Regeling ter beperking van de exploitatie van niet-geluid-gecertificeerde straalvliegtuigen

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Handelend in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de Richtlijn van 20 december 1979, 80/51/EEG, van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de beperking van de geluidhinder door subsonische luchtvaartuigen (Publikatieblad van de EG van 24 januari 1980, nr. L 18–26), laatstelijk gewijzigd met de Richtlijn van 21 april 1983, 83/206/EG (Publikatieblad van de EG van 4 mei 1983, nr. L 117-15);
Gelet op de Richtlijn van 4 december 1989, 89/629/EEG, van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de beperking van de geluidsemissie van civiele subsonische straalvliegtuigen (Publikatieblad van de EG van 13 december 1989, nr. L 363/27);
Gelet op de aanbeveling 12-3 van de Europese burgerluchtvaartconferentie (ECAC), zoals gewijzigd met aanbeveling 13-1 van 10 juni 1988;
Gelet op de Richtlijn van 2 maart 1992, 92/14/EEG, van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de beperking van de exploitatie van de vliegtuigen van bijlage 16 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, Boekdeel 1, deel 2, hoofdstuk 2 tweede uitgave (1988);

Besluit:

Artikel

1

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a.
subsonische straalvliegtuigen:

vaste vleugelvliegtuigen met straalturbineaandrijving met een maximaal toegelaten snelheid kleiner dan die van het geluid, waarvan de benodigde startbaanlengte bij de maximaal toegelaten startmassa meer dan 610 meter bedraagt;

b.
Annex 16, Vol I:

Boekdeel 1, Deel 2, van Bijlage 16 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Verdrag van Chicago, Trb. 1973, 109) tweede uitgave, 1988;

c.
hoofdstuk 2 vliegtuigen:

vliegtuigen waaromtrent door het bevoegd gezag een verklaring is afgegeven dat zij geluidgecertificeerd zijn overeenkomstig bepalingen en voorschriften, welke ten minste gelijk zijn aan die van hoofdstuk 2, paragraaf 2.4.1 van Annex 16, Boekdeel 1.;

d.
hoofdstuk 3 vliegtuigen:

vliegtuigen waaromtrent door het bevoegd gezag een verklaring is afgegeven dat zij geluidgecertificeerd zijn overeenkomstig bepalingen en voorschriften, welke ten minste gelijk zijn aan die van hoofdstuk 3 van Annex 16, Boekdeel 1.;

e.
omloopverhouding:

de verhouding van de luchtmassastroom door de omloopkanalen van een gasturbinemotor tot de luchtmassastroom door de verbrandingskamers, berekend bij de maximale stationaire stuwkracht in de internationale standaardatmosfeer op zeeniveau;

f.
lidstaat:

staat die lid is van de Europese Gemeenschappen;

g.
technische vlucht:

een vlucht waarbij geen betalende lading wordt vervoerd en die uitsluitend als doel heeft het laten uitvoeren van onderhoud, revisie, reparatie of modificatie.

Artikel

2

Het opstijgen van en landen op aangewezen luchtvaartterreinen is verboden voor subsonische straalvliegtuigen, tenzij het hoofdstuk 2 vliegtuigen of hoofdstuk 3 vliegtuigen zijn.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

De minister van Verkeer en Waterstaat verleent ontheffing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, indien:

  • a.

    er voor het betrokken vliegtuigtype een passende ombouwuitrusting beschikbaar is;

  • b.

    vliegtuigen die van deze ombouwuitrusting zijn voorzien, hoofdstuk 3 vliegtuigen zijn;

  • c.

    de ombouwuitrusting voor het betrokken vliegtuig vóór 1 april 1994 is besteld en

  • d.

    de vroegst mogelijke leveringsdatum voor deze ombouw is aanvaard.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

De regeling van de minister van Verkeer en Waterstaat van 28 september 1990, nr. LI/7691 wordt ingetrokken.

Artikel

9

Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na de datum van verschijning van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

10

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling ter beperking van de exploitatie van niet-geluid-gecertificeerde straalvliegtuigen.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, J. R. H.Maij-Weggen