Besluit van 14 augustus 1990, houdende overdracht van taken en bevoegdheden ingevolge artikel 29 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen (Stb. 1990, 380) aan De Nederlandsche Bank N.V.

Overdrachtsbesluit Wet toezicht beleggingsinstellingen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 6 juni 1990, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, Afdeling Financiële Markten en Instellingen, nr BGW 90/1509;
De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 1990, no. W06.90.0253);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën a.i. van 8 augustus 1990, nr BGW 90/2006;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel

2

Artikel

3

Aan de overdracht van de taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 2 worden de volgende beperkingen gesteld en voorschriften verbonden:

  • 1.

    voor zover de Bank ingevolge de krachtens de artikelen 5, 6 en 12 van de wet vast te stellen algemene maatregel van bestuur de bevoegdheid heeft om effectenbeurzen aan te wijzen, dient die aanwijzing te geschieden na overleg met de Stichting Toezicht Effectenverkeer;

  • 2.

    schriftelijke afspraken tussen de Bank en andere toezichthoudende autoriteiten, die tot uitwerking van de in artikel 27 van de wet bedoelde informatie-uitwisseling dienen, moeten, alvorens zij door de Bank worden gesloten aan Onze minister ter instemming worden voorgelegd; deze instemming kan slechts worden onthouden indien naar het oordeel van Onze minister de belangen die worden gediend door verdragen als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet dan wel het algemeen belang zich tegen die afspraken verzetten;

  • 3.

    in schriftelijke afspraken, als bedoeld in onderdeel 2, die worden gesloten met toezichthoudende autoriteiten uit een Staat waarmee het Koninkrijk nog geen verdrag tot informatie-uitwisseling heeft gesloten, dient te worden bepaald dat die afspraken wederom de instemming van Onze minister zullen behoeven bij de totstandkoming nadien van een dergelijk verdrag met die Staat; deze instemming kan slechts worden onthouden indien naar het oordeel van Onze minister de belangen die door dat verdrag worden gediend zich tegen die afspraken verzetten;

  • 4.

    de Bank dient aan Onze minister inlichtingen te verstrekken, voor zover zij daarover beschikt, die van betekenis kunnen zijn voor:

    • a.

      de aanwijzing als bedoeld in artikel 7, onder c, van de wet;

    • b.

      het verlenen of intrekken van een vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van de wet;

    • c.

      de toepassing van artikel 30 van de wet;

    • d.

      de aanwijzing als bedoeld in artikel 32 van de wet.

Artikel

4

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.

Artikel

5

Dit besluit wordt aangehaald als: Overdrachtsbesluit Wet toezicht beleggingsinstellingen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Financiën, W. Kok
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin