De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Overwegende dat, in verband met de inwerkingtreding van hoofdstuk 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, wijziging dient plaats te vinden van de samensteling, taak en standplaats van het Bureau Milieugevaarlijke Stoffen;
directeur Stoffen, Afvalstoffen, Straling van het Directoraat-Generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
2
Een wijziging van de richtlijn treedt voor de toepassing van artikel 3 in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel
2
1
Er is een Bureau Milieugevaarlijke Stoffen, hierna te noemen: het bureau. Het bureau is gevestigd bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (Postbus 1, 3720 BA Bilthoven).
2
Het bureau ressorteert onder het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne en de directie Arbeidsomstandigheden van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gezamenlijk.
3
Het bureau is samengesteld uit:
a.
medewerkers die zijn aangesteld bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne;
b.
medewerkers die zijn aangesteld bij de directie Arbeidsomstandigheden.
4
De directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne stelt, na overleg met de directeur, een van de in het derde lid, onder a, bedoelde medewerkers aan als coördinator bestaande stoffen (RIVM). Voorts stelt hij, eveneens na overleg met de directeur, een van die medewerkers aan als plaatsvervangend coördinator bestaande stoffen (RIVM). Hij voorziet, na overleg met de directeur, tevens in vervanging bij afwezigheid van de coördinator (RIVM) en de plaatsvervangend coördinator bestaande stoffen (RIVM).
5
De directeur van de directie Arbeidsomstandigheden stelt een van de in het derde lid, onder b, genoemde medewerkers aan als coördinator (SZW). Hij voorziet tevens in vervanging bij diens aanwezigheid.
Artikel
3
1
Het bureau is belast met de uitvoering van:
a.
de artikelen 11, 16, eerste en vierde lid, 17, 18, tweede lid, en 20, eerste lid, van de richtlijn;
de artikelen 9, derde lid, tweede en derde volzin, 10, eerste lid, derde alinea, tweede lid, eerste volzin, en derde lid, eerste alinea, en, voor zover het de toezending van de risicobeoordeling betreft, derde alinea, van de verordening;
De directeur en de coördinator (SZW) zijn bevoegd namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onderscheidenlijk de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, besluiten te nemen ter uitvoering van de artikelen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c.
3
De coördinator bestaande stoffen (RIVM) en de coördinator (SZW) zijn bevoegd namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onderscheidenlijk de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besluiten te nemen ter uitvoering van de artikelen en de circulaire, genoemd in het eerste lid, onderdelen d, e, en f.
4
De coördinator bestaande stoffen (RIVM) kan onder nader door hem te bepalen voorwaarden bestanddelen van zijn bevoegdheid mandateren aan onder hem ressorterende functionarissen.
Artikel
3a
1
Indien de coördinator bestaande stoffen (RIVM) het voornemen heeft om bij het maken van een risicobeoordeling als bedoeld in artikel 10, derde lid, eerste alinea, van de verordening, een verklaring te doen voor de noodzaak van maatregelen ter beperking van het risico, bedoeld in bijlage V, onder 1, onder iv, eerste volzin, van Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1994 tot vaststelling van de beginselen voor de beoordeling van de risico's voor mens en milieu van bestaande stoffen krachtens Verordening (EEG) nr. 793/93 (PbEG L 161), geeft hij daaraan geen uitvoering dan nadat hij dit tijdig, maar ten minste veertien dagen voor de uitoefening van de bevoegdheid, heeft gemeld aan de directeur.
2
Indien het bureau ten aanzien van nieuwe stoffen het voornemen heeft om:
een verzoek te doen als bedoeld in artikel 18, tweede lid, laatste volzin, van de richtlijn, geeft het bureau daaraan geen uitvoering dan nadat het de directeur daaromtrent ten minste veertien dagen tevoren heeft geïnformeerd.
Artikel
4
1
Afschrift van deze regeling zal worden gezonden aan de secretarissen-generaal van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onderscheidenlijk van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, alsmede aan de directeuren-generaal Milieubeheer, voor de Volksgezondheid, onderscheidenlijk van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne alsmede de directeur Arbeidsomstandigheden, ter bekendmaking aan belanghebbenden, alsmede aan de hoofden van de centrale en stafafdelingen.
2
Deze regeling zal worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant en treedt in werking op het tijdstip waarop hoofdstuk 2 van de Wet in werking treedt.
Artikel
5
De beschikking van de minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 9 september 1981, nr. 44902, directoraat-generaal voor de Milieuhygiëne, betreffende de instelling van het Bureau Milieugevaarlijke Stoffen (Stcrt. 1981, 174) wordt ingetrokken.
's-Gravenhage
De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, E. H. T. M.Nijpels
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. deGraaf