Wet van 9 maart 1995, houdende wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de budgettering van ten laste van het Rijk komende werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden in het onderwijs, alsmede de instelling van een participatiefonds ten behoeve van de beheersing van de werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden (budgettering wachtgelden en instelling participatiefonds)

Wijzigingswet Wet op het Basisonderwijs, enz. (budgettering wachtgelden en instelling participatiefonds)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, in verband met het terugdringen van de ten laste van het Rijk komende kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden in het onderwijs, gewenst is de werkloosheidsuitkeringen en herplaatsingswachtgelden in beginsel ten laste te doen komen van het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs en voor beroepsonderwijs of volwasseneneducatie, alsmede van het bestuur van een landelijk orgaan en van een onderwijsverzorgingsinstelling;
dat het daartoe tevens gewenst is het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs, voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs en voor beroepsonderwijs of volwasseneneducatie, alsmede het bestuur van een landelijk orgaan en van een onderwijsverzorgingsinstelling te doen deelnemen aan een participatiefonds;
dat het in verband met die verantwoordelijkheid voor de kosten van de werkloosheidsuitkeringen en herplaatsingswachtgelden en de instelling van dat participatiefonds wenselijk is de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 en de Wet op de onderwijsverzorging te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

IV

Wijziging Wet op het cursorisch beroepsonderwijs

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

V

Wijziging Kaderwet volwasseneneducatie 1991

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

VI

Wijziging Wet op de onderwijsverzorging

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

VII

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

VIII

Wijziging wetsvoorstel sociale vernieuwing volwasseneneducatie

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

IX

Afvloeiingsregelingen en invoering bestuursaanstelling

De op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, artikel II, onderdeel A, artikel III, onderdeel A, en artikel IV, onderdelen B en D, geldende afvloeiingsregelingen, vastgesteld krachtens hoofdstuk I-G van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, alsmede de desbetreffende overgangsregelingen, vervallen met ingang van dat tijdstip. De eerste volzin is niet van toepassing ten aanzien van afvloeiingsregelingen en overgangsregelingen die ten behoeve van het personeel van een school of instelling van één onderwijssoort of een scholengemeenschap zijn vastgesteld door het bevoegd gezag dat slechts die school, instelling of scholengemeenschap in stand houdt.

Artikel

X

Overgangsbepalingen

Artikel

XI

Invoering artikel 18a KVE 1991

Artikel 18a van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 vindt toepassing naar aanleiding van een vermindering van de bijdragen waartoe de gemeentebesturen op grond van artikel 21, eerste lid, van die wet in het jaar 1995 hebben beslist.

Artikel

XII

Functioneren rechtspersoon en vervallen Tijdelijke wet arbeidsbemiddeling onderwijs

Zodra naar het oordeel van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de rechtspersoon, bedoeld in de artikelen 184 van de Wet op het primair onderwijs, 170 van de Wet op de expertisecentra, 98b van de Wet op het voortgezet onderwijs, 3.53a en 3.72a van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, 61, tweede lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 en 64 van de Wet op de onderwijsverzorging, zijn bij of krachtens de genoemde wetten opgedragen taken zodanig uitvoert dat de Tijdelijke wet arbeidsbemiddeling onderwijs niet langer noodzakelijk is, bevordert Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de totstandkoming van een koninklijk besluit waarbij die wet vervalt, met dien verstande dat de artikelen met betrekking tot een vermindering van de rijksvergoeding van toepassing blijven op de vaststelling van die vergoeding.

Artikel

XIII

Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van artikel III, onderdeel K, artikel IV, onderdeel N wat betreft de invoeging van "96f.4," en onderdeel O, en artikel V, onderdelen A en B, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en terugwerken tot en met 1 augustus 1994.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, J. M. M. Ritzen
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen
De Minister van Justitie, W. Sorgdrager