Besluit van 18 mei 1995, houdende vaststelling van maatstaven die bij het in artikel 7a, eerste lid, van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen bedoelde onderzoek dienen te worden gehanteerd

Besluit inzake het onderzoek naar buitenlandse contacten van aspirant-adoptiefouders

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 7 februari 1995, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 479580/95/6;
De Raad van State gehoord (advies van 11 april 1995, No. W03.95.0057);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 11 mei 1995, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 492792/95/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

Artikel

2

Voor het overige worden bij het onderzoek zodanige maatstaven gehanteerd dat redelijkerwijs verzekerd is dat aan de door de Nederlandse wet gestelde vereisten voor opneming van buitenlandse kinderen zal worden voldaan.

Artikel

3

Indien het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen en van de Pleegkinderenwet tot wet wordt verheven en in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit inzake het onderzoek naar buitenlandse contacten van aspirant-pleegouders.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage
Beatrix
De Staatssecretaris van Justitie, E. M. A. Schmitz
De Minister van Justitie, W. Sorgdrager