Vergoedingsregeling tijdelijke WWV-vervangende uitkering lagere overheden 1988, 1989, 1990 en het tijdvak 1 januari tot 1 augustus 1991

De minister van Binnenlandse Zaken,
Overwegende, dat het wenselijk is aan de lagere overheden de uitkeringen gedaan aan gewezen personeel op grond van een verordening die de per 1 januari 1987 vervallen aanspraken op een uitkering in de zin van de tot die datum geldende Wet Werkloosheidsvoorziening vervangt, voor het jaar 1988 en 1989 te vergoeden;

Besluit:

Artikel

1

In de regeling wordt verstaan onder:

a.
de minister:

de minister van Binnenlandse Zaken;

b.
de lagere overheden:
  • 1.

    de gemeenten, de provincies en de waterschappen;

  • 2.

    de organen als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1984, 669), de Wet Havenschap Delfzijl (Stb. 1957, 373), de Wet Havenschap Vlissingen (Stb. 1970, 457) en de Wet Havenschap Terneuzen (Stb. 1971, 252);

c.
de uitkeringsverordening:

de door een lagere overheid vastgestelde verordening die overeenkomt met de Tijdelijke regelingWWV-vervangende uitkering (Stb. 1987, 400), zoals deze regeling luidde tot en met 31 maart 1991;

d.
de uitkering:

het op grond van een uitkeringsverordening betaalde bedrag betrekking hebbend op het jaar 1988, 1989 of 1990, respectievelijk het tijdvak 1 januari tot 1 augustus 1991, verhoogd met de ter zake verschuldigde werkgeverslasten, verminderd met de Inhouding als bedoeld in de Inhoudingswet overheidspersoneel 1982 (Stb. 1981, 759) en het bijdrageverhaal als bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540);

e.
de werkgeverslasten:

de door de lagere overheid ter zake van een uitkering verschuldigde werkgeverspremies sociale verzekeringen en de werkgeversbijdrage in een publiekrechtelijke ziektekostenregeling of in een daarmede vergelijkbare voorziening, alsmede de ter zake aan het Algemeen burgerlijk pensioenfonds verschuldigde wachtgeldtijdbijdrage.

Artikel

2

Artikel

3

's-Gravenhage
De minister van Binnenlandse Zaken, C. P. vanDijk