Wet van 19 februari 1986, houdende intrekking van de Wet openbaar lichaam Rijnmond

Wet opheffing openbaar lichaam Rijnmond

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot opheffing van het openbaar lichaam Rijnmond;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze wet wordt verstaan onder:

  • a.

    de datum van opheffing: de datum van inwerkingtreding van deze wet;

  • b.

    het openbaar lichaam: het openbaar lichaam Rijnmond, bedoeld in artikel 2 van de Wet openbaar lichaam Rijnmond (Stb. 1964, 427);

  • c.

    Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;

  • d.

    de gemeenten: de tot het openbaar lichaam Rijnmond behorende gemeenten;

  • e.

    ambtenaar: hij die krachtens aanstelling of krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht op de dag, voorafgaande aan de datum van opheffing in dienst is van het openbaar lichaam;

  • f.

    rechten en verplichtingen: alle rechten en verplichtingen behoudens die welke voortvloeien uit het dienstverband van ambtenaren.

Artikel

2

§

2

Rechtskracht van voorschriften en uitoefening van bevoegdheden van het openbaar lichaam

Artikel

3

Artikel

4

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

5

Richtlijnen als bedoeld in artikel 30 en aanwijzingen als bedoeld in artikel 33 van de Wet openbaar lichaam Rijnmond vervallen met ingang van de datum van opheffing.

Artikel

6

Een door de raad van Rijnmond vastgesteld en door gedeputeerde staten van Zuid-Holland goedgekeurd streekplan als bedoeld in artikel 17 van de Wet openbaar lichaam Rijnmond, wordt geacht in overeenstemming met het bepaalde in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1962, 286) te zijn vastgesteld door provinciale Staten van Zuid-Holland.

Artikel

7

Artikel

8

§

3

De bestuurders en het personeel van het openbaar lichaam

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

§

4

De rechten en verplichtingen

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Op verzoek van gedeputeerde staten van Zuid-Holland dan wel van burgemeester en wethouders van een belanghebbende gemeente bepaalt Onze Minister, de andere belanghebbende dan wel belanghebbenden gehoord, of in verband met het bepaalde in de artikelen 7, derde en vierde lid, en 12 een nadere verrekening tussen gemeenten dan wel met de provincie Zuid-Holland dient plaats te vinden. Hij bepaalt dan tevens de hoogte van het bedrag en zo nodig, de wijze van betaling daarvan.

§

5

Slotbepalingen

Artikel

16

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

17

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

18

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

19

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

20

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

21

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

22

Vervallen

Artikel

23

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken, Rietkerk
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Van Amelsvoort
De Minister van Justitie, F. Korthals Altes