Wet van 13 mei 1948, tot opheffing van de bijzondere gerechtshoven, de Bijzondere Raad van Cassatie en de tribunalen

Wet overgang bijzondere rechtspleging

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de berechting van politieke delinquenten en het opleggen van bijzondere maatregelen krachtens het Tribunaalbesluit zo spoedig mogelijk aan de organen van de gewone rechterlijke macht over te dragen door de bijzondere gerechtshoven, de Bijzondere Raad van Cassatie en de tribunalen op te heffen en de rechtsmacht dezer colleges te doen overgaan op de organen der gewone rechterlijke macht, alsmede enige andere met de bijzondere rechtspleging verband houdende voorzieningen te treffen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Afdeling

I

Opheffing van de bijzondere gerechtshoven en overgang van hun rechtsmacht.

Artikel

1

Een bijzonder gerechtshof wordt - gehoord de president daarvan - opgeheven op een nader door Ons te bepalen tijdstip.

Artikel

2

Indien een bijzonder gerechtshof is opgeheven, nemen de arrondissements-rechtbanken binnen zijn voormalig rechtsgebied kennis van de misdrijven, waarop het Besluit Buitengewoon Strafrecht van toepassing is.

Artikel

3

Voor het bij uitsluiting behandelen en beslissen van de misdrijven waarop het Besluit Buitengewoon Strafrecht van toepassing is, vormen en bezetten de besturen van de rechtbanken één of meer bijzondere strafkamers.

De bijzondere strafkamers bestaan uit drie rechters.

Artikel

4

Wij behouden Ons voor in verband met de instelling van bijzondere strafkamers meer vice-presidenten, rechters, substituut-officieren van justitie en substituut-griffiers te benoemen dan is toegelaten volgens de wet van 18 December 1947 (Staatsblad no. H 430).

Artikel

5

Eenzelfde persoon kan bij meer dan één arrondissements-rechtbank als lid van een bijzondere strafkamer werkzaam zijn.

Artikel

6

Artikel

10

Tegen de beslissingen van de arrondissements-rechtbanken in zaken, waarop de bepalingen van het Besluit Buitengewoon Strafrecht van toepassing zijn, staat geen hoger beroep open.

Artikel

11

Artikel

12

Afdeling

II

Opheffing van de Bijzondere Raad van Cassatie en overgang van diens rechtsmacht.

Artikel

13

De Bijzondere Raad van Cassatie wordt, gehoord de president van de Raad en de president van de Hoge Raad der Nederlanden, opgeheven op een nader door Ons te bepalen tijdstip.

Artikel

15

Afdeling

III

Opheffing van de tribunalen en overgang van hun rechtsmacht.

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Voor de toepassing van het Tribunaalbesluit treden in plaats van:

  • a.

    het tribunaal: de kantonrechter;

  • b.

    de secretaris, de adjunct-secretaris of de waarnemend-secretaris van het tribunaal: de griffier, de substituut-griffier of de waarnemend-griffier bij de rechtbank.

Artikel

20

In het gebied, waarin de rechtsmacht van een bijzonder gerechtshof op de rechtbanken is overgegaan, kan de officier van justitie na verlening van een fiatbehandeling de aangifte met de op de zaak betrekkelijke stukken in handen stellen van een krachtens artikel 17, tweede lid, tot kennisneming van tribunaalzaken bevoegde kantonrechter binnen het rechtsgebied van de rechtbank, waarbij hij is geplaatst.

Artikel

21

Artikel

22

Met ingang van een nader door Ons te bepalen tijdstip gaan de bevoegdheden van de Hoge Autoriteit, bedoeld in het Koninklijk besluit van 23 December 1944 (Staatsblad no. E 153), houdende tijdelijke wijziging van het Tribunaalbesluit, over op de president van het gerechtshof, binnen welks ressort het tribunaal of het kantongerecht, dat de uitspraak heeft gedaan, is gevestigd.

Artikel

23

Met ingang van een nader door Ons te bepalen tijdstip kan de bijzondere maatregel van internering overeenkomstig door de Minister van Justitie te geven regelen en aanwijzingen worden ten uitvoer gelegd als gevangenisstraf, te ondergaan in een rijkswerkinrichting.

Afdeling

IV

Slotbepalingen

Artikel

24

Artikel

25

In het gebied, waarin de rechtsmacht van een bijzonder gerechtshof op de rechtbanken is overgegaan, treden voor de toepassing van de afdelingen III, VII en VIII van het Besluit politieke delinquenten 1945 volgens door de Minister van Justitie nader te stellen regelen de officieren van justitie in de plaats van de procureur-fiscaal en treedt voor de toepassing van artikel 32 van dat besluit de voorzieningenrechter van de rechtbank in de plaats van de president van het bijzonder gerechtshof of een door deze aangewezen rechtsgeleerde raadsheer.

Artikel

26

In het gebied, waarin de rechtsmacht van een bijzonder gerechtshof op de arrondissementsrechtbanken is overgegaan, treedt voor de toepassing van de artikelen 10, tweede lid, en 11, tweede lid, van het Besluit Vijandelijk Vermogen de officier van justitie in de plaats van de procureur-fiscaal.

Artikel

27

Voor de toepassing van artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering wordt met betrekking tot personen, die tot gevangenisstraf zijn veroordeeld wegens het begaan van een misdrijf, waarop het Besluit Buitengewoon Strafrecht van toepassing is, onder de werkelijke straftijd begrepen de tijd in bewaring of voorlopige hechtenis doorgebracht, waaromtrent is bepaald, dat hij bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Artikel

28

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

29

De Minister van Justitie is bevoegd nadere regelen te stellen ter uitvoering van deze wet.

Artikel

30

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize het Loo
WILHELMINA.
De Minister van Justitie, J. H. VAN MAARSEVEEN.
De Minister van Justitie, J. H. VAN MAARSEVEEN.