Wet van 15 mei 1952, houdende regelen betreffende pensioen- en spaarvoorzieningen

Pensioen- en spaarfondsenwet

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, regelen vast te stellen betreffende pensioen- en spaarvoorzieningen, met name bedrijfs- en ondernemingspensioenfondsen en ondernemingsspaarfondsen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

2a

Artikel

2b

Artikel

2c

Artikel

3

Artikel

3a

Artikel

3b

Door de overgang van een onderneming, bedoeld in artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij ten aanzien van de aan die onderneming verbonden werknemers geen toezegging omtrent pensioen is gedaan en geen spaarregeling geldt, wordt:

  • a.

    indien de verkrijger ten aanzien van de aan zijn onderneming verbonden werknemers voor het tijdstip van de overgang reeds een toezegging heeft gedaan, hij geacht deze tevens te hebben gedaan ten aanzien van de in de aanhef genoemde werknemers; dan wel

  • b.

    indien ten aanzien van de aan de verkrijgende onderneming verbonden werknemers voor het tijdstip van de overgang reeds een spaarregeling van toepassing was, deze regeling tevens van toepassing op de in de aanhef genoemde werknemers.

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

5a

Artikel

6

Artikel

6a

Artikel

6b

Artikel

6c

Artikel

6ca

Artikel

6d

Artikel

6e

Door middel van een besluit van het bestuur van het fonds kunnen aan de deelnemersraad verdere bevoegdheden dan de in deze wet genoemde worden toegekend. Een zodanig besluit wordt schriftelijk vastgelegd en behoeft de instemming van de deelnemersraad.

Artikel

7

Artikel

7a

De opbouw en de financiering van de pensioenaanspraken vinden gedurende het deelnemerschap ten minste evenredig in de tijd plaats.

Artikel

8

Artikel

8a

Artikel

8b

Artikel

8c

Artikel

9

Artikel

9a

Artikel

9aa

Artikel

9b

Artikel

9ba

Artikel

9c

Artikel

9d

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de artikelen 9a, 9aa, 9b en 9c. Daarbij kan worden bepaald dat in geval van overdracht of herverzekering als bedoeld in artikel 9, artikel 9c en die regels, met uitzondering van artikel 9c, derde lid, niet van toepassing zijn dan wel anderszins daarvan mag worden afgeweken.

Artikel

10

Artikel

10a

Artikel

10b

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Vervallen

Artikel

14

Vervallen

Artikel

15

Vervallen

Artikel

16

Vervallen

Artikel

17

Artikel

17a

Onverminderd het bepaalde in artikel 8, vierde lid, verstrekt het bestuur van een pensioenfonds op verzoek aan de deelnemer en de gewezen deelnemer binnen drie maanden een opgave van de hoogte van de opgebouwde aanspraken.

Het fonds kan een vergoeding vragen van de aan de opgave verbonden kosten.

Artikel

17b

Artikel

18

Ieder der bestuurders van een pensioenfonds of van een spaarfonds is verplicht te zorgen, dat het bepaalde bij of krachtens deze wet alsmede de bepalingen van de statuten en reglementen van het fonds worden nageleefd en dat, voor zover het een pensioenfonds betreft, het beleid van dat fonds gevoerd wordt overeenkomstig de in artikel 9c bedoelde actuariële en bedrijfstechnische nota.

Artikel

19

Een pensioenfonds, een spaarfonds, een werkgever en een verzekeraar als bedoeld in artikel 2, vierde lid, verstrekken aan de Pensioen- & Verzekeringskamer binnen de door haar te bepalen termijn kosteloos de inlichtingen die zij voor de vervulling van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak nodig acht.

Artikel

20

Artikel

20a

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

23a

Artikel

23b

Artikel

23c

Artikel

23d

Degene jegens wie door de Pensioen- & Verzekeringskamer een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel

23e

Artikel

23f

Artikel

23g

Artikel

23h

Artikel

23i

Artikel

23j

Artikel

23k

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel

23l

Artikel

23m

Artikel

24

Telkenjare brengt de Pensioen- & Verzekeringskamer aan Ons verslag uit omtrent haar bevindingen betreffende de toepassing van deze wet.

Artikel

25

Artikel

25a

Ieder is verplicht aan Onze Minister of aan een bij ministeriële regeling aangewezen instelling desgevraagd alle inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor onderzoek inzake het ontbreken van aanvullende pensioenvoorzieningen voor werknemers.

Artikel

26

De pensioenfondsen en spaarfondsen zijn verplicht tot vergoeding van de kosten, welke aan de uitvoering van deze wet verbonden zijn. Onze Minister stelt hiervoor nadere regelen vast.

Artikel

27

Vervallen

Artikel

28

Wij behouden Ons voor, bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen tot uitvoering van deze wet te geven.

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Vervallen

Artikel

32

Artikel

32a

Artikel

32b

Artikel

32ba

Artikel

32d

In de artikelen 32d tot en met 32u wordt verstaan onder:

  • a.

    pensioenregeling:

    • 1°.

      een pensioenregeling op grond van een pensioentoezegging in de zin van artikel 2, eerste lid, of een andere pensioenregeling welke niet bij of krachtens een wet is vastgesteld dan wel,

    • 2°.

      indien de bijdragende onderneming zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden;

  • b.

    pensioen: pensioen op grond van een pensioenregeling als bedoeld onder a;

  • c.

    deelnemer: een deelnemer aan een pensioenregeling als bedoeld onder a;

  • d.

    gedetacheerd werknemer: een werknemer die in een andere lidstaat wordt gedetacheerd om daar te werken en die krachtens titel II van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149), onderworpen blijft aan de wetgeving van de lidstaat van oorsprong;

  • e.

    richtlijn 2003/41/EG: richtlijn nr. 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEG L 235/10);

  • f.

    bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van andere lidstaten dan Nederland die op grond van artikel 6, onderdeel g, van richtlijn 2003/41/EG zijn aangewezen om de in die richtlijn vastgelegde taken te verrichten.

Artikel

32e

Deelnemers en andere rechthebbenden die zich na beëindiging van de deelneming aan een pensioenregeling naar een andere lidstaat begeven behouden hun aanspraak op pensioen in dezelfde mate als deelnemers en andere rechthebbenden die na beëindiging van de deelneming in Nederland blijven.

Artikel

32f

Het orgaan dat de pensioenregeling uitvoert, betaalt het pensioen op verzoek van de rechthebbende in een andere lidstaat dan de lidstaat waar dat orgaan is gevestigd, waarbij transactiekosten op het pensioen in mindering gebracht kunnen worden.

Artikel

32g

Artikel

32h

Artikel

32i

Het is een pensioenfonds verboden bijdragen te ontvangen van een bijdragende onderneming die zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland:

  • a.

    zonder een daartoe door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleende vergunning; en

  • b.

    zonder de Pensioen- & Verzekeringskamer van het voornemen daartoe in kennis te hebben gesteld, op de wijze, bedoeld in artikel 32l, en met inachtneming van artikel 32o.

Artikel

32k

De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de vergunning, bedoeld in artikel 32i, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk intrekken of daaraan nadere voorschriften verbinden wanneer:

  • a.

    het pensioenfonds niet langer voldoet aan artikel 32j;

  • b.

    de bij de aanvraag verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de vergunning zou hebben geleid;

  • c.

    de verlening van de vergunning anderszins onjuist was en het fonds dit wist of behoorde te weten, of

  • d.

    van de vergunning gedurende twee jaren, na de dagtekening van de beschikking waarbij de vergunning is verleend, geen gebruik is gemaakt.

Artikel

32l

Artikel

32m

Artikel

32n

Artikel

32o

Artikel

32p

De Pensioen- & Verzekeringskamer neemt, in coördinatie met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de pensioenregeling, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een pensioenfonds of beroepspensioenfonds een einde maakt aan een vastgestelde inbreuk op de toepasselijke regelgeving.

Artikel

32q

Artikel

32r

Het is een pensioeninstelling uit een andere lidstaat verboden bijdragen te aanvaarden van een in Nederland zetel hebbende bijdragende onderneming zonder:

  • a.

    een daartoe verleende vergunning van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere lidstaat haar zetel heeft; en

  • b.

    zonder de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling zetel heeft in kennis te hebben gesteld van het voornemen een pensioenregeling uit te voeren voor een in Nederland gevestigde bijdragende onderneming.

Artikel

32s

De Pensioen- & Verzekeringskamer is verplicht nauw samen te werken met de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten uit andere lidstaten dan Nederland, zoals voorgeschreven door richtlijn 2003/41/EG.

Artikel

32t

Wanneer bij het toezicht door de Pensioen- & Verzekeringskamer blijkt dat een pensioeninstelling uit een andere lidstaat bij de uitvoering van een pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door een in Nederland zetel hebbende bijdragende onderneming in strijd met de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving of de artikelen 17, 17a en 17b handelt, stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling haar zetel heeft hiervan onverwijld in kennis, onder mededeling van deze kennisgeving aan de pensioeninstelling uit een andere lidstaat.

Artikel

32u

Artikel

33

Van burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en uitkering uit een fonds, waarop deze wet van toepassing is, neemt de kantonrechter kennis.

Artikel

34

Inlichtingen uit de basisadministratie persoonsgegevens en inlichtingen en uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand, welke met het oog op deelneming in of uitkering uit een fonds, waarop deze wet van toepassing is, ten behoeve van deelnemers en gewezen deelnemers van een zodanig fonds worden gevraagd, zijn vrij van leges.

Artikel

36

Artikel

37

Vervallen

Artikel

38

Deze wet kan worden aangehaald onder de titel Pensioen- en spaarfondsenwet.

Artikel

39

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk
JULIANA.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, A. M. JOEKES.
De Minister van Justitie, H. MULDERIJE.
De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

Bijlage

als bedoeld in artikel 23c, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet

Artikel 1

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 23b van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

Tariefnummer

Bedrag (vast tarief)

1.

€ 453

2.

€ 907

3.

€ 5 445

4.

€ 21 781

5.

€ 87 125

Artikel 2

1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 11In tabel 1 zijn die bepalingen opgesomd die zich uitsluitend richten tot pensioenuitvoerders of spaarfondsen. In tabel 2 zijn de bepalingen opgesomd die zich niet uitsluitend tot pensioenuitvoerders en spaarfondsen richten, is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor:

Categorie I: pensioenfondsen, spaarfondsen en verzekeraars als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van deze wet, met een balanstotaal minder dan € 9 075 604: factor 1;

Categorie II: pensioenfondsen, spaarfondsen en verzekeraars als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van deze wet, met een balanstotaal van ten minste € 9 075 604 maar minder dan € 45 378 022: factor 2;

Categorie III: pensioenfondsen, spaarfondsen en verzekeraars als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van deze wet, met een balanstotaal van ten minste € 45 378 022 maar minder dan €226 890 108: factor 3;

Categorie IV: pensioenfondsen, spaarfondsen en verzekeraars als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van deze wet, met een balanstotaal van ten minste € 226 890 108 maar minder dan € 453 780 216 : factor 4;

Categorie V: pensioenfondsen, spaarfondsen en verzekeraars als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van deze wet, met een balanstotaal van € 453 780 216 of meer: factor 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent het balanstotaal niet aan de Pensioen- & Verzekeringskamer beschikbaar zijn gesteld, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer aan degene aan wie de boete wordt opgelegd, verzoeken deze gegevens binnen een door haar te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

Artikel 3

Op grond van artikel 23e, tweede lid, van deze wet behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 is vastgesteld.

Tabel 1

2b, derde lid

4

2c, eerste lid

4

3a, derde lid

4

4, eerste lid

3

4, tweede lid

3

4, vierde lid

3

4, zesde lid

4

5, eerste lid

3

5, tweede lid

2

5, derde lid

2

5, vierde lid

2

5, vijfde lid

2

5, zesde lid,

2

5, zevende lid,

2

5a, eerste lid

2

6a

2

6b, tweede lid

3

6b, vierde lid

2

6c, eerste lid

2

6d, derde lid

2

7

2

7a

3

9

4

9a, eerste lid

3

9a, eerste lid

5

9a, tweede lid

3

9a, tweede lid

5

9a, vierde lid

5

9aa, tweede lid

5

9aa, derde lid

3

9b

4

9ba

4

9c

3

9c, tweede lid

3

9c, derde lid

3

10, derde lid

3

10a

4

10b, eerste lid

1

10b, tweede lid

1

10b, derde lid

1

10b, vierde lid

1

23, tweede lid

4

23l, eerste lid

4

23l, derde lid

3

32b, tweede lid

4

32i

3

32l

2

32o, tweede lid

3

32r

3

Tabel 2

2, eerste lid

5

2, vierde lid

5

2b, eerste lid

4

3, eerste lid

5

3a, vierde lid

3

8, vijfde lid

4

8, zesde lid

4

10b, vijfde lid

2

10b, zesde lid

2

11, eerste lid

3

11, tweede lid

3

18

1

19

3

21, zesde lid

1

22, tweede lid

3

22, vierde lid

3