Besluit van 12 december 1991, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, houdende de regeling van de omvang en de samenstelling van elk der Kamers, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad

Besluit Raadskamers

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 5 juli 1991, nr. DVVB/WUP-U-911169;
Gelet op artikel 11, tweede lid, en artikel 47 van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad (Stb. 1990, 324);
De Raad van State gehoord (advies van 4 september 1991, nr. W.13.91.0354);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 5 december 1991, nr. DVVB/WUP-U-912169;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

2

Artikel

3

Elk der Kamers wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan en kan, eveneens uit haar midden, een tweede plaatsvervangend voorzitter aanwijzen.

Artikel

4

Artikel

5

Bij de inwerkingtreding van dit besluit geschiedt de benoeming van de helft der leden van elk der Kamers voor een periode van twee jaren.

Artikel

6

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1992.

Artikel

7

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Raadskamers.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H. d'Ancona
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin