Wet van 12 december 1962, houdende een regeling betreffende het vorderen van zaken door de landsoverheid

Vorderingswet 1962

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe regeling vast te stellen betreffende het vorderen van zaken door de landsoverheid;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

1

Artikel

2

De toepasselijkheid van deze wet wordt beperkt door de in het volkenrecht erkende uitzonderingen.

Artikel

3

Artikel

3a

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel

4

De bekendmaking van een beschikking waarbij een Onzer Ministers machtiging verleent namens hem vorderingsbeschikkingen te ondertekenen, geschiedt door toezending of uitreiking aan de gemachtigde dan wel door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel

5

Artikel

6

In vorderingsbeschikkingen kan aan daarbij aangewezen personen de verplichting worden opgelegd, om, voor zover hun dat feitelijk en rechtens mogelijk is, op de daarbij aangegeven plaats en tijd aan degene, te wiens behoeve de vordering geschiedt, de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van het gevorderde recht te verschaffen.

Artikel

7

In beschikkingen tot vordering van een recht tot gebruik van een zaak wordt de inhoud van dat recht omschreven.

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Ingeval een recht tot gebruik van een zaak is gevorderd, ontstaat dit recht voor degene, te wiens behoeve de vordering is geschied, op het tijdstip, waarop hij de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van dat recht verkrijgt, of, zo hij deze reeds heeft, op het voor dat geval in de vorderingsbeschikking te bepalen tijdstip.

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Een als gevolg van een vordering ontstaan recht tot gebruik van een zaak, dat nog bestaat bij het vervallen van de bevoegdheid, krachtens welke die vordering is gedaan, blijft bestaan tot zes maanden nadat vorenbedoelde bevoegdheid is vervallen, tenzij het eerder een einde neemt door het verstrijken van de termijn, waaraan zijn duur in de vorderingsbeschikking was gebonden of als gevolg van toepassing van artikel 20.

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

In krachtens artikel 23 vastgestelde vorderingsbeschikkingen kan aan daarbij aangewezen personen de verplichting worden opgelegd, om, voor zover hun dat feitelijk en rechtens mogelijk is, op het tijdstip, waarop het gevorderde recht op de zaak zal overgaan of ontstaan, aan degene, te wiens behoeve de vordering geschiedt, de feitelijke mogelijkheid tot uitoefening van dat recht te verschaffen.

Artikel

25

Artikel

26

Ingeval krachtens artikel 23 een recht tot gebruik van een onroerende zaak is gevorderd, ontstaat dit recht voor degene, te wiens behoeve de vordering is geschied, op het daarvoor in de vorderingsbeschikking te bepalen tijdstip.

Artikel

28

Dit artikel is niet gepubliceerd.

Artikel

29

Artikel

31

Artikel

32

Artikel

33

Artikel

34

Vervallen

Artikel

35

Artikel

36

Ten aanzien van op grond van de Algemene Vorderingswet 1939 en het Algemeen Vorderingsbesluit 1940 gedane vorderingen blijft het bij en krachtens de artikelen 10 en 11 van die wet onderscheidenlijk de artikelen 9, 10 en 11 van dat besluit bepaalde van toepassing, behoudens dat met overeenkomstige toepassing van artikel 17 van deze wet de rechter in de plaats treedt van de krachtens die regelingen ingestelde commissies.

Artikel

37

Artikel

38

Deze wet kan worden aangehaald als Vorderingswet, met vermelding van het jaar harer totstandkoming.

Artikel

39

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk
JULIANA.
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, J. DE QUAY.
De Staatssecretaris van Economische Zaken, F. J. W. GIJZELS.
De Minister van Binnenlandse Zaken, E. H. TOXOPEUS.
De Minister van Defensie, S. H. VISSER.
De Minister van Justitie, A. C. W. BEERMAN.
De Minister van Financiën, J. ZIJLSTRA.
De Minister van Justitie, A. C. W. BEERMAN.