Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot aanvaarding van de verplichte rechtsmacht van het Internationale Gerechtshof voor geschillen inzake de uitlegging of toepassing van de Herziene Rijnvaartakte van 1868 (Akte van Mannheim)

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot aanvaarding van de verplichte rechtsmacht van het Internationale Gerechtshof voor geschillen inzake de uitlegging of toepassing van de Herziene Rijnvaartakte van 1868 (Akte van Mannheim)

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen:

Artikel

1

Artikel

2

Onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst zal de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden haar aan de Griffier van het Internationale Gerechtshof mededelen.

Artikel

3

De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland zal binnen twee maanden na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst bij de Griffier van het Internationale Gerechtshof een verklaring nederleggen als bedoeld in de op 15 oktober 1946 door de Veiligheidsraad der Verenigde Naties krachtens artikel 35, tweede lid, van het Statuut van het Internationale Gerechtshof aangenomen resolutie.

Artikel

4

TEN BLIJKE WAARVAN de gevolmachtigden der Overeenkomstsluitende Partijen deze Overeenkomst, die deel uitmaakt van het heden ondertekende Algemene Verdrag, hebben ondertekend.

Gedaan te 's-Gravenhage, 8 april 1960, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) J. LUNS

(w.g.) H. R. VAN HOUTEN

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) VON BRENTANO

(w.g.) LAHR