Besluit van 6 september 1990, houdende de vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening

Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, mede namens de Staatssecretaris van Justitie, van 15 december 1989, nr. DJB/BAS/U-891011;
De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 1990, nr. W13.90.0007);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur a.i., mede namens de Staatssecretaris van Justitie, van 17 juli 1990, nr. DJB/BAS-90930;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    de wet: de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 1989, 360);

  • b.

    de bijlage: de Bijlage behorende bij de wet;

  • c.

    pleegouder: degene of één dergenen die een jeugdige, waarvan hij niet de ouder of stiefouder is, in zijn gezin verzorgt en opvoedt;

  • d.

    doelstelling: de doelstelling waarvoor een voorziening voor subsidieverstrekking op grond van de wet in aanmerking wordt gebracht;

  • e.

    bereikbaarheid: het onmiddellijk bereikbaar zijn voor mondeling kontakt;

  • f.

    beschikbaarheid: het onmiddellijk beschikbaar zijn voor hulpverlening, overeenkomstig de doelstelling van de voorziening.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Hoofdstuk

2

Eisen met betrekking tot voorzieningen van ambulante hulpverlening

Artikel

7

Een uitvoerder van een voorziening van ambulante hulpverlening draagt er zorg voor dat een of meer daartoe toegeruste beroepskrachten het werk begeleiden van andere beroepskrachten en van degenen die anders dan als beroepskracht werkzaam zijn. De werkbegeleiding kan georganiseerd zijn in samenwerking met andere voorzieningen in de regio.

Artikel

8

Artikel

9

Een uitvoerder van een jongerenadviescentrum, van een adviesbureau voor jeugd en gezin en van een instelling voor begeleid wonen stelt met betrekking tot een jeugdige een hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 5 vast, tenzij de hulpverlening uitsluitend bestaat uit informatie, voorlichting of incidentele advisering. Het hulpverleningsplan wordt voorafgaand aan de hulpverlening, of indien dit niet mogelijk is, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na het begin van de hulpverlening vastgesteld.

Hoofdstuk

3

Eisen met betrekking tot voorzieningen van residentiële en semi-residentiële hulpverlening

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

In een voorziening voor crisisopvang verblijft de jeugdige ten hoogste zes weken. Het verblijf kan eenmaal met zes weken, of zoveel langer als nodig is, worden verlengd indien de instantie, die de jeugdige heeft geplaatst of die daarvoor verantwoordelijk is, heeft vastgesteld dat een andere vorm van hulpverlening aangewezen is te achten, maar er in de aangewezen voorziening in de regio voor de jeugdige op dat moment geen plaats is.

Artikel

14

Indien een jeugdige, buiten de gevallen, bedoeld in artikel 31 van de wet, het verblijf in een voorziening van residentiële hulpverlening beëindigt, geeft de uitvoerder van de desbetreffende voorziening hiervan kennis aan de instantie die de jeugdige heeft geplaatst of die hiervoor verantwoordelijk is en aan de wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige.

Artikel

15

De in een voorziening van residentiële hulpverlening opgenomen jeugdigen worden in de gelegenheid gesteld geestelijke verzorging te ontvangen en persoonlijk kontakt met geestelijke verzorgers te onderhouden.

Artikel

16

Hoofdstuk

4

Eisen met betrekking tot voorzieningen op het terrein van de pleegzorg

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Een voorziening voor pleegzorg en een instelling voor therapeutische gezinsverpleging bieden hulpverlening aan jeugdigen die:

  • a.

    de meerderjarigheidsleeftijd nog niet hebben bereikt;

  • b.

    de meerderjarigheidsleeftijd, doch nog niet de leeftijd van eenentwintig jaren hebben bereikt en voor wie voortzetting van plaatsing in een pleeggezin noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van een plaatsing in een residentiële voorziening plaatsing bij een pleeggezin noodzakelijk is.

Hoofdstuk

5

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

25

Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening.

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H. d’Ancona
De Staatssecretaris van Justitie, A. Kosto
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin