Artikel
1
De ambtenaren belast met de opsporing van overtredingen van de voorschriften gegeven bij of krachtens de artikelen 3, 3a, 4, 5 en 9 van de Visserijwet 1963 (Stb. 312), die zich bevinden aan boord van vaartuigen die de visserij-inspectievlag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, voeren, doen in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder b en c, van de Visserijwet 1963 (Stb. 312) de vordering tot stilhouden, omschreven in artikel 23 van de Wet op de Economische Delicten (Stb. 1950, K 258):
-
a.
gedurende de periode van een half uur voor zonsopgang tot een half uur na zonsondergang door het hijsen van de vlag als bedoeld in artikel 2, tweede lid, al dan niet gepaard gaand met een licht- of geluidsein bestaande uit het morseteken L:.–..; en
-
b.
gedurende de periode van een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang door het geven van een licht- of geluidsein bestaande uit het morseteken L: .–..