Besluit van 22 september 1921, tot vaststelling van een "Octrooireglement"

Octrooireglement

Algemene bepaling

Artikel

1

In dit reglement wordt verstaan onder de Minister: Onze Minister van Economische Zaken.

Hoofdstuk

I

Inrichting en wijze van werken van de Octrooiraad

§

1

Samenstelling van de Octrooiraad

Artikel

2

Artikel

3

De gewone, de buitengewone en de plaatsvervangende leden mogen niet deelnemen aan de behandeling van zaken, waarbij zij een middellijk of onmiddellijk belang hebben, of waarbij zij in enig opzicht betrokken zijn.

Artikel

4

De belofte, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Rijksoctrooiwet, luidt als volgt:

"Ik beloof, dat ik ijverig, nauwgezet en onpartijdig de plichten zal vervullen, welke het ambt van voorzitter (ondervoorzitter, gewoon lid, buitengewoon lid, plaatsvervangend lid) van de Octrooiraad medebrengt, en met name aan de in de afdelingen te nemen beslissingen naar eigen overtuiging zal medewerken en geheim zal houden, hetgeen mij uit hoofde van mijn ambt bij de Octrooiraad bekend is van de octrooiaanvragen voor zover deze niet overeenkomstig het bij de Rijksoctrooiwet bepaalde zijn ter inzage gelegd of openbaargemaakt en stiptelijk zal helpen uitvoeren de in aanmerking komende wetten en algemene maatregelen van bestuur, en dat ik om iets hoegenaamd in dit ambt te doen of te laten, van niemand middellijk of onmiddellijk enige belofte of enig geschenk zal aannemen.

Dat beloof ik.

Ik verklaar, dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel voor het verkrijgen mijner aanstelling, aan iemand wie het ook zij, iets heb gegeven of beloofd.

Dat verklaar ik."

§

2

Samenstelling en bevoegdheden van de centrale afdeling, de aanvraagafdelingen, de afdelingen van beroep en de bijzondere afdelingen

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Als secretaris van iedere afdeling treedt op een door de Voorzitter van de Octrooiraad aangewezen ambtenaar van het Bureau voor de industriële eigendom of anders een door de leden van de afdeling uit hun midden gekozen gewoon of plaatsvervangend lid van de Octrooiraad.

§

3

Bepalingen van verschillende aard

Artikel

11A

Met het verrichten van werkzaamheden, die bij de Rijksoctrooiwet of dit reglement aan de Octrooiraad, doch niet aan een bepaalde afdeling, zijn opgedragen, is de voorzitter belast.

Artikel

12

Bij afwezigheid of ontstentenis wordt de Voorzitter van de Octrooiraad in zijn hem bij de Rijksoctrooiwet of bij dit reglement opgedragen werkzaamheden vervangen door de ondervoorzitters in een door de Minister aangewezen volgorde.

Artikel

13

De Voorzitter van de Octrooiraad verstrekt aan de Minister alle door deze gevraagde inlichtingen.

§

4

Verhoren voor de Octrooiraad

Artikel

14

§

5

Het octrooiregister

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

16A

Artikel

16B

Artikel

16C

Vervallen

Artikel

16D

Vervallen

§

5A

De krachtens de Rijksoctrooiwet verschuldigde bedragen

Artikel

17

Artikel

17A

De bedragen, die krachtens artikel 19B, tweede lid, van de Rijksoctrooiwet voor de werkzaamheden van de Octrooiraad als ontvangend bureau moeten worden betaald, zijn:

  • a.

    de toezendingstaks, bedoeld in Regel 14.1 van het bij het Samenwerkingsverdrag behorende Reglement: € 50;

  • b.

    de taks, bedoeld in Regel 20.9 van het onder a bedoelde Reglement:  € 5 voor elk gewaarmerkt afschrift, vermeerderd met een bedrag van  € 1 per bladzijde.

Artikel

18

Artikel

18A

§

6

Algemene bepalingen omtrent stukken betreffende een aanvrage om octrooi of een octrooi

Artikel

19

Artikel

20

Vervallen

§

6A

Voorschriften voor een aanvrage om octrooi, de bijbehorende beschrijving en tekeningen en het bijbehorende uittreksel

Artikel

21

De in artikel 22A, derde lid, van de Rijksoctrooiwet bedoelde overige vormvoorschriften voor een aanvrage om octrooi zijn de volgende:

  • 1°.

    De aanvrage moet worden ingediend in tweevoud en vermelden:

    • a.

      de naam, de voornamen en de woonplaats - of, indien het een rechtspersoon betreft, de naam en de woonplaats - van de aanvrager, alsmede, indien geen gemachtigde is gesteld, zijn adres;

    • b.

      de naam, de voornamen en de woonplaats van de uitvinder, tenzij deze heeft verklaard geen prijs te stellen op vermelding als uitvinder in het octrooi;

    • c.

      indien een gemachtigde is gesteld, diens naam, woonplaats en adres;

    • d.

      indien het een afzonderlijke aanvrage als bedoeld in artikel 8A van de Rijksoctrooiwet betreft, de datum van de indiening en het volgnummer van de oorspronkelijke aanvrage.

  • 2°.

    De korte aanduiding, bedoeld in artikel 22A, eerste lid, onder d, van de Rijksoctrooiwet, mag geen fantasienaam bevatten. Indien de bij de aanvrage behorende beschrijving aan het slot conclusies van verschillende categorieën bevat (voortbrengsel, werkwijze, inrichting of gebruik), moet dit duidelijk uit de korte aanduiding blijken.

  • 3°.

    De aanvrage moet een opsomming van de bijlagen bevatten met vermelding van de aard van ieder stuk.

  • 4°.

    Indien de aanvrage door meer dan één persoon is ingediend, moet zij een voor de aanvragers gemeenschappelijk domicilie vermelden. Voorts moet worden aangegeven, indien geen gemachtigde is gesteld, door welke aanvrager zij gemeenschappelijk vertegenwoordigd worden.

Artikel

22

De in artikel 22A, derde lid, van de Rijksoctrooiwet bedoelde overige vormvoorschriften voor de bij een aanvrage om octrooi behorende beschrijving zijn de volgende:

  • 1°.

    De beschrijving moet worden ingediend in drievoud en zijn gesteld op één zijde van één of meer bladen buigzaam, sterk, wit, glad, niet-glanzend en duurzaam papier van het formaat A 4 (29,7 * 21 cm).

  • 2°.

    De beschrijving dient met een donkere onuitwisbare inkt getypt of gedrukt te zijn, dit zodanig dat zij in een onbeperkt aantal exemplaren rechtstreeks kan worden gereproduceerd door middel van fotografie, elektrostatische werkwijzen, foto-offset en microfilm. De bladen dienen ongekreukt en ongescheurd te zijn; zij mogen niet gevouwen zijn.

  • 3°.

    Grafische symbolen en tekens, en chemische of wiskundige formules kunnen zo nodig met de hand worden geschreven of getekend. In getypte of gedrukte tekst dient 1 ½ regelafstand te worden gebruikt.

  • 4°.

    Aan het hoofd van de beschrijving moet de korte aanduiding, bedoeld in artikel 22A, eerste lid, onder d, van de Rijksoctrooiwet, zijn vermeld.

  • 5°.

    De conclusies als bedoeld in artikel 22A, eerste lid, onder e, van de Rijksoctrooiwet moeten beginnen op een nieuw blad en doorlopend genummerd zijn.

  • 6°.

    Elke vijfde regel van elk blad van de beschrijving behoort te worden genummerd, waarbij de nummers moeten worden aangebracht op de linkerzijde, aan de rechterzijde van de marge.

  • 7°.

    De bladen van de beschrijving moeten doorlopend genummerd zijn in Arabische cijfers. De nummers van de bladen moeten worden geplaatst boven aan de bladzijden in het midden, doch niet in de bovenmarge.

  • 8°.

    De bladen van de beschrijving moeten rondom onbeschreven randen hebben van ten minste de volgende afmetingen:

    bovenmarge 2 cm; rechtermarge 2 cm; linkermarge 2,5 cm; benedenmarge 2 cm.

  • 9°.

    Elk blad van de beschrijving dient redelijk vrij te zijn van raderingen en vrij te zijn van veranderingen en van boven elkaar geschreven en tussengeschreven woorden.

Artikel

23

De in artikel 22A, derde lid, van de Rijksoctrooiwet bedoelde overige vormvoorschriften voor de bij een aanvrage om octrooi behorende tekeningen zijn de volgende:

  • 1°.

    De tekeningen moeten worden ingediend in drievoud en zijn gesteld op één zijde van één of meer bladen buigzaam, sterk, wit, glad, niet-glanzend en duurzaam papier van het formaat A 4 (29,7 * 21 cm).

  • 2°.

    De tekeningen moeten in al haar onderdelen zijn uitgevoerd in krachtige en gelijkmatig getrokken duurzame lijnen van een enkele donkere kleur, dit zodanig, dat zij in een onbeperkt aantal exemplaren rechtstreeks kunnen worden gereproduceerd door middel van fotografie, elektrostatische werkwijzen, foto-offset en microfilm. De bladen dienen ongekreukt en ongescheurd te zijn.

  • 3°.

    De tekeningen moeten binnen de spiegel van 26,2 cm en 17 cm worden gehouden. De bladen van de tekeningen mogen geen rand rond de te gebruiken of gebruikte bladspiegel hebben. De minimummarges dienen als volgt te zijn:

    bovenmarge 2,5 cm; rechtermarge 1,5 cm; linkermarge 2,5 cm; benedenmarge 1 cm.

  • 4°.

    De afzonderlijke figuren moeten duidelijk van elkaar gescheiden en doorlopend genummerd zijn.

Artikel

23A

Het bij een aanvrage om octrooi behorende uittreksel mag ten hoogste één figuur bevatten en dient:

  • a.

    in tweevoud te worden ingediend en met een donkere, onuitwisbare inkt getypt of gedrukt te zijn op één blad duurzaam wit papier van het formaat A4 (29,7 * 21 cm);

  • b.

    in de Nederlandse taal te zijn gesteld en ten minste 50 woorden en ten hoogste 250 dan wel, indien het uittreksel een figuur bevat, ten hoogste 150 woorden te bevatten.

Artikel

24

De in artikel 22B, derde lid, van de Rijksoctrooiwet bedoelde nadere vormvoorschriften voor de bij een aanvrage om octrooi behorende beschrijving en de in dat lid bedoelde nadere voorschriften voor de inrichting van die beschrijving zijn de volgende:

  • 1°.

    De beschrijving moet aangeven welke uitkomst op het gebied van de nijverheid met de uitvinding wordt beoogd, met afbakening van het nieuwe ten opzichte van de stand van de techniek.

  • 2°.

    De tot de beschrijving behorende conclusies moeten datgene wat nieuw is en waarvoor het uitsluitend recht verlangd wordt, nauwkeurig en afzonderlijk aanwijzen.

  • 3°.

    De beschrijving en de conclusies, behorende bij een afzonderlijke aanvrage als in artikel 8A van de Rijksoctrooiwet bedoeld, moeten kunnen worden begrepen zonder raadpleging van de oorspronkelijke aanvrage.

  • 4°.

    De beschrijving moet nauwkeurig en juist zijn gesteld, zo kort mogelijk en zonder nutteloze herhalingen.

  • 5°.

    Maten en gewichten moeten in de beschrijving zijn aangegeven volgens het metrieke stelsel, temperaturen in graden Celsius, scheikundige elementen, -verbindingen en -grootheden, alsook natuurkundige en technische grootheden op een wijze als in de internationale praktijk is aanvaard.

  • 6°.

    De beschrijving mag geen andere figuren bevatten dan natuurwetenschappelijke, wiskundige of technische formules en tekens. Indien deze bij het drukken te veel ruimte in beslag zouden nemen of andere moeilijkheden zouden opleveren, moeten zij afzonderlijk als tekening worden overgelegd.

Artikel

25

De in artikel 22B, derde lid, van de Rijksoctrooiwet bedoelde nadere vormvoorschriften voor de bij een aanvrage om octrooi behorende tekeningen en de in dat lid bedoelde nadere voorschriften voor de inrichting van die tekeningen zijn de volgende:

  • 1°.

    De tekeningen moeten duidelijk zijn en mogen niet meer bevatten dan voor een juist begrip van de uitvinding nodig is.

  • 2°.

    Dwarsdoorsneden moeten zijn aangegeven door schuine arceringen; een en ander mag niet het duidelijk onderscheiden van verwijzingstekens en lijnen verhinderen.

  • 3°.

    De schaal van de tekeningen moet worden bepaald rekening houdende met de graad van ingewikkeldheid der figuren; zij is voldoende indien een fotografische reproduktie op twee derde van de grootte veroorlooft de bijzonderheden zonder moeite te zien.

  • 4°.

    Verwijzingstekens ter aanduiding van de onderdelen der figuren mogen alleen worden gebruikt voor zover een goed begrip van de beschrijving zulks vereist; zij moeten overeenkomen met die, welke in de beschrijving voorkomen. Dezelfde onderdelen in verschillende figuren moeten overal aangegeven zijn door dezelfde verwijzingstekens. Ingeval in de beschrijving varianten van de uitvinding worden beschreven, mag in met deze varianten overeenkomende figuren gebruik worden gemaakt van een systeem, waarbij dezelfde kenmerken in verschillende figuren worden aangeduid door samenhangende verwijzingscijfers (bijvoorbeeld algemeen kenmerk "15" wordt in figuur 1 aangeduid met "115", in figuur 2 met "215", enz.). Een verwijzingsteken mag niet voor verschillende onderdelen worden gebezigd, ook niet in verschillende figuren; bijvoeging van accenten of cijfers bij de verwijzingstekens moet zoveel mogelijk worden vermeden.

  • 5°.

    De tekeningen mogen geen verklaring bevatten met uitzondering van aanduidingen als "water", "stoom", "doorsnede II-II", "open", "dicht" en, voor wat elektrische blokschema's of fabricageschema's betreft, de aanduidingen nodig voor een goed begrip daarvan. Deze aanduidingen moeten in de Nederlandse taal zijn gesteld.

Artikel

26

Een aanvrage om octrooi en de daarbij behorende beschrijving dienen bij voorkeur te zijn ingericht overeenkomstig door de Octrooiraad daarvoor vastgestelde standaardformulieren. Exemplaren van deze standaardformulieren zijn verkrijgbaar bij het Bureau voor de industriële eigendom en worden door dit bureau toegezonden aan de in artikel 59 van de Rijksoctrooiwet bedoelde bureaus.

§

6B

Voorschriften voor andere dan in § 6a bedoelde stukken betreffende een aanvrage om octrooi of een octrooi alsmede voor modellen en monsters

Artikel

27

Artikel

28

De in de Rijksoctrooiwet bedoelde verzoekschriften, bezwaarschriften en memories van grieven moeten door de inzender of diens gemachtigde zijn ondertekend en vermelden:

  • a.

    de naam, de voornamen en de woonplaats - of, indien het een rechtspersoon betreft, de naam en de woonplaats - van de inzender, alsmede, indien geen gemachtigde is gesteld, zijn adres;

  • b.

    indien een gemachtigde is gesteld, diens naam, woonplaats en adres;

  • c.

    tenzij het een verzoekschrift als bedoeld in de artikelen 22I en 22J van de Rijksoctrooiwet betreft, de gronden, waarop het verzoek, het bezwaar of het beroep berust, en wel zo volledig mogelijk en voor zover nodig door bewijzen gestaafd.

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Aan de Octrooiraad aangeboden stukken betreffende een aanvrage om octrooi, niet zijnde stukken als bedoeld in paragraaf 6A, alsmede hem aangeboden modellen en monsters moeten zijn voorzien van een opschrift, dat de naam en de woonplaats van de aanvrager en het volgnummer van de aanvrage of van de openbaarmaking van de aanvrage bevat; indien geen van deze beide nummers bekend is, moet uit het opschrift blijken, bij welke aanvrage een en ander behoort. Een stuk als in dit artikel bedoeld alsmede een model en een monster mogen slechts op één aanvrage betrekking hebben.

Artikel

31A

§

6C

Voorschriften inzake octrooiaanvragen en octrooien betreffende micro-organismen

Artikel

31B

Artikel

31C

Artikel

31D

Bij een overeenkomstig artikel 22B van de Rijksoctrooiwet verricht depot dient een schriftelijke verklaring van de bewaargever te worden gevoegd, inhoudende:

  • a.

    een uiteenzetting omtrent de omstandigheden alsmede de eigenschappen van het micro-organisme, die van belang zijn voor het kweken, de opslag, de hantering en de levensvatbaarheid van het micro-organisme;

  • b.

    een aanduiding van de methode waarmee de aanwezigheid van het micro-organisme kan worden vastgesteld;

  • c.

    een identificatieaanduiding en, zo mogelijk, de wetenschappelijke beschrijving en de voorgestelde taxonomische aanduiding van het micro-organisme.

Artikel

31E

Artikel

31F

§

6D

De Octrooiraad als ontvangend bureau

Artikel

31H

§

6E

Europese octrooien

Artikel

31I

§

7

Octrooibewijs

Artikel

32

§

8

Bepalingen betreffende de datum waarop stukken zijn ingediend en waarop betalingen zijn verricht

Artikel

33

Vervallen

§

9

Inzage in het octrooiregister en op een octrooi of een aanvrage om octrooi betrekking hebbende stukken en verstrekking van inlichtingen en uittreksels

Artikel

34

§

10

Vermenigvuldiging, terinzagelegging en uitgifte van stukken

Artikel

35

De in de Nederlandse taal gestelde tekst van de beschrijving en het uittreksel, alsmede de tekeningen, welke behoren bij een krachtens artikel 22C van de Rijksoctrooiwet ter inzage te leggen aanvrage om octrooi, worden met vermelding van het tijdstip, waarop de terinzagelegging zal plaatsvinden, alsmede van de in artikel 16 van dit reglement bedoelde gegevens, reprografisch vermenigvuldigd.

Artikel

36

Artikel

36A

Vervallen

Artikel

36B

§

10A

Verstrekking van afschriften en bewijzen van voorrang

Artikel

36D

Artikel

36E

Op verzoek worden aan daarop rechthebbenden bewijzen van het recht van voorrang, berustend op een in Nederland ingediende aanvrage, verstrekt tegen betaling van een bedrag van € 5 per bewijs, vermeerderd met een met inachtneming van het in artikel 36D, eerste lid, bepaalde vastgesteld bedrag, indien een afschrift van de bij een aanvrage om octrooi behorende beschrijving en tekeningen deel uitmaakt van het bewijs.

§

11

Openstelling van het Bureau voor de industriële eigendom

Hoofdstuk

II

Het in artikel 25, eerste lid, van de Rijksoctrooiwet bedoelde blad

Artikel

38

Artikel

39

Hoofdstuk

III

Staten als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Rijksoctrooiwet

Artikel

40

De staten, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Rijksoctrooiwet, zijn de lid-staten van de Europese Gemeenschappen alsmede de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Artikel

41

Vervallen

Hoofdstuk

IV

Artikel

42

Vervallen

Hoofdstuk

V

Aanvragen, ingediend bij bureaus voor de industriële eigendom in de Nederlandse Antillen en Aruba

Artikel

43

Vervallen

Artikel

44

Vervallen

Artikel

45

Vervallen

Artikel

46

Vervallen

Artikel

47

Vervallen

Artikel

48

Vervallen

Artikel

49

Vervallen

Artikel

50

Aanvragen om octrooi, ingediend bij een bureau voor de industriële eigendom als bedoeld in artikel 59 van de Rijksoctrooiwet, worden na ontvangst bij de Octrooiraad ingeschreven in het octrooiregister.

Artikel

51

Vervallen

Artikel

52

Het tijdstip van indiening van een stuk betreffende een aanvrage om octrooi bij een bureau voor de industriële eigendom als bedoeld in artikel 59 van de Rijksoctrooiwet geldt als tijdstip van indiening bij de Octrooiraad.

Artikel

53

Slotbepaling

Dit reglement kan worden aangehaald onder de titel "Octrooireglement".

Tarief, bedoeld bij octrooireglement

Artikel 1

Aan de getuige of deskundige, die ingevolge de oproeping, bedoeld in Octrooireglement is verschenen, wordt voor de noodzakelijke uitgaven voor reiskosten heen en terug toegelegd een vergoeding, met inachtneming van zijn maatschappelijke stand te bepalen, indien hij zich verder dan 2 kilometer buiten de gemeente van zijn woonplaats of van zijn tijdelijke verblijfplaats heeft moeten begeven.

Artikel 2

De reizen worden geacht gedaan te zijn of te worden met openbare middelen van vervoer, tenzij bij gemis daarvan of ten gevolge van bijzondere omstandigheden van andere vervoermiddelen moest worden gebruik gemaakt, ter beoordeling van hem, die de vergoeding toelegt.

Artikel 3

Aan de getuige of deskundige in artikel 1 bedoeld, wordt voor verblijfkosten buiten de gemeente van zijn woonplaats of van zijn tijdelijke verblijfplaats toegelegd een vergoeding, met inachtneming van zijn maatschappelijke stand te bepalen, tot een bedrag van ten hoogste € 102 per etmaal, gedeelten van etmalen, 12 uren of meer bedragende voor een geheel, kleinere voor een half etmaal gerekend.

Artikel 4

Aan de getuige of deskundige, die door ziekte of lichaamsgebreken zich noodzakelijk door een ander moest doen vergezellen, kan het dubbel van het bedrag van de vergoeding voor reis- en verblijfkosten worden toegelegd. Hij, die de vergoeding toelegt, beoordeelt of het geleide noodzakelijk was.

Artikel 5

Aan de getuige, in artikel 1 bedoeld, wordt voor tijdverzuim toegelegd een vergoeding, met inachtneming van zijn maatschappelijke stand te bepalen, tot een bedrag van ten hoogste € 102 per dag, indien nadeel door tijdverzuim moet geacht worden geleden te worden, gedeelten van dagen voor gehele dagen gerekend.

Artikel 6

De vergoedingen voor reis- en verblijfkosten en die voor tijdverzuim worden niet meer dan eenmaal genoten voor al de verrichtingen te zamen, die in de loop van eenzelfde reis zijn volbracht, onverschillig of de verrichtingen al dan niet tot dezelfde zaak betrekkelijk zijn.

Artikel 7

Aan de deskundige, bedoeld in artikel 1, wordt een vacatiegeld toegelegd tot een bedrag van ten hoogste € 102 voor elke door hem behandelde octrooiaanvrage of elk behandeld octrooi, waarvoor hij als zodanig is benoemd. In gevallen dat de octrooiaanvragen of octrooien, voor de behandeling waarvan een deskundige is benoemd, van uitgebreide of ingewikkelde aard zijn of op andere wijze van de deskundige bijzondere werkzaamheden eisen, kan de afdeling, die hem benoemd heeft of de Voorzitter van de Octrooiraad, hem een of meer extra-vacaties toekennen.

Artikel 8

Stelt een getuige, die niet binnen het rijk in Europa woonachtig is, of een deskundige zijn overkomst of het uitbrengen van een schriftelijk verslag afhankelijk van een andere of hogere vergoeding, dan wordt deze vooraf door de Voorzitter van de Octrooiraad met hem geregeld.