Besluit van 28 mei 1991, houdende wijziging van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en andere uitkeringsregelingen

Wijzigingsbesluit Rijkswachtgeldbesluit 1959

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 25 februari 1991, nr. AW90/102/U32, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidsvoorwaarden, afdeling Pensioenen en Sociale Zekerheid;
Gelet op artikel 125, eerste lid, en artikel 134, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530), artikel 5, van de Termijnenwet (Stb. 1964, 314) en artikel 23 van de Wet van 15 juni 1972, Stb. 449, tot gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel;
De Raad van State gehoord (advies van 28 maart 1991, nr. W04.91.0108);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 15 mei 1991, nr. AW90/102/41, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidsvoorwaarden, afdeling Pensioenen en Sociale Zekerheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

I

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

II

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

III

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

IV

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

V

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

VI

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

VII

Artikel

VIII

Artikel

IX

Artikel

X

Artikel

XI

De tekst van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, de Uitkeringsregeling 1966 en het Koninklijk Besluit van 23 november 1972 (Stb. 1986, 492) en het Koninklijk Besluit van 23 november 1972 (Stb. 1986, 493), wordt door de Minister van Justitie in het Staatsblad geplaatst, waarbij eventuele vernummeringen en daarmee verband houdende verwijzingen in aanhalingen worden aangebracht.

Artikel

XII

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag nadat het in het Staatsblad is gepubliceerd en werkt terug tot en met 1 april 1991.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken a.i., E. M. H. Hirsch Ballin
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin