Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Vervallen.

Artikel

4

Met motorrijwielen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet worden gelijkgesteld motorrijtuigen op drie of vier wielen die:

  • geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste twee personen;

  • niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie of een daarmee vergelijkbare constructie;

  • zijn geconstrueerd met een frame;

  • een directe stuuroverbrenging hebben naar het voorwiel of de voorwielen; en

  • waarin de motor en versnellingsbak centraal zijn geplaatst.

Artikel

5

Ingeval de eenheid van de Belastingdienst waar aangifte moet worden gedaan ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg, gesloten is op de dag waarop dan wel op de dag vóórdat het gebruik aanvangt, behoeft de belasting in afwijking van artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van de wet pas te worden betaald op de eerste dag waarop die eenheid na de aanvang van het gebruik is geopend.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

11

In afwijking van artikel 31, eerste lid, van de wet, worden met betrekking tot personenauto's en motorrijwielen die na 31 december 1992 worden geregistreerd en waarvoor vóór 1 januari 1993 bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's of bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen verschuldigd is geworden, die belastingen inclusief de daarover ter zake verschuldigde omzetbelasting verrekend met de belasting van personenauto's en motorrijwielen, voor zover die omzetbelasting niet in aanmerking komt voor aftrek op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Stb. 329).

Artikel

12

Met betrekking tot naheffingsaanslagen in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's en de bijzondere verbruiksbelasting van motorrijwielen blijven de bepalingen van de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) zoals deze luidden op 31 december 1992 van toepassing.

Artikel

13

De Staatssecretaris van Financiën, M. J. J. vanAmelsvoort