor inkomensvoorzieningen of daarmee vergelijkbare regelingen en welke lijfrente of andere periodieke uitkering of verstrekking geen belastbaar loon is.

17

Met betrekking tot artikel 16

Voor de toepassing van artikel 16 wordt onder de uitdrukking „sociale wetgeving” verstaan een stelsel inzake sociale zekerheid.

18

Met betrekking tot de artikelen 2, 4, 11, 12, 17, 25 en 26

Voor de toepassing van de artikelen 2, 4, 11, 12, 17, 25 en 26 wordt voor Nederland onder lokale autoriteit verstaan: plaatselijk publiekrechtelijk lichaam.

19

Met betrekking tot artikel 17, paragraaf 2

Een uit Nederland afkomstig pensioen valt onder de reikwijdte van artikel 17, paragraaf 2, voor zover de aanspraak op dat pensioen is opgebouwd in het kader van diensten verleend aan verdragsluitende Staat of een staatkundig onderdeel of lokale autoriteit daarvan (overheidsdiensten). Dit ongeacht door wie dat pensioen wordt uitbetaald. Wanneer de aanspraak op een pensioen is opgebouwd deels in het kader van overheidsdiensten en deels in het kader van een ander dienstverband, wordt het deel van dat pensioen dat wordt beheerst door artikel 16, respectievelijk het deel dat wordt beheerst door artikel 17, paragraaf 2, vastgesteld naar evenredigheid van het aantal jaren dat de aanspraak op dat pensioen is opgebouwd in het kader van overheidsdiensten en in het kader van een ander dienstverband ten opzichte van het totale aantal jaren waarover de aanspraak op dat pensioen is opgebouwd.

20

Met betrekking tot artikel 19, paragraaf 3

Voor de toepassing van artikel 19, paragraaf 3, is een inkomstenbestanddeel effectief belast in een verdragsluitende Staat wanneer dat bestanddeel in die verdragsluitende Staat aan de belasting onderworpen is en aldaar geen belastingvrijstelling geniet.

22

Met betrekking tot artikel 22, paragraaf 3

Ingeval in Nederland omstandigheden van partners mede een rol spelen bij de vaststelling van de verschuldigde belasting worden die omstandigheden, ingeval een natuurlijke persoon die inwoner is van België een beroep doet op deze bepaling bij de vaststelling van zijn in Nederland verschuldigde belasting overeenkomstig in aanmerking genomen, met dien verstande dat hij de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen die bij zijn partner in België in aanmerking komen niet ook in Nederland kan vergelden.

23

Met betrekking tot artikel 24

De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende Staten kunnen ter zake van een overeengekomen regeling in het kader van een onderling overleg op basis van het bepaalde in artikel 24 tevens overeenkomen dat in de verdragsluitende Staat waar ingevolge eerdergenoemde regeling sprake is van een vermeerdering van het belastbare inkomen met betrekking tot de daaruit voortvloeiende verschuldigde belasting wordt afgezien van belastingverhogingen, interest en kosten, indien in de andere verdragsluitende Staat met betrekking tot de corresponderende vermindering van belasting ingevolge die regeling wordt afgezien van de toekenning van interest.

24

Met betrekking tot de artikelen 28 en 29

Het is wel te verstaan dat de uitdrukking „zijn toegekend of betaalbaar gesteld” voor Nederland tevens betekent „ontvangen, verrekend of ter beschikking gesteld zijn, rentedragend zijn geworden, vorderbaar en inbaar zijn geworden”.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd door hun respectieve Regeringen, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Brussel, op 21 juni 2023, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde de twee teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

M.L.A. VAN RIJ

Voor het Koninkrijk België,

V. VAN PETEGHEM

Voor de Vlaamse Gemeenschap,

M. DIEPENDAELE

Voor de Franse Gemeenschap,

V. VAN PETEGHEM

Voor de Duitstalige Gemeenschap,

V. VAN PETEGHEM

Voor het Vlaamse Gewest,

M. DIEPENDAELE

Voor het Waalse Gewest,

V. VAN PETEGHEM

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,

V. VAN PETEGHEM

Protocol

II

Bij de ondertekening van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en tot het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting zijn de ondergetekenden het volgende tweede protocol overeengekomen dat een integrerend deel van het Verdrag vormt.

De verdragsluitende Staten komen overeen dat Nederland, in verband met het vervallen van de in Protocol II bij het op 5 juni 2001 te Luxemburg ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen opgenomen macro-

economische verrekening, met ingang van het jaar dat onmiddellijk volgt op dat waarin het Verdrag in werking treedt aan België een vergoeding betaalt ter grootte van jaarlijks € 15 miljoen, en zulks tot en met het tiende jaar na het jaar van ondertekening van dit Verdrag.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd door hun respectieve Regeringen, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Brussel, op 21 juni 2023, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde de twee teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

M.L.A. VAN RIJ

Voor het Koninkrijk België,

V. VAN PETEGHEM

Voor de Vlaamse Gemeenschap,

M. DIEPENDAELE

Voor de Franse Gemeenschap,

V. VAN PETEGHEM

Voor de Duitstalige Gemeenschap,

V. VAN PETEGHEM

Voor het Vlaamse Gewest,

M. DIEPENDAELE

Voor het Waalse Gewest,

V. VAN PETEGHEM

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,

V. VAN PETEGHEM

Convention entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique pour l’élimination de la double imposition en matière d'impôts sur le revenu et pour la prévention de l’évasion et de la fraude fiscales

Le Royaume des Pays-Bas

d'une part,

et

Le Royaume de Belgique,

La Communauté flamande,

La Communauté française,

La Communauté germanophone,

La Région flamande,

La Région wallonne,

Et la Région de Bruxelles-Capitale,

d'autre part,

Soucieux de promouvoir leurs relations économiques et d’améliorer leur coopération en matière fiscale,

Entendant conclure une convention pour l’élimination de la double imposition en matière d’impôts sur le revenu sans créer de possibilités de non-imposition ou d’imposition réduite par l’évasion ou la fraude fiscales (y compris par des mécanismes de chalandage fiscal destinés à obtenir les allégements prévus dans la présente Convention au bénéfice indirect de résidents d’États tiers),

Sont convenus de ce qui suit :

CHAPITRE

I

CHAMP D'APPLICATION DE LA CONVENTION

Article

1

Personnes visées

Article

2

Impôts visés

CHAPITRE

II

DEFINITIONS

Article

3

Définitions générales

Article

4

Résident

Article

5

Etablissement stable

CHAPITRE

III

IMPOSITION DES REVENUS

Article

6

Revenus immobiliers

Article

7

Bénéfices des entreprises

Article

8

Navigation maritime, intérieure et aérienne

Article

9

Entreprises associées

Article

10

Dividendes

Article

11

Intérêts

Article

12

Redevances

Article

13

Gains en capital

Article

14

Revenus d’emploi

Article

15

Dirigeants de sociétés

Article

16

Pensions, rentes, allocations de sécurité sociale et rentes alimentaires

Article

17

Fonctions publiques

Article

18

Etudiants

Les sommes qu'un étudiant ou un stagiaire qui est, ou qui était immédiatement avant de se rendre dans un État contractant, un résident de l'autre État contractant et qui séjourne dans le premier État à seule fin d'y poursuivre ses études ou sa formation, reçoit pour couvrir ses frais d'entretien, d'études ou de formation ne sont pas imposables dans cet État, à condition que ces sommes proviennent de sources situées en dehors de cet État.

Article

19

Autres revenus

CHAPITRE

IV

MÉTHODES POUR ÉLIMINER LA DOUBLE IMPOSITION

Article

20

CHAPITRE

V

DISPOSITIONS SPÉCIALES

Article

21

Droit aux avantages

Article

22

Non-discrimination

Article

23

Régime compensatoire pour les travailleurs frontaliers néerlandais

Article

24

Procédure amiable

Article

25

Echange de renseignements

Article

26

Assistance au recouvrement

Article

27

Fonctionnaires diplomatiques et consulaires

CHAPITRE

VI

DISPOSITIONS FINALES

Article

28

Entrée en vigueur

Article

29

Dénonciation

La présente Convention demeurera en vigueur tant qu'elle n'aura pas été dénoncée par un État contractant. Chacun des États contractants peut dénoncer la Convention par la voie diplomatique à l’autre État contractant au moins six mois avant la fin de toute année civile commençant après l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la date d'entrée en vigueur de la Convention. Dans ce cas, la Convention cessera d'être applicable :

  • a.

    aux impôts dus à la source sur les revenus attribués ou mis en paiement à partir du 1erjanvier de l'année qui suit immédiatement celle de la dénonciation ;

  • b.

    aux autres impôts établis sur des revenus de périodes imposables commençant à partir du 1er janvier de l'année qui suit immédiatement celle de la dénonciation ;

  • c.

    à d’autres impôts dus au titre d’événements imposables se produisant à partir du 1erjanvier de l’année qui suit immédiatement celle de la dénonciation.

EN FOI DE QUOI, les soussignés, à ce dûment autorisés par leurs Gouvernements respectifs, ont signé la présente Convention.

FAIT à Bruxelles, le 23 juin 2023, en double exemplaire, en langues néerlandaise et française, les deux textes faisant également foi.

Pour le Royaume des Pays-Bas,

M.L.A. VAN RIJ

Pour le Royaume de Belgique,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Communauté flamande,

M. DIEPENDAELE

Pour la Communauté française,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Communauté germanophone,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Région flamande,

M. DIEPENDAELE

Pour la Région wallonne,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Région de Bruxelles-Capitale,

V. VAN PETEGHEM

Protocole

I

Au moment de procéder à la signature de la Convention entre le Royaume des Pays Bas et le Royaume de Belgique pour l’élimination de la double imposition en matière d'impôts sur le revenu et pour la prévention de l’évasion et de la fraude fiscales, les soussignés sont convenus des dispositions suivantes, qui font partie intégrante de la Convention.

1

Généralités

  • 1.

    Il est entendu que toutes les dispositions de la présente Convention qui sont équivalentes ou substantiellement similaires aux dispositions du Modèle de Convention fiscale de l'OCDE concernant le revenu et la fortune doivent être interprétées conformément aux commentaires de l’OCDE y relatif au moment de l'application de la présente Convention, dans la mesure où les États contractants n'ont pas fait d'observation dans les commentaires de l'OCDE correspondants indiquant que les États contractants ne sont pas d'accord avec les principes concernés et dans la mesure où les États contractants n'ont pas convenu d'une interprétation divergente sur la base d’un accord amiable conformément à l'article 24.

  • 2.

    Aucune disposition de la présente Convention ne peut être interprétée comme empêchant un État contractant d'appliquer les dispositions de sa législation nationale visant à prévenir l'évasion et la fraude fiscales.

  • 3.

    A la demande d'un résident d'un État contractant, les autorités compétentes se consultent conformément au paragraphe 3 de l'article 24, si les dispositions de la législation nationale visées au paragraphe précédent donnent lieu à une double imposition ou si ce résident considère que l'imposition est non conforme à l'objet et au but des dispositions pertinentes de la présente Convention.

  • 4.

    Rien dans la présente Convention ne s'oppose à l'application de la directive (UE) 2022/2523 du Conseil du 14 décembre 2022 visant à assurer un niveau minimum d'imposition mondial pour les groupes d'entreprises multinationales et les groupes nationaux de grande envergure dans l'Union.

  • 5.

    Si les deux États contractants introduisent un impôt sur la fortune, la Belgique et les Pays-Bas entameront des négociations en vue de l'insertion d'un article sur la fortune dans la présente Convention.

2

Ad articles 1, 4, 10, 11, 12, 13 et 19

  • 1.

    Nonobstant les dispositions des articles 1 et 4, les avantages des articles 10, 11, 12, 13 et 19 et les dispositions correspondantes du Protocole ne s'appliquent pas à un organisme d'investissement exempté (« vrijgestelde beleggingsinstelling »), tel que visé à l'article 6a de la Loi néerlandaise de 1969 relative à l'impôt des sociétés (« Wet op de vennootschapsbelasting 1969 »).

  • 2.

    Les dispositions du paragraphe 2 de l'article 10 s'appliquent mutatis mutandis aux avantages forfaitaires d'un organisme d'investissement exempté aux Pays-Bas (« vrijgestelde beleggingsinstelling »).

  • 3.

    Les dispositions du paragraphe 3 de l'article 10 ne s'appliquent pas aux dividendes payés par ou à une personne qui est un organisme d'investissement fiscal (« fiscale beleggingsinstelling ») aux fins de l'impôt néerlandais des sociétés.

4

Ad article 3, paragraphe 2, et article 24, paragraphe 3

Il est entendu que, lorsque les autorités compétentes des États contractants seront parvenues, dans le cadre de la Convention, à une solution par voie d’accord amiable dans des cas où :

  • a.

    l’interprétation, en application du paragraphe 2 de l’article 3, d’un terme ou d’une expression non défini ; ou

  • b.

    une différence de qualification (par exemple d’un élément de revenu ou d’une personne),

entraînent une situation de double imposition ou de double exonération, cette solution – après avoir été notifiée par les deux autorités compétentes – sera également contraignante pour l’application de la Convention dans d’autres cas similaires.

5

Ad article 4

  • 1.

    Une personne physique qui vit à bord d’un navire ou d’un bateau servant à la navigation intérieure sans avoir de domicile réel dans un État contractant est réputée avoir son domicile dans l’État où se trouve le port d’attache du navire ou du bateau.

  • 2.

    Aux fins de la présente Convention, le siège de direction effective de toute personne autre qu'une personne physique est le lieu où la direction de cette personne est exercée dans sa totalité et où la surveillance supérieure des activités est exercée. Les critères suivants, entre autres, sont pris en compte pour déterminer le siège de direction effective :

    • le lieu où le conseil d'administration ou l’organe similaire tient ses réunions ;

    • le lieu où s'exerce la gestion journalière ;

    • le lieu où les cadres supérieurs/gérants accomplissent leur activités ;

    • le lieu où sont conservés les livres et les registres.

6

Ad articles 5, 6, 7 et 13

Il est entendu que les droits d'exploration et d'exploitation des ressources naturelles sont considérés comme des biens immobiliers situés dans l'État contractant sur la mer territoriale duquel, et toute zone extérieure et adjacente à sa mer territoriale telle que visée à l’alinéa a du paragraphe 1 de l'article 3, cet État, conformément au droit international, exerce sa juridiction ou des droits souverains, y compris les fonds marins et le sous-sol, ces droits s'appliquent et que ces droits sont considérés comme faisant partie de l’actif d’un établissement stable situé dans cet État. Il est également entendu que les droits précités comprennent également les droits portant sur des intérêts dans, ou des gains tirés des actifs résultant de cette exploration ou exploitation.

7

Ad article 7

Il est entendu que, lorsqu’une personne physique qui est un résident d’un État contractant, perçoit des rémunérations au titre d’un travail accompli dans un établissement stable, situé dans l’autre État contractant, d’une entreprise du premier État contractant exploitée par son conjoint, ces rémunérations sont considérées, pour l’application de la Convention, comme des bénéfices d’une entreprise du premier État contractant qui sont imposables dans l’autre État contractant, si la charge de ces rémunérations est supportée par l’établissement stable situé dans l’autre État contractant.

8

Ad article 8

Il est entendu que les dispositions de l'article 8 s'appliquent également aux impôts perçus sur la base des recettes brutes relatives au transport de passagers et de marchandises en trafic international.

9

Ad articles 8, 13, 14 et 19

Pour l’application des articles 8, 13, 14 et 19, le siège de direction effective de l’entreprise « Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. » (KLM N.V.) est réputé être situé aux Pays-Bas, aussi longtemps que les Pays-Bas détiennent le pouvoir d’imposition exclusif à l’égard de l’entreprise KLM N.V. en vertu de la Convention entre le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas et le Gouvernement de la République française tendant à éviter les doubles impositions et à prévenir l'évasion fiscale en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune, conclue à Paris le 16 mars 1973.

10

Ad article 9, paragraphe 1

Il est entendu que le fait que des entreprises associées aient conclu des conventions, comme des « conventions de cost-sharing » ou des accords généraux de prestation de services, ayant pour objet ou pour base l’imputation des dépenses de direction, frais généraux d’administration, charges techniques et professionnelles, frais de recherche et de développement et autres dépenses analogues, ne constitue pas en soi une condition qui diffère de celles qui seraient convenues entre des entreprises indépendantes.

11

Ad articles 10 et 13

Il est entendu que les revenus provenant de la liquidation d'une société ou du rachat d'actions par une société sont assimilés à des dividendes, sauf dans la mesure où les dispositions du paragraphe 5 de l'article 13 s'appliquent.

12

Ad articles 6, 10, 11, 12 et 13

  • 1.

    Les revenus et avantages tirés d’investissements collectifs via des fonds fermés en compte commun (CFC fermés) (« besloten fondsen voor gemene rekening » (besloten FGR’s)) ou via des fonds communs de placement (FCP) (« gemeenschappelijke beleggingsfondsen » (GBF’s)) établis dans l'un des États contractants ainsi que des fonds à compartiments établis dans l'un des États contractants et composés de plusieurs CFC fermés ou FCP sont alloués aux participants investissant par l'intermédiaire de CFC fermés ou FCP au prorata de l’importance de leur participation dans le fonds.

  • 2.

    Un CFC fermé, un FCP ou un fonds à compartiments, établi dans l'un des États contractants et percevant des revenus ou des avantages générés dans l'autre État contractant peut lui-même, par la représentation du gestionnaire du fonds ou de son dépositaire à la place des participants au fonds qui sont résidents du premier État contractant, revendiquer les avantages de la présente Convention pour le compte de ces participants. Un gestionnaire du fonds ou son dépositaire fournira les informations pertinentes, notamment une liste des participants et les revenus ou avantages alloués pertinents pour une requête. De telles demandes peuvent faire l'objet d'une enquête.

  • 3.

    Nonobstant les dispositions du paragraphe 2, un fonds ne peut prétendre aux avantages issus de la Convention au nom d'un investisseur de ce fonds si l'investisseur a lui-même revendiqué ces avantages au titre des mêmes revenus ou avantages.

13

Ad article 14, paragraphes 1 et 2

Il est entendu qu'un emploi est exercé à l’endroit où le salarié est physiquement présent pour y exercer les activités au titre desquelles les salaires, traitements et autres rémunérations similaires sont payés, quel que soit le lieu de conclusion du contrat de travail, la résidence de l’employeur ou du débiteur des rémunérations, le lieu de paiement des rémunérations, ou l’endroit où les résultats du travail du salarié sont exploités. Si une activité est effectivement exercée dans un État contractant, seule la partie des rémunérations attribuable à cette activité est imposable dans cet État.

14

Ad articles 14, 28 et 29

Il est entendu que, en ce qui concerne les Pays-Bas, l’expression « période d’imposition » (« belastbaar tijdperk ») doit être prise dans le sens de « année fiscale » (« belastingjaar »).

15

Ad article 15

Il est entendu que les dispositions de l'article 15 s'appliquent également aux rémunérations perçues par l'administrateur ou le gérant d'une société qui est dirigée par un administrateur ou un gérant unique ainsi que le liquidateur ou le commissaire aux comptes qui exerce cette activité en qualité de liquidateur ou commissaire aux comptes unique pour le compte d'une société. Ces dispositions visent également les personnes qui exercent des activités considérées en droit belge comme similaires à celles d'administrateur, de gérant, de commissaire aux comptes ou de liquidateur.

16

Ad article 16

Nonobstant les dispositions du paragraphe 7 de l’article 16, le terme «rente» mentionné au paragraphe 7 de l'article 16, désigne, dans la mesure où elle provient des Pays-Bas, une rente au sens de la législation fiscale néerlandaise ainsi que toute autre allocation ou prestation périodique dans la mesure où cette rente ou toute autre allocation ou prestation périodique a donné droit à une déduction aux Pays-Bas au titre de dépenses relatives à l'épargne-revenu (« uitgaven voor inkomensvoorzieningen ») ou régimes analogues, et où cette rente ou toute autre allocation ou prestation périodique n’est pas un salaire imposable.

17

Ad article 16

Pour l’application de l'article 16, l’expression « législation sociale » désigne un système de sécurité sociale.

18

Ad articles 2, 4, 11, 12, 17, 25 et 26

Pour l’application des articles 2, 4, 11, 12, 17, 25 et 26, en ce qui concerne les Pays-Bas, on entend par « collectivité locale » : « plaatselijk publiekrechtelijk lichaam ».

19

Ad article 17, paragraphe 2

Une pension provenant des Pays-Bas entre dans le champ d'application du paragraphe 2 de l'article 17 dans la mesure où le droit à cette pension a été constitué dans le cadre de services rendus à un État contractant ou à l'une de ses subdivisions politiques ou collectivités locales (fonctions publiques), peu importe qui verse cette pension. Lorsque le droit à une pension est constitué en partie dans le cadre de la fonction publique et en partie dans le cadre d'une autre relation de travail, la part de cette pension régie par l'article 16 et la part régie par le paragraphe 2 de l'article 17, est déterminée au prorata du nombre d'années pendant lesquelles le droit à cette pension a été constitué respectivement dans le cadre de la fonction publique et dans le cadre d'une autre relation de travail par rapport au nombre total d'années au cours desquelles le droit à cette pension a été constitué.

20

Ad article 19, paragraphe 3

Pour l’application du paragraphe 3 de l’article 19, un élément de revenu est effectivement imposé dans un État contractant lorsque cet élément est soumis à l'impôt dans cet État contractant et n'y bénéficie pas d'une exemption d’impôt.

21

Ad article 20, paragraphe 1

Pour l’application de l’alinéa a du paragraphe 1 de l'article 20, un élément de revenu est effectivement imposé aux Pays-Bas lorsque cet élément est soumis à l'impôt aux Pays-Bas et n'y bénéficie pas d'une exemption d’impôt.

22

Ad article 22, paragraphe 3

Lorsque, aux Pays-Bas, la situation des partenaires intervient pour la détermination de l’impôt dû, cette situation est également prise en considération, lorsqu’une personne physique qui est un résident de la Belgique invoque cette disposition, aux fins de la détermination de l’impôt qu’elle doit aux Pays-Bas, étant entendu qu’elle ne peut obtenir également aux Pays-Bas le bénéfice des déductions personnelles, abattements et réductions dont bénéficie son partenaire en Belgique.

23

Ad article 24

Lorsque les autorités compétentes des États contractants sont parvenues à un accord dans le cadre d’une procédure amiable basée sur les dispositions de l’article 24, elles peuvent également convenir que l’État contractant dans lequel l’accord précité entraîne une augmentation du revenu imposable renonce à tous les accroissements d’impôt, intérêts et frais afférents à l’impôt dû par suite de cette augmentation du revenu imposable, à condition que l’autre État contractant renonce à octroyer des intérêts en raison de la réduction d’impôt correspondante qui résulte de cet accord.

24

Ad articles 28 et 29

Il est entendu que l’expression « attribués ou mis en paiement » signifie également, en ce qui concerne les Pays-Bas, « reçus, crédités ou mis à la disposition, devenus productifs d’intérêts, devenus exigibles et encaissables ».

EN FOI DE QUOI, les soussignés, à ce dûment autorisés par leurs Gouvernements respectifs, ont signé le présent Protocole.

FAIT à Bruxelles, le 23 juin 2023, en double exemplaire, en langues néerlandaise et française, les deux textes faisant également foi.

Pour le Royaume des Pays-Bas,

M.L.A. VAN RIJ

Pour le Royaume de Belgique,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Communauté flamande,

M. DIEPENDAELE

Pour la Communauté française,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Communauté germanophone,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Région flamande,

M. DIEPENDAELE

Pour la Région wallonne,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Région de Bruxelles-Capitale,

V. VAN PETEGHEM

Protocole

II

Au moment de procéder à la signature de la Convention entre le Royaume des Pays

Bas et le Royaume de Belgique pour l’élimination de la double imposition en matière d'impôts sur le revenu et pour la prévention de l’évasion et de la fraude fiscales, les soussignés sont convenus du second Protocole suivant, qui fait partie intégrante de la Convention.

Les États contractants conviennent que, compte tenu de l'expiration de la compensation macroéconomique prévue par le Protocole II à la Convention entre le Royaume des Pays-Bas et le Royaume de Belgique tendant à éviter la double imposition et à prévenir l'évasion fiscale en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune, signée à Luxembourg le 5 juin 2001, les Pays-Bas verseront à la Belgique, à compter de l'année qui suit immédiatement celle de l'entrée en vigueur de la Convention, une compensation annuelle de 15 millions d'euros jusqu'à et y compris la dixième année qui suit celle de la signature de la présente Convention.

EN FOI DE QUOI, les soussignés, à ce dûment autorisés par leurs Gouvernements respectifs, ont signé le présent Protocole.

FAIT à Bruxelles, le 23 juin 2023, en double exemplaire, en langues néerlandaise et française, les deux textes faisant également foi.

Pour le Royaume des Pays-Bas,

M.L.A. VAN RIJ

Pour le Royaume de Belgique,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Communauté flamande,

M. DIEPENDAELE

Pour la Communauté française,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Communauté germanophone,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Région flamande,

M. DIEPENDAELE

Pour la Région wallonne,

V. VAN PETEGHEM

Pour la Région de Bruxelles-Capitale,

V. VAN PETEGHEM