Besluit van 2 november 1990, houdende regels ten aanzien van bekostiging van voorzieningen, steunfuncties, experimenten en samenwerkingsverbanden op het terrein van de jeugdhulpverlening

Besluit tijdelijke regeling subsidiëring jeugdhulpverlening

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur mede namens de Staatssecretaris van Justitie, van 15 december 1989, nr. DJB/BAS/U-891010;
De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 1990, nr. W13.90 0006);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en van Cultuur mede namens de Staatssecretaris van Justitie, van 11 september 1990, DJB/BAS-90.1016;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Artikel

2

Indien in het plan is vastgesteld dat een voorziening of een steunfunctie in het eerste jaar waarop het plan betrekking heeft voor subsidie in aanmerking komt, wordt aan de uitvoerder of aan degene die een steunfunctie verzorgt, voor de uitvoering van het werkplan subsidie verstrekt overeenkomstig het bepaalde in dit besluit.

Artikel

3

De subsidieverlening ten behoeve van een minderjarige jeugdige wordt geweigerd indien de desbetreffende wettelijke vertegenwoordiger aan Onze minister schriftelijk zijn bedenkingen heeft kenbaar gemaakt de hulpverlening, met dien verstande dat, indien de hulpverlening reeds was aangevangen, deze hulpverlening ten behoeve van een jeugdige vanaf uiterlijk zes weken na ontvangst van het bezwaar door de minister niet langer voor subsidie in aanmerking wordt gebracht. De periode van zes weken, bedoeld in de eerste volzin, wordt verlengd met een periode van ten hoogste dertien weken, indien binnen zes weken na ontvangst van de bedoelde bedenkingen door de minister, door de hulpverlenende voorziening aan de minister wordt bericht, dat de raad voor de kinderbescherming de vraag of ten aanzien van een minderjarige een maatregel van justitiële kinderbescherming moet worden toegepast in onderzoek heeft genomen.

De eerste volzin is niet van toepassing indien het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening, in een voorziening voor pleegzorg of in een instelling voor therapeutische gezinsverpleging, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.

Hoofdstuk

II

Berekening van de subsidie

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Vervallen

Artikel

7

Het bedrag van de subsidie van een voorziening voor pleegzorg wordt bepaald door een door Onze minister vastgesteld normbedrag per jeugdige te vermenigvuldigen met de in het plan aan de desbetreffende voorziening toegekende capaciteit.

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Indien als direct gevolg van een maatregel van Onze ministers een of meer leden van het personeel van een uitvoerder of van degene die een steunfunctie verzorgt wegens beëindiging of vermindering van werkzaamheden, reorganisatie of fusie worden ontslagen, worden de wachtgelden verband houdende met de afvloeiing gesubsidieerd, mits dit aan Onze minister is verzocht en al datgene is gedaan of gelaten dat nodig was om deze kosten zo laag mogelijk te doen zijn.

Hoofdstuk

III

Structurele subsidies

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Het verslag van de werkzaamheden geeft een duidelijk inzicht in de aard en de omvang van de werkzaamheden van de voorziening of de steunfunctie. De verrichte werkzaamheden worden vergeleken met de voorgenomen werkzaamheden die in het ingediende werkplan tot uitdrukking zijn gebracht. Tevens vermeldt het verslag in hoeverre de nagestreefde doelstelling is bereikt.

Hoofdstuk

IV

Experimentensubsidies en subsidies als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid.

Artikel

17a

Onze Minister kan een of meer subsidieplafonds vaststellen voor het verstrekken van subsidies voor de uitvoering van experimenten.

Artikel

17b

Artikel

18

Artikel

19

Hoofdstuk

V

Vaststelling van het subsidie

Artikel

20

Hoofdstuk

VI

De verplichtingen van de subsidie-ontvanger

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Hoofdstuk

VII

Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel

25

Vervallen

Artikel

26

Onze minister kan, indien daar dringende redenen voor zijn, een uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt desgevraagd, al dan niet onder voorwaarden, ontheffing verlenen van een of meer bepalingen bij of krachtens dit besluit gesteld.

Artikel

27

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 1990.

Artikel

28

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijke regeling subsidiëring jeugdhulpverlening.

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H. d'Ancona
De Staatssecretaris van Justitie, A. Kosto
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin